De mislukking van de antroposofie

door lievendebrouwere

  

In 1917 probeerde Rudolf Steiner met de principes van de sociale driegeleding een uitweg te tonen uit de chaos die toen heerste. Het heeft niet mogen baten, niemand wilde ervan horen en de zaak draaide op een mislukking uit. Honderd jaar later is de chaos nog altijd even groot, zoniet groter. Toen men Steiner vroeg of hij echt verwacht had dat de sociale driegeleding ingang zou vinden, antwoordde hij: neen, maar het moest gedaan worden. In al zijn nuchterheid is dit antwoord richtinggevend voor iedere antroposoof. Wat voor de sociale driegeleding geldt, geldt voor de hele antroposofie: ze is op een mislukking uitgedraaid. Antroposofen zijn er niet in geslaagd het materialistische roer om te gooien en de menselijke beschaving te beletten als een Titanic op haar ijsberg af te stevenen. Het orkest blijft weliswaar vrolijk spelen omdat iedereen ervan overtuigd is dat het schip der beschaving onzinkbaar is, maar wie onder de oppervlakte kijkt, ziet dat het water binnenstroomt en dat de ondergang niet meer af te wenden is. 

En dan rijst onvermijdelijk de vraag: had de antroposofie dit kunnen voorkomen? Had zij ooit kans van slagen? Is het niet lichtjes absurd te denken dat één enkel mens – Rudolf Steiner – in staat was de koers van onze moderne beschaving te verleggen? Wie ouder en nuchterder wordt, raakt ervan overtuigd dat wat voor de sociale driegeleding geldt, ook voor de hele antroposofie geldt: ze was van meet af aan tot mislukken gedoemd. Neem nu de gebeurtenissen na Rudolf Steiners dood. De assen van de man waren nog niet koud of zijn volgelingen vlogen elkaar al in de haren. De onenigheden scheurden de hele antroposofische beweging in twee en legden haar volledig lam. Vijfentwintig jaar later krabbelde ze weer recht, maar de oude zou ze nooit meer worden, en vandaag werpt ze geen enkel gewicht in de wereldschaal. Zou Rudolf Steiner werkelijk geloofd hebben dat dit groepje ruziemakers de loop der wereld kon veranderen? Afgaande op zijn uitspraak over de sociale driegeleding lijkt dat heel weinig waarschijnlijk. 

Toch is hij zich tot op het allerlaatst met hart en ziel blijven inzetten voor de antroposofische zaak. Hij heeft er zelfs zijn leven voor gegeven. Hoe moeten we dat begrijpen? Hoe kan iemand zich zo hard inzetten voor iets waarvan hij weet dat het zal mislukken? 

Het antwoord is eenvoudig: door het als een kunstwerk te zien. Als we de antroposofie zien als een verzameling ideeën die gerealiseerd moeten worden, dan kunnen we niet begrijpen waarom Rudolf Steiner zich een leven lang ingespannen heeft voor een verloren zaak. Zien we de antroposofie daarentegen als een kunstwerk, dan wordt het een heel ander verhaal. Kunst is namelijk helemaal geen ‘realisatie van ideeën’. Die misvatting heeft Steiner steeds bestreden. Kunst, zei hij, heeft met ideeën niets te maken. Door de antroposofie te zien als een kunstwerk-in-wording stappen we af van de – onzalige – idee dat het haar opgave is om de ideeën van Rudolf Steiner in werkelijkheid om te zetten. Dat vergt echter een grondige omscholing, want deze misvatting heeft zich diep in onze ziel geworteld. We zien vandaag niet alleen de kunst maar het hele leven als een realisatie van ideeën. Bij alles wat we doen, vertrekken we van een idee en proberen het vervolgens te realiseren. 

Het resultaat zien we overal: het hele menselijk bestaan – de kunst op kop – wordt herschapen in een chaos. Ook de antroposofie ontsnapt daar niet aan. In de mate dat zij probeert antroposofische ideeën te realiseren, wordt zij meegesleurd door de chaos die overal heerst. De ontgoocheling en de moedeloosheid nemen hand over hand toe, en uiteindelijk slaat de wanhoop toe als blijkt dat het antroposofische ‘project’ mislukt is. De enige manier om deze (onvermijdelijke) burn out te voorkomen, is de antroposofie als een kunstwerk zien. Want een kunstwerk is sowieso een ‘mislukking’. Het is altijd slechts een flauwe afspiegeling van wat de kunstenaar voor ogen stond toen hij eraan begon. Geen enkele kunstenaar, zelfs de geniaalste niet, slaagt erin zijn oorspronkelijke inspiratie om te zetten in woorden, beelden of klanken. Dat mislukt telkens weer, maar het belet hem niet om het telkens weer opnieuw te proberen, zijn leven lang. Dat is wat hem tot kunstenaar maakt.

De reden voor dit onvermoeibare streven, ligt in het feit dat de kunstenaar niet enkel mislukt. Zijn pogingen om de (geestelijke) inspiratie om te zetten in (materiële) werkelijkheid draaien weliswaar om een mislukking uit, maar hij slaagt in iets anders. De kunstwerken die hij ondanks alles tot stand brengt, bezitten een kwaliteit die niet te herleiden is tot de inspiratie die hem aan het werk heeft gezet en evenmin tot de materie waarmee hij gewerkt heeft. Het is een geheel eigen kwaliteit, die veel bescheidener is dan zowel de oorspronkelijke inspiratie als de oorspronkelijke materie, maar die niettemin a joy forever is. Een kunstwerk bezit of belichaamt iets wat we noch in de wereld van de geest terugvinden noch in de wereld van de materie. Het is iets wat alleen tot de aarde en de mens behoort. Het is een kiem van de nieuwe schepping die het uiteindelijke doel van de oude schepping is. Kunst is de uitdrukking van het wordende in de mens, van datgene wat stap voor kleine stap in verschijning treedt. En daar gaat het om.

Iedere antroposoof kent de inspirerende kracht van de antroposofische ideeën. Iedere antroposoof kent ook de ontnuchtering als blijkt hoe groot de afstand is tussen die ideeën en de werkelijkheid. Hij leert daar in de loop der jaren wel mee omgaan, anders wordt de discrepantie ondraaglijk. Maar toch groeit geleidelijk de ontmoediging als blijkt dat er zo weinig vooruitgang wordt geboekt en dat de antroposofie er maar niet in slaagt uit de marginaliteit te raken. Het vuur dreigt langzaam uit te doven, omdat het kunstenaarschap van de mens voortdurend moet opboksen tegen de overtuiging dat kunst bestaat uit het realiseren van ideeën. De kunstenaar bezwijkt niet onder de mislukkingen, hij bezwijkt onder deze materialistische misvatting, onder dit gebrek aan inzicht in de kunst. En ook de antroposofie bezwijkt daaronder. Want zij is een kunst, en derhalve geen realisering van ideeën. De (inspirerende) geest en de (dragende) materie maken onlosmakelijk deel uit van de kunst, maar de kunst is méér dan hun som. De kunst is driegeleed. 

Advertenties