De driegelede kunst (2)

door lievendebrouwere

  

Sinds de kunst ‘hedendaags’ werd, is ze niet langer driegeleed. Het middelste lid, dat beide andere met elkaar verbond, is verdwenen. In de ‘nieuwe’ kunst speelt het geen rol meer. Nemen we bijvoorbeeld het scheppingsproces dat in de ‘oude’ kunst de brug slaat tussen (geestelijke) inspiratie en (materieel) kunstwerk. Dat scheppingsproces is het resultaat van een scholing tijdens dewelke de kunstenaar bijzondere vermogens ontwikkelt. Zonder die vermogens kan hij nooit een kunstwerk tot stand brengen. In de hedendaagse kunst spelen ze echter geen rol meer. De kunstenaar heeft een idee of concept en laat dat in veel gevallen uitvoeren door gespecialiseerde firma’s. De uitvoering is een louter technische, onpersoonlijke zaak geworden. Van een scheppingsproces is geen sprake meer. 

Voor de kijker geldt hetzelfde. Klassieke kunst moet hij leren zien en waarderen. Hij moet er zijn ‘oog’ voor scholen zoals de kunstenaar zijn ‘hand’ moet scholen. Doet hij dat niet, dan blijft de kunst voor hem ‘onzichtbaar’ en beleeft hij er geen vreugde aan. Geheel anders ligt dat met de hedendaagse kunst. Hier moet er niks geoefend worden, hier moeten geen bijzondere waarnemingsvermogens ontwikkeld worden. Het volstaat dat de kijker doet wat hij ook op school doet: kennis vergaren. Hij moet zich informeren over het kunstwerk, hij moet erover lezen en studeren. Met het ontwikkelen van een ‘kunstzinnig oog’ heeft dit niets te maken. Een pispot blijft een pispot, hoe vaak je er ook naar kijkt. De schoonheid van een klassiek kunstwerk daarentegen is afhankelijk van ons vermogen om die schoonheid te zien.  

Het duidelijkst wordt dit wegvallen van de middelste pool wanneer we onze aandacht richten op de drieledigheid kunstenaar-kunstwerk-kijker. In de klassieke kunst staat het kunstwerk centraal, niet de kunstenaar of de kijker. De moderne personencultus in de kunst is van vrij recente datum. Kunstwerken waren vroeger anoniem. Men was niet geïnteresseerd in de maker. Ook de kijker was niet interessant. Alleen het kunstwerk telde. En zo is het in wezen nog altijd. In de klassieke kunst doet het er niet toe wie de kunstenaar is of wat hij dacht en voelde bij het maken van zijn werk, alleen het resultaat telt. Het doet er ook niet toe wie de kijker is of wat hij denkt en voelt bij het kijken naar kunst, zijn perceptie verandert niets aan de waarde van het kunstwerk. Het klassieke kunstwerk is een autonoom gegeven. 

Vergelijken we dat nu eens met het beroemdste en meest representatieve hedendaagse kunstwerk: de pispot van Marcel Duchamp. Dat is zeker geen op zichzelf staand gegeven. Als we hem aantroffen in een containerpark zou geen haar op ons hoofd eraan denken dat we met een kunstwerk te maken hadden. De handtekening die op de pispot staat, heeft alleen betekenis voor wie zijn kunstgeschiedenis kent. Zonder die kennis bestaat dit hedendaagse kunstwerk eenvoudig niet en valt het niet te onderscheiden van rommel en afval. Als we daarentegen een schilderij van Rafaël in het containerpark aantroffen, zouden we het meteen herkennen als kunst, niet omdat het ondertekend is met ‘Rafaël’, maar omdat we de heel bijzondere kwaliteit van dit voorwerp waarnemen.

Het kan niet ontkend worden: wat een hedendaags kunstwerk tot kunst maakt, is de handtekening en de handtekening alleen. Picasso maakte daar op cynische wijze gebruik van. Als hij op café een sigaret opstak, dan gebeurde het wel eens dat hij het luciferdoosje signeerde, het op de grond wierp en dan toekeek hoe erom gevochten werd. Want men wist dat Picasso’s handtekening geld waard was, of ze nu op een schilderij stond of op een luciferdoosje. En zo is het met alle hedendaagse kunst: het ‘kunstwerk’ zelf doet er niet toe, het gaat enkel en alleen om de handtekening. En de waarde van die handtekening berust op de reputatie van wie ze plaatst. Men kan hedendaagse kunst vergelijken met geld: op zich is ze niks waard, ze verwijst alleen naar iets dat wel waarde heeft. 

De waarde waarnaar de hedendaagse kunst verwijst is de reputatie die de kunstenaar in de kunstwereld verworven heeft. Die reputatie berust niet op zijn persoonlijke kunnen, zoals dat in de klassieke kunst tot uitdrukking komt in het kunstwerk. Waarop berust ze dan wel? Het is dezelfde vraag als: waarom geloven mensen iemand die verklaart: dit is kunst omdat ik het zeg? Want zelf zien ze het niet, ze nemen het gewoon aan. Ze ruilen hun eigen waarnemings- en oordeelsvermogen voor gehoorzaamheid aan een gebod dat geen enkele zichtbare grond heeft. Ze doen met andere woorden hetzelfde als gelovigen die zich onderwerpen aan het gezag van priesters omdat ze in naam van God spreken. Maar Marcel Duchamp en co spreken niet in naam van God, ze spreken in eigen naam. 

Een vreemd fenomeen wordt hier zichtbaar. Hedendaagse kunstenaars gedragen zich als hogepriesters die handelen in naam van een goddelijke instantie. Hedendaagse kunstliefhebbers gedragen zich als gelovigen die eerbiedig het hoofd buigen voor die onzichtbare instantie. Vandaar ook dat de goegemeente spottend spreekt over kunstpausen en een kunstkerk. Maar in de hele hedendaagse kunst is geen sprake van een God of een hogere instantie. Wel integendeel, er is geen plaats waar God afweziger is dan in de culturele en intellectuele kringen van onze tijd. De conclusie dringt zich dan ook op dat in de hedendaagse kunst een ‘god’ of een ‘geestelijke instantie’ werkzaam is die niemand ziet, waar niemand iets van afweet en waarvan het bestaan in alle toonaarden ontkend wordt. 

Als we nu terugkeren naar de radicale verandering die de kunst aan het begin van de 20ste eeuw heeft ondergaan, een verandering die bestond in het wegvallen van het middelste en centrale ‘lid’ in de driegeleding van de kunst, dan moeten we vaststellen dat dit midden in de hedendaagse kunst niet zomaar ontbreekt. Het is vervangen door een ander ‘midden’, een onzichtbare geest die niemand kent maar waar men zich niettemin met hart en ziel aan onderwerpt. Het is dezelfde blinde onderwerping die we ook aantreffen in de hedendaagse islam, met dat verschil dat moslims menen zich te onderwerpen aan de wil van God, terwijl Europese en Westerse culturo’s ervan overtuigd zijn zich nergens aan te onderwerpen en louter uit vrije wil te handelen. Maar we hebben al gezien hoe relatief dit verschil is.