Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: september, 2016

We worden wat we zien

  

Veel mensen geloven dat het materialisme van onze moderne tijd een gevolg is van het feit dat er zoveel materialistische geschriften gelezen worden. Maar de occultist weet dat dit weinig invloed uitoefent. Van veel groter belang is wat het oog ziet, want dat heeft invloed op processen in de ziel die min of meer onbewust verlopen. Als er ziel is in de uiterlijke vorm, dan stromen ook zielenkrachten over op wie ziet en kijkt. Wat het oog ziet, beïnvloedt mensen diep. De geesteswetenschapper weet hoe belangrijk het is in wat voor vormenwereld de mens leeft.

Halfweg de Middeleeuwen ontstond langs de Rijn de merkwaardige religieuze beweging die men de Duitse mystiek noemt. Van de leidende geesten ging een ontzaglijke verdieping en verinnerlijking uit, van Meester Eckhart, Tauler, Suso, Ruysbroek en anderen, die men “papen” noemde. In de dertiende en veertiende eeuw had de naam “paap” nog niet de betekenis die het nu heeft, het had nog iets eerbiedwaardigs. Men noemde de Rijn in die tijd de “grote papensteeg van Europa”. En weet u waar deze grote verdieping en verinnerlijking van het menselijk gemoed, deze vrome gevoelens die een innige vereniging met de goddelijke wezenskrachten zochten, opgewekt zijn? Ze zijn opgewekt in de gotische kathedralen met hun spitse gewelven, pilaren en zuilen. Dat heeft deze zielen opgevoed. Zo sterk werkt datgene wat gezien wordt. Wat de mens ziet, wat zijn omgeving in zijn ziel giet, dat wordt in hem tot een kracht. Daarnaar vormt hij zichzelf – tot in zijn volgende incarnatie.

Een bouwstijl wordt niet uitgevonden, hij wordt geboren uit de grote gedachten van de ingewijden. Zij laten hem in de wereld stromen. De bouwwerken ontstaan en werken op de mensen in. Hun ziel neemt iets in zich op van de spirituele kracht die in deze vormen leeft. En wat ze opneemt door het aanschouwen van de bouwvormen – bijvoorbeeld van de gotiek – komt tot uitdrukking in haar stemming: er ontstaat een innige ziel die opkijkt naar het hogere. Een paar eeuwen geleden hebben mensen wat in de gotische stijl leefde, in zich opgenomen. Volgen we deze mensen, die in de ziel de kracht van deze bouwkundige vormen opgenomen hebben, enige eeuwen verder, dan zien we in hun volgende incarnatie de uitdrukking van deze innerlijke gemoedstoestand in hun fysionomie, op hun gezicht. Hun ziel heeft hun gezichten gevormd. Daarom worden zulke kunsten beoefend. De ingewijden zien ver, ver vooruit in de toekomst. Daarom vormen ze in een bepaalde tijd uiterlijke kunstvormen, architectonische stijlen. Zo wordt in de mensenzielen de kiem voor toekomstige mensheidstijdperken gelegd.

(Rudolf Steiner) 

GA 101 – Stuttgart, 14 september 1907 

De weg van Michaël

  

We leven in de tijd dat Michaël zich wil openbaren. Maar hij dringt zich niet op. We moeten de openbaring van Michaël zelf tegemoet treden. Daarvoor zijn twee dingen nodig. 

Om te beginnen moeten we inzien dat ons denken slechts een spiegelbeeld is van de werkelijkheid. Als het dat niet was, zouden we er niets aan hebben. Van dit spiegelkarakter moeten we ons bewust worden. Daarmee werken we Lucifer tegen, die ons denken substantie wil geven, alsof het werkelijkheid was. Maar onze gedachten hebben geen substantie, ze zijn louter beeld. Het volstaat daaraan te denken om de kracht van Michaël op te roepen, die ons wil wijzen op wat sterker is dan de gedachten. Als moderne mensen besteden we alleen aandacht aan onze gedachten, en dat maakt ons zwak. We leven op verschrikkelijke wijze onder de slavernij van het intellect. We zenden (vanuit de diepere lagen van ons wezen) niet datgene in onze gedachten dat erin thuishoort. 

