Over beelden en woorden (2)

door lievendebrouwere

  

Om propaganda te doen slagen, moet je met twee zijn: degene die de propaganda maakt en degene die ze gelooft. De ‘boerkini-foto’ (waarop overigens geen boerkini te bekennen valt) is een voorbeeld van het raffinement van de moderne propagandamakers. Veel was er niet nodig: een moslima en een fotograaf. Onder hun tweetjes hebben ze ervoor gezorgd dat de plannen voor een boerkini-verbod elders in Europa opgeborgen werden en tevens dat de boerkini-verkoop steil de hoogte in ging. Allemaal door één enkel beeld. De hele moslimellende is trouwens begonnen met een beeld: de aanslag op de twin towers in New York. Alles wijst erop dat ook dat beeld zorgvuldig in scène werd gezet. De gevolgen waren – en zijn – desastreus. Het creëren van dat beeld was van een demonische genialiteit. 

Hoe komt het dat de moderne mens zo vatbaar is voor dergelijke propagandabeelden? Hoe komt het dat één zo’n beeld voldoende is om een vernietigende oorlog te ontketenen? Eén reden is alvast: de levensechtheid van die beelden. Een tekening van het instortende WTC of van de moslima in Cannes zou bijlange niet het effect hebben gehad dat de foto’s nu wel hebben. Iedereen kan immers tekenen wat hij wil, een tekening is fictie, een foto daarentegen is werkelijkheid. Foto- en filmbeelden worden ervaren als waarheidsgetrouw. Dat heeft tot gevolg dat de kijker passief wordt: hij spant zich niet meer in om het (dode) beeld tot leven te wekken, zoals hij dat wel doet bij een tekening of een schilderij. De ‘boerkini-foto’ is daar een mooi voorbeeld van: niemand stelt er zich vragen bij, men slikt gewoon de boodschap. 

Die boodschap of betekenis ligt niet in de foto zelf besloten, want die roept meer vragen op dan antwoorden. Nee, de betekenis wordt eraan toegevoegd. ‘Framing‘ heet dat in het moderne mediajargon. Het beeld wordt – door middel van ronkende woorden – zodanig gekaderd dat er een duidelijke boodschap uit spreekt die zonder nadenken wordt opgenomen. De reactie volgt onmiddellijk: een explosie van emoties. Het is dus de combinatie van woord en beeld die zo’n krachtige propaganda maakt. Als de boerkini-foto ongekaderd, zonder enig commentaar in de krant was verschenen, zouden de lezers zich afgevraagd hebben: wat gebeurt hier? Ze zouden het – allesbehalve eenduidige – beeld hebben moeten interpreteren en dat zou hen belet hebben in verontwaardiging uit te barsten. 

Dat zou ook het geval zijn geweest als er alleen maar woorden waren geweest, want dan zou de lezer zich een beeld hebben moeten vormen. ‘Politie dwingt moslima zich uit te kleden in Cannes’. Uitkleden? Wat bedoelen ze daarmee? Helemaal naakt? Nee, dat kan niet. Ze zal waarschijnlijk een boerka hebben aangehad. Enzovoort. Het is heel moeilijk om met woorden een tafereel zo goed te beschrijven dat de lezer het als het ware voor zich ziet. Lezers moeten zich dan ook altijd inspannen om van de woorden een beeld te maken, net zoals kijkers zich moeten inspannen om van een beeld de betekenis te vinden. Woorden en beelden zijn het halve werk: ze hebben elkaar nodig. Beelden willen woorden worden, woorden willen beeld worden. En dat des te meer naarmate de beelden levensecht zijn en de woorden levensloos en abstract.          

