Jeder Mensch ein Proletariër

door lievendebrouwere

  

Bijna 100 jaar geleden, in 1919, schreef Rudolf Steiner zijn ‘Kernpunten van het Sociale Vraagstuk’ als een theoretische onderbouwing van de sociale driegeleding. Het was zijn antwoord op de eerste wereldoorlog, die volgens hem geen echte oorlog was maar een gevolg van de sociale onrust die in Europa was ontstaan door het verschijnen van een nieuwe bevolkingsklasse: het proletariaat. Op het eerste gezicht hebben de ‘Kernpunten’ ons vandaag niks meer te zeggen, want er bestaat geen proletariaat meer. De mensonterende omstandigheden waarin de arbeiders in de 19de eeuw moesten leven, zijn verdwenen. De arbeidersklasse heeft niks meer te klagen. Toch zijn de linkse, socialistische ideeën nog altijd springlevend. Ze lijken zelfs een tweede adem te krijgen nu er een nieuw proletariaat op het toneel is verschenen: de moslims. Ook de sociale onrust leeft weer op: spanningen tussen autochtonen en moslim-immigranten lopen steeds hoger op en leiden tot uitbarstingen van geweld.   

Met die uitbarstingen van geweld is iets merkwaardigs aan de hand. Ze worden doorgaans verklaard door te wijzen op de sociale achterstelling van de moslims, op hun proletarische status dus. Maar wat blijkt? De meeste terreuraanslagen in Europa worden niet gepleegd door slecht opgeleide moslims die geen werk vinden en in de armoede terechtkomen, maar door perfect geïntegreerde moslims, niet zelden hoger opgeleid en met een goede job. Het zijn juist deze ‘burgerlijke’ moslims die radicaliseren, niet hun ‘proletarische’ geloofsgenoten. Hoe valt dat te verklaren? Rudolf Steiner geeft daar in zijn ‘Kernpunten’ een even duidelijk als onverwacht antwoord op. Wat het proletariërsbestaan – vroeger dat van de arbeider, nu dat van de moslim – zo ondraaglijk maakt, is niet de materiële maar de geestelijke armoede. En die wordt veroorzaakt door het losgerukt worden uit de oude sociale verbanden.

Waarom lijdt het proletariaat (het oude zowel als het nieuwe) veel meer onder het materialisme dan de burgerij? Omdat, schrijft Rudolf Steiner, het materialisme bij deze laatste slechts een stukje van de ziel bezet. De materialistische burger gelooft weliswaar niet langer in de geest, maar hij maakt wel nog altijd deel uit van sociale en culturele verbanden die in de loop er eeuwen onder invloed van de geest zijn gegroeid. In zijn heldere bewustzijn is hij materialist, maar in zijn gevoel en in zijn onderbewustzijn staat hij nog altijd in contact met de geest. De proletariër daarentegen, losgescheurd als hij is uit de oude sociale verbanden, is dat contact kwijt. Hij moet een heel nieuw leven opbouwen en de enige grondslag die hij daarvoor heeft zijn materialistische ideeën over arbeid en kapitaal. Die ideeën blijven bij hem niet beperkt tot een klein stukje van zijn ziel, maar ze doordringen zijn hele wezen en zijn hele leven. Het is dit leven-zonder-geest dat voor de proletariër tot een ondraaglijke kwelling wordt.

Daartegen komt zijn menszijn in verzet, evenwel zonder te beseffen dat de oorzaak van zijn ellende in die geestloosheid ligt. Integendeel, hij denkt juist dat alles in orde komt als zijn economische omstandigheden veranderen. Hoe verkeerd die materialistische overtuiging is, bewijst het gedrag van de moslim-immigrant. Hij komt naar het Westen om zijn materiële levensomstandigheden te verbeteren en slaagt daar ook in. Hij heeft het hier veel beter dan in zijn thuisland. Toch is hij niet tevreden. Integendeel, zijn onvrede en zijn verzet tegen het land-waar-alles-beter-is, worden steeds groter. Tot hij uiteindelijk Allahu Akbar schreeuwt en de bom ontploft. Maar het is niet de islam die moslimproletariër tot geweld drijft, het is zijn geestloze, materialistische bestaan, dat hem – losgerukt als hij is uit alle oude (en nog van geest vervulde) verbanden – veel meer kwelt dan zowel de autochtone burger als de ouderwetse moslim die de oude sociale verbanden en geplogenheden nog in ere houdt. 

Het is veelzeggend dat deze ‘radicaliserende’ moslims – die meestal niet meer geloven en wier wezen helemaal doordrongen is van materialistische gedachten en denkwijzen – zich opeens tot de islam in zijn ‘zuiverste’ vorm wenden. Ze proberen zich instinctief weer te verbinden met de geest. In de abstracte en letterlijk geïnterpreteerde voorschriften van de koran leeft de geest echter niet meer. Hij leeft nog wel in de oude sociale en culturele verbanden van zijn thuisland, maar juist daar zijn de moslims uit losgescheurd en, vooral als ze verwesterd zijn, kunnen ze er zich niet opnieuw bij aansluiten. Het is dus niet de levende geest waartoe ze zich in hun innerlijke wanhoop wenden, maar de dode (en dodelijke) ahrimanische geest tot wiens werktuig ze worden. Iets dergelijks is ook honderd jaar geleden gebeurd, toen jonge mensen zingend ten oorlog trokken ‘voor het vaderland’ of zich lieten bedwelmen door communistische ideeën: in hun honger naar geest, kozen ze stenen in plaats van brood. 

Een ander aspect van deze ahrimanisering zijn de zogenaamde sociale media. Hun enorme succes wijst op een bijna wanhopig verlangen naar sociaal contact. Als gevolg van de verpletterende rol die de economie in zijn leven speelt, moet de moderne mens bijna al zijn tijd besteden aan geestloos en geestdodend werk. Daaruit ontstaat een onverzadigbare honger naar geest die hij instinctief zoekt in het gesprek. Maar op de sociale media wordt dat gesprek tot schijn: zowel Lucifer (de selfies) als Ahriman (de gore taal) verdrijven er alle levende geest uit. We vinden er stenen in plaats van brood en onze geestelijke honger wordt er alleen maar groter door. In feite zijn we vandaag allemaal proletariër. De één zoekt zijn verdoving liever bij Lucifer, de ander liever bij Ahriman, maar wat we gemeen hebben, is een razende, krankzinnig makende honger naar de geest, de levende geest die we nergens meer vinden. In die zin zijn de ‘Kernpunten van het Sociale Vraagstuk’ allesbehalve voorbijgestreefd. Ze zijn juist actueler dan ooit.