Wat we ten tweede nodig hebben om Michaël tegemoet te treden, is de wil om onze wensen (en daarmee ook ons willen) te bevruchten met de realiteit van het bovenzinnelijke kennen. We moeten het bovenzinnelijke karakter van het Mysterie van Golgotha ernstig nemen, want het wreekt zich bitter als we dat niet doen. Er bestaan geen historische bewijzen voor het bestaan van Christus omdat het juist de bedoeling was dat de mens alleen via het bovenzinnelijke toegang kreeg tot het Mysterie van Golgotha. 

Deze twee dingen moeten we in ons tot leven wekken. Eerst het bovenzinnelijke schouwen in de zintuiglijke wereld: dat is de michaëlische weg. En vervolgens, als voortzetting ervan: het vinden van de Christus-impuls in de wereld die wij als bovenzinnelijk hebben leren kennen.

Daarmee zijn tegelijk de diepste impulsen van het sociale vraagstuk beschreven. Dat vraagstuk kan nooit opgelost worden met onze huidige abstracte manier van denken. De mensheid gaat een zware strijd tegemoet, we staan nog maar aan het begin. De oude impulsen van de aarde-ontwikkeling zullen deze strijd ad absurdum voeren en zullen een catastrofe ontketenen waarvoor geen politieke, economische of geestelijke remedies te vinden zijn in de apotheek van het verleden. Uit dit oude verleden stammen de oorzaken die Europa naar de afgrond hebben geleid, die Azië en Amerika tegen elkaar zullen opzetten en die een strijd voorbereiden die de hele aarde in zijn greep zal krijgen. Deze ontwikkeling leidt naar de waanzin en kan alleen worden tegengegaan door wat mensen op weg zet naar de geest. En dat is de weg van Michaël die zijn voortzetting vindt in de weg tot Christus. 

(Rudolf Steiner)

GA 194 – Dornach, 23 november 1919      

Michaël en Brugge

  

Het is weer Michaël, en dat betekent dat het intussen al een jaar geleden is dat ik voor het laatst op de markt in Brugge stond. Ik wist toen allang dat het afgelopen was, maar ik wilde bij wijze van afscheid nog eens het hele ritueel doorlopen: ’s avonds de auto inladen, de volgende ochtend vroeg opstaan, over een (bijna) lege autostrade richting kust rijden, arriveren in een slapend Brugge, uitkramen op de stille Dijver, schilderijen uitpakken en schoonmaken, met een zucht gaan zitten, kijken naar de toeristen, broodje met soep halen, praatje slaan met de collega’s, in het zonnetje zitten soezen, genieten van de sfeer, enzovoort. Hoe vaak heb ik dat rijtje de afgelopen jaren niet doorlopen? Eerst met An, voor rekening van Henk, later alleen, voor eigen rekening. Het is een ritme dat je in het bloed gaat zitten en dat je niet zomaar vergeet.

Michaël brengt het weer allemaal naar boven. Hij herinnert me eraan dat ik de hele zaak nog lang niet verteerd heb. Voor het eerst in mijn leven ben ik niet blij dat de herfst aanbreekt. Ik heb geen zin om naar binnen te keren en tot rust te komen. Ik wil juist naar buiten gaan, ik wil iets doen. Daarom genoot ik ook zo van Brugge: ik deed iets, ik kwam onder de mensen, ik nam deel aan het leven, ik hoorde erbij. Dat is wat ik nu zo mis, wat ik maar niet kan vergeten. Ik heb me dan maar op het schrijven geworpen – nadenken om niet te hoeven nadenken – maar het gemis gaat niet weg. Op tafel ligt nog altijd mijn schildergerief, in de gang de kartons met schilderijen, aan de achterdeur het marktmateriaal. Iedere dag word ik ermee geconfronteerd, maar ik kan mezelf er niet toe brengen het weg te bergen. 

Het is alsof ik mezelf dan wegberg, alsof ik mezelf begraaf. Zo voelt het aan: alsof een deel van me gestorven is en ik er geen afscheid kan van nemen. Toen ik in Brugge op de markt ging staan, deed ik dat omdat ik wilde schilderen en daar geld voor nodig had. Als het niet lukt, hield ik me voor, dan is het afgelopen met schilderen. Maar ik geloofde het niet echt. Hoe kon er nu een eind komen aan wat voor mij altijd het allerbelangrijkste is geweest? Maar het gebeurde. Hoewel ik dankzij Brugge genoeg materiaal heb om het een tijdje uit te kunnen zingen, is alle zin om nog te tekenen of te schilderen me vergaan. En ik kan me momenteel niet voorstellen dat die zin zou terugkeren. Gebrek aan uiterlijke middelen heb ik altijd gehad, maar nu is ook de bezieling, de innerlijke gedrevenheid, de inspiratie verdwenen.   

