Rivers of blood

door lievendebrouwere

  

John Enoch Powell (1912-1998) was een classicus uit Cambridge, auteur van een gezaghebbend woordenboek bij Herodotus en Thucydides dat hij schreef rond zijn 23ste, zodat men hem voor zijn 25ste al professor maakte, een man die acht talen sprak waaronder het Urdu en het oud-Welsh, die uit zijn professoraat ontslag nam toen de oorlog uitbrak, in dienst ging als gewone soldaat en in recordtijd opklom tot de graad van brigadegeneraal, en later minister van volksgezondheid werd. Powell vond – als conservative – ook bij de arbeidende klasse een enorme aanhang. Dat kwam door zijn aberrante standpunten: hij was tegen de toetreding van het Verenigd Koninkrijk tot ‘Europa’, én zag grote gevaren in de massale inwijking van cultureel niet-Europese groepen. Daarover ging zijn beroemde Rivers of Blood speech uit 1968, die hem een levenslang cordon sanitaire opleverde.

Et Thybrim multo spumantem sanguine cerno.

(de Tiber, schuimend van het vele bloed)

Uit: Vergilius, Aeneas, boek VI, l. 86

Het is de hoogste plicht van een staatsman om voorzieningen te treffen tegen afwendbaar onheil. Bij dit streven ontmoet hij hindernissen die diepgeworteld zijn in de menselijke natuur. Eén daarvan is, dat het in de lijn der dingen ligt dat zulke onheilen niet aantoonbaar zijn tot op het moment dat zij hebben plaatsgehad: bij elke fase van hun ontstaan is er ruimte voor twijfel en dispuut of zij nu wel echt zijn of denkbeeldig. Voorts krijgen zij weinig aandacht vergeleken bij actuele bekommernissen, die zowel onbetwistbaar zijn als dringend: vandaar de hardnekkige verlokking voor elk beleid om zich in te laten met het onmiddellijke heden, ten koste van de toekomst. En bovenal zijn mensen geneigd om het voorspellen van problemen te verwarren met het veroorzaken van problemen, en zelfs met het wensen van problemen: ‘Als mensen er toch maar niet zouden over spreken, dan zou het waarschijnlijk ook niet gebeuren.’

Mogelijk gaat deze gewoonte terug op het primitieve geloof dat het woord en het ding, de naam en het object, identiek zijn. In elk geval, de discussie over een in de toekomst ernstig, maar nu met enige inspanning nog te vermijden onheil, is de meest impopulaire, maar tegelijk meest noodzakelijke taak voor een politicus. Zij die er zich bewust aan onttrekken verdienen, en krijgen vaak ook de verwensingen van diegenen die na hen komen.

Een week of twee geleden raakte ik in gesprek met een kiezer, een gewone werkman van middelbare leeftijd, met een baan bij een van onze genationaliseerde industrieën. Na enkele zinnen over het weer, zei hij plots: ‘Als ik het geld had om weg te gaan, dan bleef ik niet in dit land.’ Ik maakte een afkeurende opmerking in de trant van dat zelfs deze regering niet het eeuwige leven had, maar hij sloeg er geen acht op en ging verder: ‘Ik heb drie kinderen, ze hebben alle drie middelbare school gelopen en twee zijn nu getrouwd en hebben zelf kinderen. Ik zal niet gerust zijn voor zij zich allemaal in het buitenland gevestigd hebben. In dit land hebben binnen 15 à 20 jaar de zwarten het heft in handen en dansen de blanken naar hun pijpen.’

Nu al hoor ik in koor de kreten van afschuw. Hoe kom ik erbij om zoiets afschuwelijks te zeggen? Hoe waag ik het om problemen aan te wakkeren en gevoelens te doen ontvlammen door zo’n conversatie op te rakelen? Het antwoord is dat ik het recht niet heb om dat niet te doen. Het gaat hier om een doodgewone, fatsoenlijke mede-Engelsman, die aan mij, zijn parlementariër, bij klaarlichte dag in mijn eigen stad vertelt dat zijn land voor zijn kinderen de moeite niet meer waard zal zijn om erin te leven. Ik heb gewoon het recht niet om mijn schouders op te halen en over iets anders na te denken. Wat hij mij vertelt is wat duizenden en honderdduizenden zeggen en denken – niet in heel Groot-Brittannië wellicht, maar in de streken die vandaag al een complete transformatie ondergaan waar in de duizendjarige geschiedenis van Engeland geen parallel voor bestaat.