De propagandatechniek bestaat erin dat de mens, als bruggenbouwer tussen woord en beeld, uitgeschakeld wordt. Woord en beeld worden met elkaar verbonden zonder dat hij er moeite moet voor doen, zonder dat hij er als bewust en actief wezen aan te pas komt. Als gevolg daarvan slaan beeld en woord bij hem in als een bom en exploderen in zijn ziel. Dat is wat nu al jaren aan de gang is: via de media wordt de moderne mens onafgebroken gebombardeerd met beelden en woorden die zo innig met elkaar verstrengeld zijn dat hij er geen speld meer tussen krijgt. Deze ‘beeldwoorden’ of ‘woordbeelden’ zijn veel te talrijk dan dat hij de kans zou krijgen om ze te ontstrengelen en (daardoor) te ontmijnen. Ze dringen rechtstreeks in zijn onderbewuste door, zonder gefilterd te worden door een actief bewustzijn. 

Het resultaat is de politiek-correcte mens, die in een voortdurende staat van verontwaarding verkeert en bij het geringste ‘explodeert’ in verwijten en beschuldigingen. Deze geïndoctrineerde mens hebben we aan het werk (sic) gezien na het verschijnen van de fameuze ‘ontkledingsfoto’. Hij slikte beeld-en-boodschap als zoete koek en reageerde zoals verwacht mag worden van een soldaat die een bevel krijgt. Merkwaardig genoeg treft deze sluipende ‘militarisering’ vooral de intellectuele klasse, van wie verwacht mag worden dat ze kritisch kan denken en zich niet zomaar voor de kar van generaals en andere oorlogszuchtigen laat spannen. Toch is dat minder verwonderlijk dan het lijkt, want juist deze intellectuele klasse ontwikkelt het dode, abstracte denken, het denken-zonder-beelden. 

Haar hele jeugd wordt ze opgesloten in scholen en op een rantsoen van beeldloze woorden en abstracte begrippen gezet. Daardoor ontwikkelt ze, zonder het te beseffen, een razende honger naar beelden. Krijgt ze beelden te zien, dan worden die haastig naar binnen geslokt, zonder kauwen of proeven. Niet de inhoud of betekenis van de beelden zelf wordt opgenomen, maar de ‘geframede‘ betekenis, de bijgevoegde boodschap. Op die manier worden moderne intellectuelen het slachtoffer van mensen die beelden als propaganda gebruiken. En dat zijn eveneens intellectuelen, want het ligt in de aard van de moderne intellectueel om beelden louter te gebruiken als illustratie van ideeën. Waar zouden ze anders goed voor zijn? Het komt niet eens in hem op dat beelden een eigen taal, een eigen inhoud, een eigen betekenis zouden kunnen hebben.

Moderne intellectuelen behandelen beelden als domme blondjes: ze moeten mooi zijn en hun mond houden, want ze hebben niets te zeggen. Hun enige functie bestaat erin om ideeën te illustreren, te weerspiegelen en op te leuken. Zonder die ‘mannelijke’ ideeën zijn ze niets. In feite behandelt de Westerse intellectueel beelden zoals een moslim vrouwen behandelt: ze bestaan alleen ter meerdere eer en glorie van hemzelf. In de islamwereld is de ondergeschiktheid van de vrouw zo vanzelfsprekend dat moslima’s er geen doen aan zien om daar verandering in te brengen. Wanneer ze naar het Westen komen, wordt hun onmacht zo ondraaglijk dat ze proberen die te verdoven door macht uit te oefenen over Westerse mannen, iets waarvoor ze willige bondgenoten vinden in de Westerse feministen. 

Het middel dat ze daarvoor gebruiken is het beeld: het buitengewoon sprekende beeld van de gesluierde vrouw. In combinatie met de (abstracte) woorden van de Westerse intellectuelen vormt dat (levendige) beeld een machtig wapen waartegen het Westen geen verweer heeft. Dat voelen de moslima’s heel goed en daarom gebruiken ze het ook steeds meer. De boerkini is niets anders dan een uitbreiding van de hoofddoek waarmee moslima’s het Westen al zolang pesten. Het moet hen een intens gevoel van macht geven te zien hoe machteloos en radeloos het Westen reageert. Het doet hen hun eigen slaafse onderwerping vergeten. Misschien geldt dat trouwens wel voor de hele islam: misschien is de machtshonger die ervan uitgaat, niets anders dan de keerzijde – en compensatie – van de onderwerping die geëist wordt.  

Advertenties