Dat was trouwens altijd al een zwak punt van me: ik moest gestimuleerd worden, aangemoedigd, aangepord. Behalve voor één ding: het tekenen van karikaturen. Dat was een ware hartstocht, dat kon ik niet laten. Maar een echte carrière is daar niet uit voortgekomen, al kon ik me met de besten meten. De voornaamste reden was dat het me vreselijk tegenstond om naar foto’s te werken. Ik wilde echte mensen tekenen, levende wezens. Het rechtstreekse contact: dat was mijn drijfveer, daar haalde ik mijn inspiratie uit. Maar daar viel geen brood mee te verdienen, tenzij je er een dode routine van maakte, een techniek, een virtuose truc. En dat wilde ik niet. Ik wilde niet alleen levende mensen tekenen, ik wilde ook levende tekeningen maken. Dat levende had ik nodig, het was de zin van de hele zaak.

Leven: dat is wat ik altijd gezocht heb in de kunst. Kunst is voor mij synoniem met leven. Ik vond in de kunst het leven dat ik daarbuiten niet vond. De uren die ik destijds in de academie heb doorgebracht, waren de meest levende van mijn hele jeugd. Ik leefde niet echt als ik niet kon tekenen. Dat ondervond ik pas goed toen ik ermee ophield: ik ging van binnen langzaam dood. Ik heb het tekenen en schilderen nodig om te kunnen voelen dat ik leef, om niet enkel fysiek te bestaan. Daarom was ik niet gelukkig met de schilderijtjes die ik maakte voor de markt in Brugge. Ze leefden niet echt, want ik had ze (noodgedwongen) naar foto’s geschilderd. Maar ze leverden wel een andere vorm van leven op, die ik tot dusver niet gekend had. Op de markt gaan staan was een nieuwe, intense ervaring voor me. En die ervaring mis ik nu.

Ik mis dus twee vormen van leven: het gewone leven en het artistieke leven. Het eerste beleefde ik door op de markt in Brugge te gaan staan en deel uit te maken van de ‘werkende klasse’. Je moet waarschijnlijk 30 jaar werkloos zijn geweest om ten volle te beseffen wat het betekent om te kunnen werken, om geld te verdienen, om deel uit te maken van de samenleving. Want dat is het meest ingrijpende gevolg van werkloosheid: je hoort er niet meer bij. De wereld gaat zijn gang en jij blijft achter. Het is alsof er een onzichtbare glazen wand wordt opgetrokken, alsof de toegang tot de wereld je wordt ontzegd. Het is dan ook een overweldigende ervaring als die onzichtbare wand wordt opgetrokken en je weer ‘binnen’ mag. Je krijgt weer vaste grond onder de voeten, je begint te aarden, je wordt als het ware opnieuw geboren. 

Het is met dit ‘aarden’ zoals met alles: de betekenis ervan dringt maar tot je door als je ook de tegenovergestelde ervaring kent, de ervaring niet op aarde te kunnen komen en een machteloze toeschouwer te blijven die als in een baan rond de aarde zweeft, wandering companionless. Toch is deze tegengestelde ervaring niet zonder meer het ontbreken van de eerste. Ze is namelijk de voorwaarde om kunst te kunnen maken. Als kunstenaar moet je je nu eenmaal terugtrekken uit de wereld, je moet er tegenover gaan staan, anders kun je hem niet tekenen of schilderen. Tekenen en schilderen is hard werk, zelfs harder en intenser dan gewoon werk, maar het blijft – samen met het resultaat – toch altijd losstaan van het leven. Als kunstenaar hoor je er niet echt bij, je bent een buitenbeentje.