Binnen 15 of 20 jaar zullen er, aan het huidige tempo, in dit land drie en een half miljoen immigranten en hun afstammelingen uit de Commonwealth wonen. Dat is niet mijn cijfer. Dat is het officiële cijfer dat aan het Parlement werd gegeven door de woordvoerder van de dienst van de Burgerlijke Stand. Voor het jaar 2000 is er geen vergelijkbaar officieel cijfer, maar het moet in de buurt komen van vijf tot zeven miljoen, ongeveer een tiende van de bevolking, zoiets als Groot Londen. Natuurlijk, dat aantal zal niet gelijkmatig verdeeld zijn van Margate tot Aberystwyth en van Penzance tot Aberdeen. Hele streken, steden en stadswijken, verspreid over Engeland, zullen ingenomen worden door segmenten van een bevolking bestaande uit immigranten en hun afstammelingen. Binnen dit totaal zal na verloop van tijd het aandeel immigrantenafstammelingen, geboren in Engeland, en hier gearriveerd langs precies dezelfde weg als wij allemaal, snel groeien. Tegen 1985 al zouden de hier geborenen de meerderheid vormen. Dat feit alleen maakt dat er extreem dringend tot actie moet worden overgegaan, en wel exact het soort van actie dat politici erg zwaar valt, actie waarbij de bezwaren onmiddellijk zijn, en het te bezweren of te beperken onheil nog verschillende legislaturen ver verwijderd ligt.

Voor een land dat geconfronteerd wordt met zulke vooruitzichten is de voor de hand liggende en redelijke eerste vraag dan: ‘Hoe kan de omvang beperkt worden?’ Nog toegegeven dat niets deze ontwikkeling volkomen kan verhinderen, kan zij dan binnen zekere perken blijven? Want we mogen niet vergeten dat aantallen hier doorslaggevend zijn: de impact en de consequenties van een vreemd element dat in een land wordt geïntroduceerd zijn van een geheel andere orde als dat element 1 procent bedraagt of 10 procent. De antwoorden op deze simpele en rationele vraag zijn even simpel en rationeel: door verdere toestroom te stoppen, of zo goed als, en door een maximale uitstroom te bevorderen. Officieel maken deze beide antwoorden deel uit van de principes van de Conservatieve Partij.

Je houdt het toch niet voor mogelijk dat er op dit moment, en enkel al in Wolverhampton, elke week 20 tot 30 nieuwe immigrantenkinderen van overzee binnenkomen – en dat betekent 15 of 20 bijkomende families binnen een of twee decennia. Wie de goden zoeken te vernietigen, die maken zij eerst gek. Wij moeten als natie al goed gek zijn, letterlijk gek, om een jaarlijkse instroom van 50.000 familieleden toe te laten, die voor het grootste deel de stof leveren voor de toekomstige aangroei van de immigrantenbevolking. Het lijkt wel, of wij zien hier een natie die ijverig haar eigen brandstapel opricht. Zo krankzinnig zijn wij al, dat we toelaten dat ongehuwde personen hier inwijken met als bedoeling een gezin te stichten met vrouwen en verloofdes die ze nooit eerder hebben gezien. Laat niemand toch denken dat deze instroom van personen ten laste automatisch zal afnemen. Integendeel, zelfs in het huidige toelatingstempo van slechts 5000 per jaar, van personen waar iemand borg voor staat, is dat voldoende voor 25.000 personen ten laste per jaar, ad infinitum, zonder het reusachtige reservoir van in dit land al bestaande familiebanden aan te spreken – en frauduleuze inwijking laat ik al helemaal buiten beschouwing.

Onder deze omstandigheden zal niets volstaan behalve een onmiddellijke immigratiestop die de toevloed, met het oog op vestiging, tot verwaarloosbare proporties terugbrengt, plus noodzakelijke wetgevende en administratieve maatregelen die er zonder dralen moeten komen. Ik benadruk de woorden ‘met het oog op vestiging’. Er is geen verband met de binnenkomst in dit land van burgers uit de Commonwealth, noch evenmin van vreemden, die als bedoeling hebben te studeren of ervaring op te doen, zoals (bijvoorbeeld) Commonwealth-dokters die in het belang van hun eigen land, onze ziekenhuissector in staat hebben gesteld sneller te groeien dan anders mogelijk was geweest. Dat zijn geen, noch waren het ooit immigranten.

Laat ik het nu hebben over remigratie. Als morgen alle immigratie een eind zou nemen, dan zou het aangroeitempo van immigranten en immigratie-afstammelingen substantieel afnemen, maar de te verwachten grootte van het aandeel van dit element in de bevolking zou ten gronde genomen de aard van het gevaar voor de natie nog steeds ongemoeid laten. Dit kan enkel aangepakt worden zolang een aanzienlijk deel van het totaal nog steeds personen bevat die pas de laatste tien jaar of zo dit land zijn binnengekomen. Vandaar de hoogdringendheid om het tweede luik van de Conservatieve politiek in praktijk te brengen: de aanmoediging van remigratie.

