De dode kunst

door lievendebrouwere

  

In 1917 stelde Marcel Duchamp zijn beroemde pispot tentoon en legde daarmee een koekoeksei in het nest van de kunst. Het leek op een gewoon ei omdat het – net als een klassiek kunstwerk – geest en materie met elkaar verbond: de materie van de pispot en de geest van de achterliggende ideeën. Want je stelt geen pispot tentoon tussen tussen tekeningen, schilderijen en beeldhouwwerken als daar geen welbepaalde ideeën over kunst achter zitten. De ideeën die aan de pispot gekoppeld waren, bleken onwaarschijnlijk krachtig te zijn. Hoe valt anders te verklaren dat dit stuk afval het einde inluidde van een artistieke traditie die duizenden jaren oud was? Zo onooglijk als het materiële ‘kunstwerk’ was, zo overweldigend was de ideële kracht die erachter schuilging.

Ontleende de hedendaagse kunst haar verpletterende kracht werkelijk aan de intellectuele ideeën waarmee ze pispotten en ander afval aan de man bracht? Van die ideeën ging ongetwijfeld een intimiderende werking uit, maar ze konden er niet de oorzaak van zijn dat steeds meer kunstenaars ophielden met tekenen, schilderen en beeldhouwen, om hun leven te wijden aan het tentoonstellen van veredeld afval. Want kunstenaars werken niet met abstracte ideeën, ze hebben daar zelfs een gezonde afkeer van. Het waren dus niet de manifesten, programma’s en beginselverklaringen van Marcel Duchamp en co die zoveel kunstenaars ertoe verleidden het scheppen van kunst op te geven en over te stappen op wat niet anders genoemd kan worden dan het maken van propaganda. 

De kijkers van hun kant werden ertoe overhaald om kunst niet langer te zoeken in tekeningen, schilderijen of beeldhouwwerken, maar in kartonnen dozen, verroeste conserven en beschimmelde etenswaar. Het waren niet de eersten de besten die bezweken voor deze verleiding: kenners, liefhebbers, schrijvers, academici, kortom de intelligentsia. Terwijl de gewone bevolking de neus ophaalde voor de rommel die de hedendaagse kunst in haar ogen was, raakte de culturele elite zodanig in de ban van de nieuwe kunst dat ze als uit één mond haar lof zong en niemand het na verloop van tijd nog waagde om niet in te stemmen met deze lofzang. Zo’n massaal enthousiasme breng je niet teweeg met abstracte ideeën. Achter de dode ideeën en de banale voorwerpen van de hedendaagse kunst ging een levende geest schuil, een buitengewoon machtige geest. 

Deze geest dankte zijn verleidingskracht niet alleen aan zijn intellectuele raffinement en zijn brutale optreden, maar ook – en vooral – aan zijn onzichtbaarheid. Vandaag regeert hij de kunstwereld met ijzeren hand en iedereen gehoorzaamt hem blindelings, kunstenaars zowel als kijkers. Maar niemand zal dat toegeven. Integendeel, men vindt de idee van een tirannieke geest bespottelijk, want is de hedendaagse kunst niet juist een kunst die zich bevrijd heeft van het klassieke keurslijf? Is zij niet bij uitstek een kunst waar alles mogelijk is en waar dus louter vrijheid heerst? Men kaatst het verwijt van tirannie gewoon terug en legt ieder verzet tegen de hedendaagse kunst uit als angst voor de vrijheid. De (uiterst zeldzame) critici werpt men voor de voeten dat ze niet in staat zijn de oude regels los te laten en op eigen benen te gaan staan. 

De kunstwereld is zich totaal niet bewust van de tirannieke geest waaraan hij zich onderwerpt, evenmin als moslims zich bewust zijn van de islamitische geest waardoor zij heel hun leven laten bepalen. Die geest is voor beiden wat water is voor een vis: hun levenselement. Ze zijn er zo innig mee verbonden dat ze geen idee hebben van zijn bestaan. Pas wanneer ze er zich uit losmaken en er tegenover gaan staan, leren ze hem kennen. Maar tegelijk ondervinden ze hoe afhankelijk ze van hem zijn en dat besef doet hen naar adem happen. Ze voelen zich als een vis op het droge en willen maar één ding: opnieuw onderduiken in het element van deze geest. De kunstwereld weet niets af van een geestelijke tiran omdat hij heel die wereld vult, omdat het veel te pijnlijk is zich van hem los te maken.  