Zo intens als ik genoten heb van mijn korte marktkramersbestaan, zo intens heb ik ook altijd genoten van het artistieke toeschouwerschap. Er schuilt in dat isolement een leven dat in verbondenheid niet te vinden is. Wat je allemaal niet beleeft als je tekent of schildert! Niet alleen gaat de wereld er boeiender en zinvoller uitzien, maar je verandert ook zelf. Je wordt warm van binnen, je leeft op. Het is echter geen fysieke warmte en geen fysiek leven. Het is iets anders. Je wordt opgetild in een andere sfeer, in een tijdelijke hemel – tenminste als het werk lukt, want anders kom je in de hel terecht. Het valt een beetje te vergelijken met verliefdheid: ook dat is een staat van zijn die ons uit het gewone bestaan haalt. Ze tilt ons hoog op of doet ons diep vallen. Verliefden zijn, net als kunstenaars, toeschouwers. Ze staan buiten het gewone leven. 

Kunstenaars bevinden zich eigenlijk in een permanente staat van verliefdheid op de wereld. Daarom gedragen ze zich vreemd, daarom trekken ze zich niks aan van het gewone bestaan, daarom lopen ze met hun hoofd in de wolken. Himmelhoch jauchzend of zum Tode betrübt. Wie ooit passioneel verliefd is geweest, weet dat het hemel en hel tegelijk is. Verliefdheid is alles, behalve evenwicht. Kunstenaars zijn dan ook extremisten. Ze vormen een duidelijke tegenstelling met normale, evenwichtige mensen die geworteld zijn in de aardse werkelijkheid en er noch hoog boven uitsteken noch diep onder afdalen. Wonen de laatsten op aarde, dan wonen de eersten op de maan. Ze horen samen, maar toch zijn ze ver van elkaar verwijderd. Tussen het (verliefde) kunstenaarsbestaan en het (nuchtere) aardse bestaan gaapt een diepe kloof. 

Die kloof heeft altijd het middelpunt gevormd van mijn leven. Zolang ik me kan herinneren, moest ik ze oversteken, telkens weer. Van kindsbeen af leefde ik in twee werelden en de ene wereld vond ik maar niks. Ik trok er mij uit terug zoveel ik kon en zocht de andere wereld op, de wereld van de kunst. Als ik niet tekende, dan las ik. Maar de tegenoverliggende wereld, de concrete aardse wereld, eiste me steeds meer op. Tekenen werd een zondagse aangelegenheid, de week was gereserveerd voor de school. Tijdens die schoolweek ging ik stilletjes dood, op zondag kwam ik weer tot leven. Later zou dat ritme veranderen, maar het zou nooit verdwijnen. Ik bleef pendelen tussen die twee zo verschillende werelden: de nuchtere wereld van het dagelijkse bestaan en de verliefde wereld van de kunst. 

Dat is waarschijnlijk de reden waarom ik het in geen van beide werelden ver geschopt heb (en dat is dan nog vriendelijk uitgedrukt). Ik heb nooit echt toegang gevonden tot de kunstwereld maar ook niet tot de gewone wereld. Ik stond met één been in beide, tegelijk binnen en buiten. In de kunstwereld was ik toeschouwer bij de gewone wereld, in de gewone wereld was ik toeschouwer bij de kunstwereld. Als kind pendelde ik spelenderwijs tussen die twee werelden, maar naarmate ik opgroeide werd het steeds moeilijker de kloof over te steken. Ze werd ook steeds groter: als kunstenaar raakte ik steeds meer geïsoleerd, als lid van de gewone wereld raakte ik steeds meer gevangen. En langzaam groeide het bewustzijn van de kloof, langzaam werd ik me bewust van de gespleten wereld waarin ik leefde.  

Uiteindelijk nam ik nauwelijks nog deel aan het gewone leven, maar ook mijn verbinding met de kunst werd steeds zwakker. In een laatste poging om die band te herstellen, begon ik te schilderen met olieverf. Het werd een enorm gevecht met kleur en materie, want ik ben geen schilder, ik ben een tekenaar, een zwart-witmens. Het heeft dan ook niet veel gescheeld of ik had het opgegeven, maar mede door een reeks ‘toevalligheden’ die me het gevoel gaven geholpen te worden, hield ik vol. Brugge was zowel een noodzaak als een stimulans, en het vooruitzicht vervulde mij met vurige hoop. Niet alleen zou ik erin slagen weer aan te knopen bij de kunst, ik zou tegelijk ook aanknopen bij het gewone leven. En daarbovenop zou ik op mijn blog verslag doen van mijn ervaringen, de artistieke zowel als de niet-artistieke. 

