Een olijk Vlaams meisje

door lievendebrouwere

  

Dit olijke meisje is Tine Peeters, journaliste bij De Morgen. Zij is een van de velen die in de pen zijn gekropen om lucht te geven aan hun verontwaardiging over de onfatsoenlijke reacties in de sociale media op de dood van een Marokkaanse jongen. Ramzi, schrijft ze, is het slachtoffer geworden van een terreuraanslag. Dat is wel heel erg veel verontwaardiging, want de aanslag bestond uit een aantal Facebook-berichten zoals er vandaag ontelbare worden geschreven. Tine doet alsof dat onmachtige gescheld nauwelijks verschilt van de bloedbaden die moslims aanrichten, alsof iemand uitschelden hetzelfde is als iemand de keel oversnijden. Eigenlijk vindt ze het erger, want nergens spreekt ze over de mogelijke sociale achterstelling van deze Facebookklanten of over de psychiatrische problemen waarmee ze worstelen, zoals dat wel gebeurt als het om moslimterroristen gaat. Nee, Vlaamse woordterroristen vinden in haar ogen veel minder genade dan moslimterroristen. 

Het is duidelijk dat ze voor Vlamingen een veel hogere morele standaard hanteert dan voor moslims. Deze laatsten mogen op Facebook zeggen wat ze willen – en ze gaan daarin heel wat verder dan de Vlamingen – geen mediahaan die daarnaar kraait. Ze mogen zelfs bloedbaden aanrichten, nog altijd wordt er naar verontschuldigingen en verklaringen gezocht. Voor Vlamingen daarentegen volstaat het dat ze even hun goede manieren vergeten of ze worden door Tine Peeters en haar collega’s genadeloos aan de schandpaal genageld. Deze wel zeer uiteenlopende behandelingen ruiken verdacht veel naar racisme: alsof je moslims niet over dezelfde kam kunt scheren als Vlamingen, alsof je van hen niet hetzelfde kunt verwachten. Het gaat zelfs zover – de verontwaardiging over ongemanierde Vlamingen is veel groter dan over moordende moslims – dat je je afvraagt of Tine moslims wel als volwaardige mensen ziet. In ieder geval, ze trekt een scherpe grens tussen zij en wij. 

In het licht van dit onmiskenbaar discriminerende gedrag wordt de rest van haar betoog heel verhelderend. Ze schrijft: ‘Dit is rassendenken van het zuiverste soort. De daders nemen niet eens de moeite zich te verschuilen achter valse namen. De aanslagen, de vluchtelingencrisis en de economische stagnatie poken blijkbaar de angst op en doen alle schaamte wegsmelten. Zich neerleggen bij een dergelijke daad van onversneden racisme is geen optie. Negeren of banaliseren een totaal zwaktebod. Het siert de Vlaamse politici dat ze allemaal hun morele verontwaardiging tentoonspreiden. Het was haast aandoenlijk hoe ze over elkaar heen buitelden om de haatpraat te veroordelen. Als zij het echt meenden, staan hen twee zaken te doen. Ze moeten zichzelf aan een gewetensonderzoek onderwerpen en zich afvragen of hun eigen woorden van de laatste maanden de grenzen van het toelaatbare niet hebben doen verwateren.’

Deze woorden zouden heel erg moedig zijn als Tine Peeters ze had geschreven over zichzelf. Want zij en haar collega’s zijn – meer dan wie ook – degenen die zich bezondigen aan rassendenken van het zuiverste soort, die niet eens de moeite doen om zich te verschuilen achter valse namen, die zich neerleggen bij een dergelijke daad van onversneden racisme, die geen schaamte kennen, die hun morele verontwaardiging tentoonspreiden en over elkaar heen buitelen om de haatpraat te veroordelen, die zichzelf aan een gewetensonderzoek moeten onderwerpen en zich afvragen of hun eigen woorden de grenzen van het ontoelaatbare niet hebben overschreden.’ Ieder woord van dit rekwisitoor klopt. Tine Peeters heeft een onbarmhartig portret geschetst van de moderne journalist. Er ontbreekt maar één ding aan: bewustzijn. Tine heeft geen flauw idee dat ze een zelfportret gemaakt heeft. Ze verkeert in de overtuiging dat ze het over ‘de anderen’ heeft, degenen die haar maag doen keren.