Niemand kan de aantallen inschatten van hen die, met een genereuze hulp, zouden verkiezen om ofwel naar hun oorspronkelijke land terug te gaan, of naar andere landen te gaan die misschien erop uit zijn om hun mankracht of vaardigheden te ontvangen. Niemand weet dat, want deze politiek werd tot nog toe nooit beproefd. Ik kan enkel zeggen dat van tijd tot tijd, zelfs vandaag al, immigranten in mijn eigen kiesdistrict met de vraag bij mij komen of ik assistentie kan vinden bij hun terugkeer naar huis. Als zulk een beleid zou worden gevoerd en doorgezet met de vasthoudendheid die door de ernst van het alternatief gerechtvaardigd wordt, dan zou als resultaat daarvan de uitstroom sterk gewijzigde perspectieven kunnen opleveren.

Het derde beleidselement van de Conservatieve Partij is dat allen die in dit land verblijven als burgers gelijk voor de wet moeten zijn, en dat er tussen hen geen onderscheid of verschil mag gemaakt worden door de overheid. Zoals mijnheer Heath het zei, wij kunnen geen ‘eersteklasburgers’ en ‘tweedeklasburgers’ hebben. Dat betekent nog niet dat de immigrant en zijn nakomelingen verheven dienen te worden tot een geprivilegieerde of speciale klasse, of dat de burger het recht ontzegd zou kunnen worden om bij het beheer van zijn eigen zaken een onderscheid te maken tussen de ene medeburger en de andere, of dat hij onderworpen zou worden aan voorschriften wat betreft zijn redenen en motieven om zich, binnen de wet, op de ene of andere manier te gedragen.

Er is geen grotere misvatting omtrent de realiteit denkbaar dan die welke gekoesterd wordt door diegenen die luidruchtig vragen om wetgeving ‘tegen discriminatie’ zoals zij dat noemen, of het nu hoofdartikelschrijvers zijn, van hetzelfde slag en soms van dezelfde dagbladen die jaar na jaar in de dertiger jaren ons land blind wilden houden voor het opkomende gevaar waar het voor stond, of aartsbisschoppen die in paleizen leven, en met de dekens over hun hoofd getrokken het nog niet zo slecht getroffen hebben. Zij hebben het glad en diametraal mis.

De discriminatie en het verlies, het gevoel van ontsteltenis en verontwaardiging ligt niet bij de immigrantenpopulatie, maar bij diegenen waartussen deze zich heeft gevestigd en zich blijft vestigen.

Juist daarom zijn wetsvoorstellen zoals die nu in het Parlement voorliggen een waagstuk en een lont aan het kruitvat. Het mildste wat men kan zeggen over diegenen die ze voorstellen en steunen is dat zij niet weten wat ze doen. Niets is meer misleidend dan de vergelijking tussen de Commonwealth-inwijkeling in Groot-Brittannië en de Amerikaanse zwarte. De zwarte inwoners van de Verenigde Staten, die al aanwezig waren nog voor de Verenigde Staten een natie werden, begonnen letterlijk als slaven en hen werden later het stemrecht en andere burgerrechten gegeven, die zij enkel gradueel en vooralsnog slechts gedeeltelijk kunnen uitoefenen. De Commonwealth-immigrant kwam naar Groot-Brittannië als volwaardige burger, naar een land dat geen discriminatie kende tussen de ene burger of de andere, en hij was onmiddellijk in het bezit van de rechten van elke burger, gaande van het stemrecht tot de kosteloze behandeling bij de National Health Service.

Wat voor schaduwzijden er de immigrant ook wachtten, zij vloeiden niet voort uit de wet, of het beleid, of de administratie, maar uit de persoonlijke omstandigheden en accidenten die maken dat het lot en de wederwaardigheden van de ene mens eenmaal verschillen, en altijd zullen verschillen van die van een andere. Maar terwijl voor de immigrant zijn komst in dit land toegang bood tot privileges en kansen die hij gretig zocht, was de situatie voor de bestaande bevolking heel verschillend. Om redenen die hen overstegen, als bij de uitvoering van een vonnis bij verstek waarbij nooit om hun mening werd gevraagd, zagen zij zich tot vreemdelingen in eigen land worden.