Was dat niet wat ik m’n leven al had nagestreefd, aanvankelijk onbewust, daarna steeds bewuster: deze drieëenheid van kunst, leven en reflectie? Ik wist al heel vroeg: zonder kunst kan ik niet leven. Maar er was nog iets anders waar ik niet zonder kon: reflecteren, mijmeren, nadenken over het leven. Ik kon niet zomaar leven, gedachtenloos, helemaal onderduikend in het fysieke bestaan. Ik moest mij daar telkens uit terugtrekken om het – als een koe – te herkauwen en zorgvuldig te verteren. Ja, het aardse leven was zwaar verteerbaar, ik had veel tijd nodig om het te verwerken. Tekenen was een prima digestief, maar het was niet genoeg. Tenslotte was het handwerk en als zodanig dook het eveneens onder in het fysieke leven. Nee, ik had er behoefte aan me helemaal te kunnen terugtrekken. In mijn hoofd dus.

Ik ben altijd jaloers geweest op kunstenaars die van hun kunst konden leven (of het niet nodig hadden). Is er iets heerlijkers dan het kunstenaarsbestaan, dat vrije scheppen van je eigen wereld? Maar hoezeer ik er ook van droomde en naar verlangde, ik wist dat ik er nooit genoeg zou aan hebben. Het was een te onbewust bestaan dan dat het me had kunnen bevredigen. Ik had de wakkerheid van de wetenschap nodig, niet de academische wetenschap – daar had ik een enorme hekel aan – maar de vrije, ongebonden, zeg maar vrolijke wetenschap: het zeer persoonlijke, zelfs intieme nadenken over het leven. Ik had ze allebei nodig: de kunst en de wetenschap. En ofschoon ik een scherpe grens trok tussen beide, kon ik ze toch ook nooit van elkaar losmaken.  

Het feit dat ik er niet in slaagde van tekenen mijn beroep te maken, dwong mij om na te denken over de kloof tussen kunst en wereld. Waarom lukte het mij niet die kloof te overbruggen? Ik merkte dat de kunstenaars die het wél lukte, daar een hoge prijs voor betaalden. Hun verbinding met de wereld maakte hen onvrij en dat ging ten koste van hun kunst. Ze waren verplicht telkens weer dezelfde dingen te maken, dode dingen. Want voor iets anders wilden de kunstliefhebbers en kunsthandelaars niet betalen. Ze wilden geen relatie meer met levende kunst. Ze wilden ook geen relatie met kunstenaars die anders waren, die niet zoals zij helemaal opgingen in het aardse leven, maar er als vrije en ongebonden toeschouwers buiten bleven staan. Ze wezen met klem de kloof af tussen kunst en werkelijkheid. 

Het is nooit in me opgekomen om toegevingen te doen in mijn kunst, om mijn vrijheid te laten inperken door de verwachtingen van anderen. Door karikaturen te tekenen ging ik daar zelfs dwars tegenin. De vrijheid van de kunst was een levensbehoefte voor me. Een onvrije kunst had geen enkele zin. Maar juist door mijn ontoegeeflijkheid werd de afstand met de wereld steeds groter en dreigde ik alles kwijt te spelen, zowel de kunst als de wereld. In een uiterste krachtinspanning probeerde ik de kloof te overbruggen en in Brugge (sic) leek dat te lukken, tot mijn droom twee jaar geleden, met Michaël, uiteenspatte en de kloof zo wijd openging dat ik erin viel. Ik was de kunst kwijt en ik was de wereld kwijt, en ik wist dat ik de kloof nooit meer zou kunnen overbruggen, daarvoor was ik te oud geworden.

Het enige wat me nog restte, was mijn reflecterende bewustzijn. Ik dacht na in de kloof en over de kloof. Wat altijd de inhoud van mijn leven was geweest – het overbruggen van die kloof – werd nu de inhoud van mijn denken. Ik dacht na over de kloof die mijn leven in twee deelde en ik deed dat vanuit die kloof. Het was in alle opzichten een zeer persoonlijk denken, een denken dat alleen over mezelf leek te gaan. Maar tegelijk werd het meer en meer een denken over de wereld, want ik herkende in die wereld dezelfde kloof die door mijn eigen leven liep. Ik begon met andere woorden mezelf te herkennen in die wereld en de kloof die zover open was gegaan, begon weer kleiner te worden. Want wat ik zelf meemaakte, bleek in wezen hetzelfde te zijn wat de hele wereld meemaakte.

