De dode kunst (2)

door lievendebrouwere

  

Het grote verschil tussen de klassieke en de hedendaagse kunst is het wegvallen van het kunstwerk. Niet in materiële zin natuurlijk, maar in geestelijke zin. De pispot van Duchamp is even concreet als de zonnebloemen van Van Gogh, maar hij vervult een heel andere functie. In de klassieke kunst verloopt ieder contact tussen kunstenaar en kijker via het kunstwerk. Zonder dat kunstwerk zou er eenvoudig geen contact zijn. De kunstenaar is namelijk iemand die met zijn handen werkt en de kijker is iemand die met zijn hoofd werkt. Dat zijn twee zeer verschillende werelden, die zelfs in onze democratische tijden nog altijd in hoge mate gescheiden blijven. Vroeger was die grens nog veel scherper. Hoeveel bewondering men ook had voor het kunstwerk, met de kunstenaar wilde men niets te maken hebben. 

Vandaag is het omgekeerd. Omgang met kunstenaars wordt als bijzonder boeiend en zelfs flatterend gezien. Iedere zichzelf respecterende intellectueel heeft kunstenaars in zijn kennissenkring. Voor de hedendaagse kunstenaar gaan alle deuren open, van de eenvoudigste woning tot het koninklijk paleis. Er hangt een aura van diepzinnigheid en spiritualiteit rond hem waar men instinctief ontzag voor heeft. Daar staat dan weer tegenover dat men voor zijn kunst heel wat minder belangstelling heeft. Ja, zonder zijn ‘ontzagwekkende’ aanwezigheid zou men zijn kunstwerk zelfs geen blik waard tonen. Het is in veel gevallen ook geen blik waard, want het bestaat uit afval dat niet eens als kunst zou herkend worden als de kunstenaar er niet bij stond en verklaarde: dit is kunst omdat ik het zeg!

In onze tijd gaat de artistieke aantrekkingskracht vooral uit van de kunstenaar en niet van het kunstwerk. In feite doet dat kunstwerk er niet meer toe. Het maakt deel uit van een ritueel dat met om het even wat kan uitgevoerd worden. Pispotten, bananenschillen of kapotte schoenen, ze krijgen hun betekenis door het feit dat ze plechtig worden opgenomen in de kunstwereld, de wereld die in de loop der tijden rond het kunstwerk ontstaan is: het milieu van tentoonstellingen, musea, vernissages, inleidingen, kritieken, catalogi, veilingen, enzovoort. Los van die wereld heeft het zogenaamde kunstwerk geen enkele betekenis. Hier is het beeld van het koekoeksjong op zijn plaats: het hedendaagse kunstwerk heeft van oorsprong niks met kunst te maken, maar het wordt wel in het nest van de kunst gedropt.

Hoe het komt dat de kijker deze verwisseling niet opmerkt, wordt begrijpelijk wanneer men zich de nieuwe situatie voorstelt. De kijker betreedt het domein van de kunst, een domein dat een sacraal karakter heeft: musea en tentoonstellingsruimten zijn in feite ‘gewijde ruimten’ waar de mens zich aan contemplatie overgeeft. Ze roepen eerbied op en de bezoeker past automatisch zijn gedrag en stemming aan. Vroeger was die eerbiedige houding voorwaarde om te kunnen genieten van de kunstwerken: zij begonnen pas te spreken als de kijker zweeg. Vandaag spreken de kunstwerken echter niet meer. Hoe eerbiedig de kijker zich ook opstelt, ze zwijgen als vermoord. Pispotten, bananenschillen en kapotte schoenen wekken in de kijker niet meer de vreugde die de klassieke kunstwerken wekten. Ze wekken hoogstens nog verveling en afkeer.