Het is een mooi voorbeeld van wat er gebeurt als een olijk Vlaams meisje haar dubbelganger ontmoet en hem niet herkent. Ze denkt dat het iemand anders is en komt niet bij van ontzetting en verontwaardiging: dat dergelijke mensen kunnen bestaan! Het komt als een schok dat er in haar land, haar volk, haar stad en wellicht ook straat mensen wonen die niet veel beter zijn dan de ratten in de riolen. Ze ziet zich plotseling geconfronteerd met een onderwereld waarvan ze niet eens wist dat hij bestond. En moedig als ze is, begint ze de grauwe demonen te bevechten. Alleen is haar moed in werkelijkheid angst, want ze bevecht de demonen overal behalve daar waar ze bevochten moeten en kunnen worden: in haar eigen ziel. Want daar is het dat die dubbelganger leeft, daar is hij geboren en daar hoort hij thuis. De demonen die ze overal om zich heen ziet, zijn haar eigen demonen. Ze horen net zo goed bij haar als het olijke Vlaamse meisje op de foto.

Door haar eigen demonen voortdurend op anderen te projecteren en te doen alsof ze er niks mee te maken heeft, wekt Tine Peeters nog meer demonen. Want die anderen zijn geschokt wanneer een olijk Vlaams meisje hen opeens de huid begint vol te schelden en hen beschuldigt van de meest vreselijke dingen. Omdat ze in dat ‘takkenwijf’ – de Vlaamse Kundrie – hun eigen dubbelganger niet herkennen, reageren ze verontwaardigd en beginnen op hun beurt te schelden en te beschuldigen. Tine Peeters – die zich van geen kwaad bewust is en zichzelf nog altijd ziet als een olijk (maar moedig) Vlaams meisje – is geschokt door de verontwaardiging van de ‘ratten in de riolen’ en ontsteekt in nóg heiliger verontwaarding. Op die manier ontstaat er een opbod van verontwaardiging dat eindigt met louter heiligen die zich omringd zien door louter duivels. En het tragi-komische van de zaak is dat ze geen van allen geloven in heiligen of duivels …

Tine Peeters schrijft ten slotte nog: ‘Wie een constant doembeeld schept van een ondergaand Avondland dat beschermd dient te worden tegen de oprukkende barbaren moet niet schrikken wanneer hun volgelingen chargeren.’ Hier wordt het tragi-komische tragisch zonder meer. Tine en co scheppen al jarenlang een doembeeld van een Avondland dat overspoeld dreigt te worden door barbaren. Die ‘barbaren’ zijn niet de bloeddorstige moslims, nee, het zijn de racistische Vlamingen die moslims niet als volwaardige mensen beschouwen, Vlamingen zoals … Tine Peeters. Is het racisme van die Vlamingen ziekelijk, walgelijk, weerzinwekkend? Helemaal niet. Het is volkomen normaal als je leden van een cultuur die zijn hand niet omdraait voor een bloedbad meer of minder, die vrouwen stenigt, dieven handen afhakt, homo’s van de daken gooit en er andere barbaarse praktijken op nahoudt, niet als evenwaardig beschouwt.

Maar waarom schrikken Tine Peeters en haars gelijken zich dan zo te pletter van hun eigen discriminatie dat ze die instinctief op anderen projecteren? Dat kan redelijkerwijs alleen verklaard worden doordat ze niet alleen hun dubbelganger waarnemen, maar ook diens tegenbeeld, de ideale mens. Wanneer voelt een mens zich zo’n slecht wezen dat hij het niet kan verdragen? Als hij confronteerd wordt met een ondraaglijk goed wezen. Pas dan beseft hij hoe duister, hoe onvolmaakt, hoe ‘slecht’ hij wel is. Het is het licht van deze ideale mens die de dubbelganger zichtbaar maakt. We zien wat hij zichtbaar maakt, maar hemzelf zien we niet. Deze ‘ideale mens’ is het grote mysterie van onze tijd. Hij is degene die ten grondslag ligt aan de hele heksenjacht en toch wordt over hem nooit gesproken. Pas wanneer we ze allebei zien – het luciferische ideaalbeeld en de ahrimanische dubbelganger – kunnen we werkelijk aan de slag gaan in plaats van telkens weer te exploderen in schijn-heilige verontwaardiging. 

Advertenties