Wat ik zocht in het overbruggen van de kloof tussen kunst en werkelijkheid, lijk ik nu te vinden in die kloof zelf. Het besef dat de wereld een spiegel is waarin ik mezelf herken en dat ikzelf een spiegel ben waarin de wereld zichzelf herkent, opent een nieuwe wereld: een driegelede wereld waarin kunst, werkelijkheid en reflectie een eenheid vormen. Maar dat betekent niet dat de kloof tussen kunst en werkelijkheid verdwenen is, wel integendeel. Ze is er een essentieel onderdeel van: er kan geen (levende) driegeleding zijn zonder (dodelijke) tweegeleding. Dat is een verrassend inzicht, want het betekent dat ik de klap die Michaël me twee jaar geleden in Brugge verkocht, en die de wonde – de kloof tussen kunst en leven – weer openscheurde, zelf gewild heb, even intens als ik de genezing van die wonde wilde. En dat is iets waar ik nog eens diep moet over nadenken.  

Modern Times (3)

  

Modern Times (2)

  

Modern Times (1)

  

’t Is weer voorbij …

  

Pamperpolitiek

  

De Wachter en het beeld

  

Gisteren zaterdag begon de herfst, en het was one of those days. Ik besloot om eens naar Gent te fietsen, want de afgelopen weken was ik altijd de omgekeerde richting uit gefietst en na al die natuur was ik toe aan een beetje cultuur. Ik zag wel op tegen de drukte van de stad, maar de atmosfeer was zo ontspannen dat ik er zelf van ontspande. En dan zien de dingen er heel anders uit. Bovendien had ik een doel: ik zou een boek kopen en een porseleinen koffiefilter. Dat scheelt ook. Het was inderdaad heel druk in Gent: de terrassen zaten vol, de trottoirs liepen vol, en ik vond aan de ballustrade van de Ajuinlei met moeite nog een plaatsje voor mijn fiets. Met de zon op mijn huid bereikte ik de Fnac. Het contrast met al de electronica aan de ingang kon nauwelijks groter zijn. 

Ik keurde de computers en smartfoons echter geen blik waardig en stevende direct af op de dvd’s in de kelder. Geen goed idee, zo bleek. Ik botste er op een meisje met roze schoenen dat aan een keyboard zat te zingen voor een kleine kring van toehoorders. Het geluid stond – zoals altijd – veel te hard en hoe ik ook probeerde me af te sluiten voor de electronische klanken, het lukte niet. Ijlings vluchtte ik naar de bovenverdieping, naar de boeken. Daar botste ik warempel alweer op een vrouwspersoon die aan een keyboard zat te zingen. Bach als ik me niet vergis. Dat klonk al veel beter, maar het bleef vreemd. Want niet alleen stond er niemand te luisteren, maar de vrouw zat ook in een stand die behangen was met witte doorschijnende doeken waarop lijsten met grote vergeelde foto’s waren bevestigd.

Het had iets van een dodenwake en ik verwachtte ieder ogenblik een vleermuis te zien rondfladderen. In plaats daarvan ontwaarde ik, halfverborgen in een hoek, een man die een bord voor zich hield met daarop een foto, waarin ik Dirk De Wachter meende te herkennen, een psychiater die de laatste tijd nogal veel in de media verschijnt. Vanachter dat bord met die foto klonk een stem die iets voordroeg. En dan was er muziek van Roy Orbison. Wat een bizarre voorstelling! Temeer daar niemand er enige notitie van leek te nemen. De man en de vrouw gingen helemaal op in hun eigen wereldje, een wereldje dat als een tang op een varken paste bij de zaterdagdrukte in de Fnac. De gedachte dat het om de presentatie van een boek kon gaan, kwam niet eens bij me op, zo bevreemdend was het allemaal. 