Zij zagen dat hun vrouwen bij haar bevalling geen bed konden krijgen in de kraamklinieken, dat hun kinderen geen plek in de school vonden, dat hun huizen en buurten onherkenbaar waren veranderd, dat hun plannen en vooruitzichten voor de toekomst tenietgedaan werden; op het werk ondervonden zij dat de werkgever aarzelde om aan de immigranten dezelfde standaard van discipline en competentie op te leggen die van een autochtone arbeider wel werden geëist; wat zij na verloop van tijd meer en meer hoorden, waren stemmen die zegden dat zij voortaan konden gemist worden. Wat zij vandaag vernemen, is dat er in het Parlement een wet in de maak is die een eenrichtingsprivilege in het leven zal roepen; een wet die aan henzelf onmogelijk bescherming kan verlenen of aan hun grieven tegemoetkomen, en die ook niet zo is bedoeld; zulk een wet wil men maken die aan de vreemdeling, de misnoegde en de agent-provocateur, de macht verleent om hen aan de schandpaal te nagelen voor daden die behoren tot hun privéleven.

In de honderden en nog eens honderden brieven die ik kreeg toen ik laatst over dit onderwerp sprak, een maand of twee-drie geleden, zat er één terugkerend element dat grotendeels nieuw was, en dat ik onheilspellend vind. Alle Parlementsleden zijn gewend aan de typische anonieme briefschrijver; maar wat mij verraste en alarmeerde was het grote aandeel van gewone, fatsoenlijke en zinnige mensen, die rationele en welopgevoede brieven schreven, en die meenden dat zij hun adres beter konden weglaten omdat het gevaarlijk was dat op papier te zetten in een brief aan een Parlementslid, en waarin zij zegden dat zij het eens waren met de denkbeelden die ik had ontwikkeld, en dat zij nadelen of represailles riskeerden als bekend zou raken dat zij er zo over dachten.

Dat onder gewone Engelsen, in de betroffen buurten van het land, het gevoel groeit dat zij behoren tot een minderheid die achterna wordt gezeten, is iets waarvan diegenen die er geen directe ervaringen mee hebben, zich nauwelijks een voorstelling kunnen maken.

Ik zal één van die honderden mensen nu toelaten om in mijn plaats te spreken:

Acht jaar geleden werd in een deftige straat in Wolverhampton een huis verkocht aan een zwarte. Nu woont daar nog één blanke (een vrouw met ouderdomspensioen). Dit is haar verhaal. Ze verloor haar man en haar twee zoons in de oorlog. Daarom maakte zij van haar woning, die zeven kamers telt, een pension. Zij werkte hard en de zaken gingen goed, ze betaalde haar hypotheek af en zette iets weg voor haar oude dag. Dan kwamen de immigranten. Met een bang hart zag zij hoe het ene na het andere huis werd ingenomen. De rustige straat werd een lawaaierige en wanordelijke plek. Met spijt trokken haar blanke huurders eruit.

De dag nadat haar laatste huurder opstapte werd zij om zeven uur ’s ochtends gewekt door twee negers die haar telefoon wensten te gebruiken om hun werkgever te bellen. Toen zij dat weigerde, zoals zij elke onbekende zou hebben geweigerd op dat uur, werd zij uitgescholden en vreesde zij dat zij aangevallen zou worden, mocht ze geen deurketting hebben gehad. Immigrantenfamilies wilden kamers huren in haar huis, wat zij altijd weigerde. Haar luttele spaargeld smolt weg, en na betaling van haar gemeentetaksen houdt zij nog 2 pond per week over. Zij probeerde aanspraak maken op een lastenverlaging, en werd te woord gestaan door een jonge vrouw die toen zij hoorde dat ze een zevenkamerwoning bezat, haar suggereerde om die deels te verhuren. Toen ze zei dat de enige huurders die zij kon krijgen negers waren, zei het meisje: ‘Met raciale vooroordelen schiet je niet op in dit land.’ Dus ging ze naar huis.

Haar telefoon is haar reddingslijn. Familieleden betalen de factuur, en springen zoveel als zij kunnen bij. Immigranten hebben haar aangeboden haar huis te kopen – voor een prijs die de gegadigde huisbaas in enkele weken, of hoogstens een paar maanden zou kunnen verhalen op zijn huurders. Ze wordt bang om de straat op te gaan. Vensterramen worden ingeslagen. Ze vindt uitwerpselen, die door haar brievenbus worden gepropt. Als ze inkopen gaat doen wordt zij gevolgd door kinderen, charmante, breed lachende negertjes. Engels spreken kunnen zij niet, maar één woord kennen ze toch. ‘Racist’ zingen ze. Als de nieuwe wet op het racisme wordt goedgekeurd, dan is deze vrouw ervan overtuigd dat ze de gevangenis ingaat. En heeft ze het dan zo verkeerd voor? Ik begin het me af te vragen.