Verhalen van klassieke kunstenaars die ‘hedendaags’ beginnen werken, zijn legio. Het omgekeerde verhaal – hedendaagse kunstenaars die opnieuw ‘klassiek’ gaan werken – krijgt men nooit te horen. Niet alleen is het buitengewoon moeilijk om zich te onttrekken aan de invloed van de hedendaagse geest, maar men verzeilt ook in de totale anonimiteit en verliest zijn stem. Voor de hedendaagse kunstenaar gaan alle deuren open. De rijken en machtigen der aarde steunen hem, de intelligentsia staat te zijner beschikking, de media verkondigen zijn roem en iedereen bewondert hem. Maar zodra hij zich onttrekt aan de greep van de ‘hedendaagse geest’, gaan alle deuren als bij toverslag dicht. Hij wordt uitgespuwd en komt in de woestijn terecht. Niemand wil hem nog kennen en algauw is men zijn bestaan vergeten. 

Wie arm is en rijk wordt, past zich vlug aan. Maar wie rijk is en arm wordt, krijgt het heel erg moeilijk. Dat laatste is het lot van iedere kunstenaar of kunstliefhebber die de hedendaagse kunst de rug toekeert. Het leven zoals hij het kende, houdt op. Hij komt op straat te staan, wordt ‘dakloos’ en verliest al zijn vrienden. Het is een lot waar iedereen voor terugschrikt. Niemand wil eindigen als Jordy in de Blaarmeersen. Natuurlijk kan de ‘afvallige’ proberen te overleven, ver van de schijnwerpers en de vleespotten van de hedendaagse kunst, maar nooit zal hij de diepe kloof kunnen vergeten die gaapt tussen de glorieuze wereld die hij verlaten heeft en het moeizame bestaan dat hij nu leidt. Hij zal de kloof die de kunst in twee deelt voortaan als een open wonde in zijn hart dragen.  

Wie niet lijdt aan de kloof die de kunst in twee deelt, zal nooit de geest leren kennen die ze geslagen heeft. De ‘kwetsuur’ van de kunst wordt in alle toonaarden ontkend, zowel door hedendaagsen als klassieken, zowel door kunstenaars als door kunstliefhebbers. Allemaal doen ze alsof de kunst nog heel is. Allemaal sluiten ze de ogen voor de diepe kloof die hen scheidt, voor de wonde waaraan de kunst bezweken is. Want de klassieke kunst die vandaag nog bedreven wordt, is zielloos. Ze leeft niet meer. Maar ook de hedendaagse kunst leeft niet. Ondanks de schijn van het tegendeel is ze sinds de pispot van Duchamp, honderd jaar geleden, geen stap verder gekomen. Ze wordt dan ook niet bezield door de geest van de levende kunst, maar door een geest van dood en ontbinding.

De kunst is uiteengevallen in twee delen. Het ene deel lijkt op de oude, klassieke kunst maar de geest is eruit verdwenen. Het is een stoffelijk omhulsel dat op kunstmatige wijze in leven wordt gehouden door mensen die zich vastklampen aan wat nog slechts een herinnering is. Het andere deel is het ‘hedendaagse’. Het wordt bezield door een bijzonder krachtige geest die kunstenaars en kunstliefhebbers in een cirkel doet draaien, want ondanks de intense activiteit die hier heerst, verandert er niets. Groter tegenstelling dan tussen deze twee dode ‘kunsten’ is niet mogelijk en de hedendaagse kunst noemt zichzelf dan ook regelmatig een anti-kunst. Eén ding hebben beide echter gemeen: de ‘onzichtbaarheid’ van hun geest. Uit de klassieke kunst is hij verdwenen, in de hedendaagse kunst is hij onbekend.

De kunst is gestorven. Ze is in twee gehakt door een huiveringwekkende geest die als uit het niets is opgedoken. De wonde die hij geslagen heeft, is zo vreselijk dat niemand er durft naar kijken. Sommigen keren de kunst gewoon de rug toe, anderen richten de blik op één van de overgebleven delen en negeren het andere. Ze doen alsof de kunst nog heel is. Ze sluiten de ogen voor de ‘hedendaagse’ geest, de geest van de anti-kunst die ongemerkt de plaats heeft ingenomen van de levende geest van de kunst. Ze voeden dit koekoeksjong in de overtuiging dat ze de kunst liefhebben, en merken niet hoe het één voor één hun eigen jongen uit het nest werpt en de kunst berooft van haar toekomst. Door blind te blijven voor de dood van de kunst maken ze haar wederopstanding onmogelijk.

Advertenties