Toen legde de man zijn bord weg en trok zijn schoenen uit, lange puntige schoenen van wit krokodilleleer. Ook de eigenaar bleek lang te zijn, evenals zijn haar dat tot op zijn schouders viel. Verrek, dacht ik, het is Dirk De Wachter zelf! Wat doet die vent in godsnaam in de Fnac op een zonnige zaterdagmiddag in september! En waarom ziet hij eruit als een doordruk van Nick Cave? De man is verdorie professor in de psychiatrie, diensthoofd van het Psychiatrisch Centrum van de Leuvense universiteit! Hoezo, mogen professoren dan geen witte schoenen van krokodilleleer dragen en eruitzien als een rock ’n rollzanger? Natuurlijk mogen ze dat, maar ze moeten dan niet verwonderd zijn als ik me vragen begin te stellen. Want ik vind het maar niks, die vermenging van kunst en wetenschap. 

Ik gluur vanachter de boeken naar het vreemde koppel. Blijkbaar ben ik niet de enige die zich onwennig voelt bij dit optreden, want niemand blijft staan om te luisteren. Het lijkt Dirk De Wachter niet te deren. Ik begrijp het niet goed. Waarom doet een wetenschapper van zijn niveau zoiets? Waarom gaat iemand met een druk beroepsleven op een zalige nazomerdag naar de Fnac in Gent om daar een vreemdsoortige voorstelling te geven voor een onbestaand publiek? Van een jong meisje met roze schoenen kan ik het nog begrijpen. Ze moet iedere kans te baat nemen om op te treden en bekendheid te verwerven. Bovendien had ze wel degelijk luisteraars. Maar een bijna 60-jarige professor, die het helemaal gemaakt heeft in het leven? Wat kan zo’n man bezielen om witte schoenen te dragen en zich zo te kijk te zetten? 

Ik kan er maar één bedenken: ijdelheid. Het doet me denken aan die andere professor: Etienne Vermeersch. Dat is ook zo’n ijdeltuit. Toen ik hem, lang geleden, ging portretteren op zijn (enorme) kantoor naast de Vooruit, bracht zijn secretaresse hem een map met persknipsels waarin hij vernoemd werd. Die zat hij glunderend te lezen terwijl hij poseerde. Zijn ijdelheid bleek ook uit het korte gesprek dat ik daarna met hem had. Hij liet duidelijk blijken dat hij goed bekend was met de artistieke scène in Gent. Ik vond het een merkwaardig contrast: die zeer ernstige, zeer deftige (en zeer lelijke) professor in de filosofie die zo ongeremd genoot van de aandacht die de media aan hem besteedden. Zoiets verwacht je van iemand die het nog moet maken – ik ben zelf jong geweest – maar toch niet van een vice-rector die aan zijn pensioen toe is?

Nu goed, wat me die zaterdagmiddag trof, was het algemene beeld. Op de bovenverdieping van de Fnac trof ik de ijdele Lucifer aan, op de onderverdieping de electronische Ahriman. Vreemd genoeg werd Lucifer vertegenwoordigd door een oudere professor en Ahriman door een jong meisje, terwijl je net het tegenovergestelde zou verwachten. Want Lucifer is uitgesproken vrouwelijk-kunstzinnig, terwijl Ahriman onmiskenbaar mannelijk-wetenschappelijk is. Het was dus alsof de tegenpolen van plaats hadden verwisseld, of zich met elkaar vermengd hadden. En dat kon alleen gebeuren omdat het middengebied – het gelijkvloers – bezet was door electronica (vooraan) en kassa’s (achteraan). 

De ‘tempel’ van de mens – zijn hart – is ontwijd door hebberige kooplieden (die met hun geldverrichtingen op de achtergrond blijven) en door kille electronica (die zich overal op de voorgrond dringt). Daardoor kan de mens geen onderscheid meer maken tussen Lucifer en Ahriman. Ze verwisselen van plaats zonder dat hij het merkt. Ik heb me de afgelopen jaren vaak afgevraagd waarom er voortdurend geschoven werd met de verschillende afdelingen van de Fnac, waarom de kassa’s bijvoorbeeld verhuisden van vooraan (waar je ze zou verwachten) naar helemaal achteraan. Maar zie: there is a system in that madness, en op een mooie dag als gisteren wordt het opeens zichtbaar. Toch blijft het een complex systeem. Ik ben er nog altijd niet uit wat die witte en roze schoenen betekenden. Something though

Het leven is hard