De driegelede kunst

door lievendebrouwere

  

Zoals de Europese kunst in de vorige eeuw onderworpen werd door de hedendaagse kunst, zo wordt de Europese samenleving vandaag onderworpen door de islam. Na de kunst is het de beurt aan de werkelijkheid om overrompeld te worden door een geest wiens macht berust op een ‘huwelijk’ tussen woord en beeld. In de hedendaagse kunst heeft het beeld geen enkele betekenis zonder de verklarende woorden, zoals in de islam de hoofddoek geen enkele zin heeft zonder de achterliggende ideologie. Omgekeerd hebben de ideeën, zowel de artistieke als de islamitische, geen enkele kracht zonder de beelden. Woorden noch beelden kunnen op zichzelf bestaan, maar worden ze met elkaar verbonden, dan gaat er een overweldigende kracht vanuit waar de Europese kunst en beschaving geen verweer tegen heeft.

Hoe komt dat? Wat heeft de teloorgang van de klassieke kunst veroorzaakt? Als we haar vergelijken met de hedendaagse kunst, dan zien we dat deze laatste tweeledig is en de eerste drieledig. In de klassieke kunst vinden we op, alle niveaus, geen twee maar drie fundamentele factoren terug. Zo onderscheiden we de inspiratie waarmee alles begint, en het uiteindelijke resultaat, het kunstwerk. Deze twee verhouden zich als geest en materie, als idee en beeld, maar anders dan in de hedendaagse kunst worden ze niet rechtstreeks met elkaar verbonden. Tussen hen in staat het scheppingsproces, dat een wereld op zichzelf vormt en niet gereduceerd kan worden tot de inspiratie of tot het kunstwerk. De kunstenaar mag nog zo geïnspireerd zijn, als hij niet aan de slag gaat met de materie waait de geest gewoon verder en gebeurt er niets. 

Ook vanuit het standpunt van de kijker zien we duidelijk de drieledigheid van de klassieke kunst. Zo is er enerzijds de waarneming van het kunstwerk en anderzijds de vreugde die eraan beleefd wordt: een uiterlijk fysiek proces en een innerlijk geestelijk proces. Zonder waarneming zou er geen vreugde zijn, zonder vreugde zou de waarneming zinloos zijn (want kunstwerken dienen nergens anders voor). Toch vallen waarneming en vreugde niet samen. Iedereen kan een schilderij van Rubens zien, maar niet iedereen kan daar vreugde aan beleven. Zoals het van de kunstenaar een scholing vergt om zijn inspiratie om te zetten in kunst, zo vergt het van de kijker een scholing om zijn waarneming om te zetten in vreugde. Ook hier zien we dat geen van de drie factoren te herleiden valt tot de andere. 

We kunnen nog een derde standpunt innemen en dan verschijnt de driegeleding kunstenaar-kunstwerk-kijker. Zonder kunstenaar is er uiteraard geen kunstwerk en zonder kunstwerk is er geen kijker. Maar zonder kijker is er ook geen kunstwerk, want wat is kunst die niet gezien wordt? De kunstenaar is juist iemand-die-zichtbaar-maakt. Het kunstwerk ten slotte is datgene wat tussen kunstenaar en kijker een relatie tot stand brengt die er anders niet zou zijn. Hoe reëel deze driedeling is kunnen we aflezen aan het feit dat de drie ‘delen’ ieder een eigen wereld vormen. De kunstenaar leeft en werkt in zijn atelier, de kijker leeft en werkt in de gewone wereld, en de kunst bevindt zich in tentoonstellingszalen, musea, theaters, concertzalen en andere plaatsen die noch met de ateliers noch met de gewone wereld samenvallen.

De kunstenaar verlaat zijn atelier om een schilderij in een tentoonstellingsruimte op te hangen of om een concert te geven in een muziekzaal. Daarna keert hij weer terug naar zijn atelier. Hetzelfde doet de kijker of de luisteraar die zijn woning verlaat om naar kunst te gaan kijken of om naar muziek te luisteren. Natuurlijk kan het schilderij ook bij hem thuis hangen, of kan hij daar piano spelen. Maar het schilderij is ingelijst: het onderscheidt zich van de rest van de woning. Ook de muziek wordt gespeeld op momenten die buiten het dagdagelijkse leven vallen. Hoe nauw de kunst ook geïntegreerd is in het menselijk bestaan, ze blijft een eigen, aparte wereld die niet te herleiden valt tot de gewone wereld. Daarvoor is ze te geestelijk van aard, terwijl ze dan weer te materieel is om bij de wereld van de ideeën te horen.

De klassieke kunst is dus in alle opzichten drieledig van aard. Ze bestaat uit drie ‘leden’ of ‘geledingen’ die duidelijk van elkaar te onderscheiden zijn, maar niet van elkaar gescheiden kunnen worden. Ze kunnen niet herleid worden tot elkaar, maar vormen toch een onlosmakelijk geheel. Klassieke kunst is met andere woorden een drieëenheid. De betrekkingen tussen de drie leden liggen niet vast en zijn aan verandering onderhevig. In de Oudheid bijvoorbeeld was er geen enkel contact tussen de kijker en de kunstenaar. Deze laatste was een simpele ambachtsman die tot de laagste klassen behoorde en zijn plek diende te kennen. In de Renaissance daarentegen groeide de kunstenaar uit tot een held die bewonderd werd door het volk en omging met koningen en keizers. Nog later werd hij een bohémien, een outcast die zich buiten de samenleving plaatste. 

Zo kunnen er in de loop der eeuwen verschillende veranderingen worden waargenomen in de relaties tussen de drie geledingen van de kunst. Maar deze organische, levende veranderingen kunnen niet vergeleken worden met wat er gebeurde toen de hedendaagse kunst op het toneel verscheen. Toen onderging de kunst een gedaanteverandering zoals ze er nooit een had ondergaan. Het ene moment werden er nog stillevens, mensen en landschappen geschilderd, het volgende moment werden er pispotten, versleten schoenen en kartonnen dozen tentoongesteld. De voorstelling is misschien karikaturaal, maar ze is wel gelijkend. Ofschoon er de jongste tijd een soort restauratie lijkt plaats te vinden – er wordt er opnieuw geschilderd en getekend – is er iets wezenlijks veranderd in de kunst: ze is dualistisch geworden. 

Advertenties