De andere gevaarlijke zinsbegoocheling, waar diegenen aan lijden die gewild of ongewild blind blijven voor de realiteit, kun je samenvatten onder de term ‘integratie’. Geïntegreerd zijn in een bevolking betekent dat er in de praktijk geen onderscheid meer bestaat met de andere leden.

Nu, te allen tijde was het zo dat bij uitgesproken fysieke verschillen, huidskleur meer bepaald, de integratie moeizaam verloopt, maar op termijn niet onmogelijk is.

Onder de Commonwealth-immigranten die de laatste pakweg vijftien jaar hier zijn komen wonen, zijn er duizenden wier wens en bedoeling het is om zich te integreren, en die al hun gedachten en inspanningen daarop richten.

Maar je inbeelden dat zulke attitude opkomt in het hoofd van een grote en groeiende meerderheid van de immigranten en hun nakomelingen, dat berust op een belachelijke misvatting, en een gevaarlijke.

Wij staan hier vlak voor een kering. Tot dusver was het de door invloed van omstandigheden of door de achtergrond dat de idee van integratie onbereikbaar bleef voor het grootste deel van de immigrantenbevolking – dat ze daar nooit over dachten of nooit die bedoeling hadden, en dat hun aantallen en concentratie in bepaalde wijken meebracht dat de integratiedruk faalde, waar die op kleine minderheden normaal wel werkt.

Nu maken wij de groei mee van positieve krachten die de integratie tegenwerken, van gevestigde belangen, die het wenselijk achten om raciale en religieuze verschillen in stand te houden en aan te scherpen, met het oog op het uitoefenen van werkelijke heerschappij, eerst nog over mede-immigranten, en vervolgens over de rest van de bevolking. De wolk, niet groter dan een hand, die zo snel de hemel kan verduisteren zagen we laatst in Wolverhampton, en de tekenen zijn dat zij zich snel verbreidt. De woorden die ik nu in de mond zal nemen, verbatim zoals ze in de lokale pers verschenen op 17 februari, zijn niet de mijne maar die van een Labourparlementslid, minister in de huidige regering:

‘De campagne van de Sikh-gemeenschap om gewoontes te blijven koesteren die in Groot-Brittannië niet te pas komen, is zeer betreurenswaardig. Als zij hier werken, en zeker in Openbare Diensten, dan moeten zij bereid zijn om de vereisten en voorwaarden te aanvaarden die bij hun baan horen. Aanspraak maken op speciale groepsrechten (of moeten wij zeggen -riten?) leidt tot een gevaarlijke fragmentatie binnen de maatschappij. Dit soort groepsdruk is een woekerend kwaad, en of die druk nu door de ene of de andere kleur wordt uitgeoefend, hij moeten streng worden veroordeeld.’

Alle eer aan John Stonehouse, die het doorzicht had om hier aandacht aan te schenken, en de moed om het te zeggen.

Voor deze gevaarlijke en tweedracht zaaiende elementen, is de voorgestelde Wet op de Rassenrelaties het gedroomde voer, waarbij zij groeien als kool. Dit is precies het middel waarmee immigrantengemeenschappen kunnen laten zien dat zij zich kunnen organiseren en hun leden groeperen, om agitatie en campagne te voeren tegen hun medeburgers, en dezen te imponeren en te domineren met de wettelijke wapens die hen door onwetenden en slecht geïnformeerden ter hand zijn gesteld. Als ik vooruitblik, dan vervult mij een akelig voorgevoel; het lijkt of ik zie, zoals de Romein, ‘de Tiber, schuimend van het vele bloed’.

Het tragische en hardnekkige fenomeen dat wij vol afgrijzen bekijken aan de andere kant van de Atlantische oceaan, maar dat ginds is verweven met de geschiedenis en het bestaan zelf van de Verenigde Staten, halen wij zelf naar hier, naar onze eigen wil, en onze eigen nalatigheid. Numeriek gesproken zal het probleem, lang voor het eind van deze eeuw Amerikaanse proporties hebben aangenomen

Zelfs nu al, kan enkel resolute en dringende actie dit nog verhoeden. Of de publieke wil aanwezig zal zijn om deze actie te vragen en te bekomen, weet ik niet.

Wat ik wél weet, is dat zien en toch niet spreken, een daad van groot verraad zou zijn.

(Vertaling: Marc Vanfraechem)

Bron: doorbraak.be

Advertenties