Natuurlijk voelt de kijker zich daar heel ongemakkelijk bij. Zijn eerbiedige houding heeft geen enkel resultaat en onwillekeurig verlegt hij zijn aandacht van het kunstwerk naar de kunstenaar en zijn akolieten – de kenners, de critici, de uitleggers – die maar al te zeer bereid zijn om uitleg te verstrekken, via boeken, catalogi, media, koptelefoons of – de max – in hoogsteigen persoon. In dat laatste geval is een beetje alsof een gelovige een kerk betreedt en daar in plaats van een kruisbeeld God zelf aantreft. Is dat trouwens niet de diepste wens van iedere kerkbezoeker: in contact komen met God zelf? Welnu, in de wereld van de hedendaagse kunst is dat precies wat er gebeurt: de kijker wordt er niet langer geconfronteerd met beelden van de kunstenaar – ieder kunstwerk is in wezen een zelfportret – maar met de schepper zelf. 

Het onvermijdelijke gevolg is uiteraard dat hij op de knieën zinkt van verering. Tegen een beeld kon hij zeggen wat hij wilde, het sprak nooit terug, maar tegen God – of een andere scheppende geest – moet hij op zijn woorden letten. Dat is dan ook de sfeer die in hedendaagse musea en tentoonstellingen heerst: angstige eerbied, nederige onderdanigheid. Niemand durft hier te zeggen wat hij echt denkt of voelt, want hij staat hier niet tegenover ‘stomme’ dingen maar tegenover een sprekende geest. Die geest – de kunstenaar zelf – is weliswaar niet (altijd) aanwezig, maar hij wordt vertegenwoordigd door de schrift en de schriftgeleerden. De hedendaagse kijker wendt zich als vanzelfsprekend tot hen, want hij heeft het allang opgegeven om te luisteren naar de ‘kunstwerken’ zelf. Ze zwijgen toch als vermoord. 

Daar komt het uiteindelijk op neer: de kunst is vermoord. Ze spreekt niet meer. De moderne kijker durft dat niet onder ogen te zien, want dan komt hij in de grootste problemen. Om te beginnen zijn de hedendaagse kunstenaar en zijn schriftgeleerden geen mensen waar mee te lachen valt. Anders dan de vroegere kunstenaar-handarbeider, die zich niet al te goed kon uitdrukken en er meestal wat sjofel bij liep, dwingen ze ontzag af met hun combinatie van spiritualiteit en intellectualisme. Je moet het niet wagen te zeggen dat hun kunst niet leeft. Dat zou als vloeken in de kerk zijn, want in de hedendaagse kunst heerst hetzelfde centrale dogma als in het christendom: de heer is waarlijk opgestaan! Ook in de kunstkerk durft niemand beweren dat de kunst (nog altijd) dood is.

Maar de kijker hoeft deze blasfemische woorden niet uit te spreken om in de problemen te komen. Het volstaat dat hij ze denkt. Diep van binnen weet hij namelijk dat alleen kunst de wereld nog kan redden. De gedachte dat de kunst dood is, vervult hem onbewust met wanhoop. Ze brengt hem in een existentiële crisis. En zonder dat hij er zich van bewust is, laat hij deze gedachte niet in zich opkomen. Het is deze onbewuste angst die hem op de knieën dwingt voor de rotzooi die de hedendaagse kunst hem voorschotelt, of beter: voor de geest die erachter schuilgaat. En dat is niet de geest van de kunstenaar, want hedendaagse kunst is overal ter wereld hetzelfde. Overal ter wereld onderwerpen kunstenaars zich aan dezelfde uniforme geest, en om dezelfde reden: omdat ze de dood van de kunst niet onder ogen durven zien. 

De kunst is gestorven. Het kunstwerk is een lijk geworden. Het bestaat nog als ding, maar niet meer als geest. Daarom spreekt het ook niet meer tot de mens, die zich in arren moede wendt tot de kunstenaar. Maar die spreekt niet meer in eigen naam zoals hij dat vroeger via zijn kunst deed. Het is een onpersoonlijke geest die door hem en zijn schriftgeleerden spreekt. Overal ter wereld zegt hij hetzelfde: let niet op mijn (kunst)werken, maar luister naar mijn woorden! En ze doen het allemaal, de kunstenaars zowel als de kijkers: ze onderwerpen zich aan de geest van het koekoeksjong. Ze doen het omdat ze niet onder ogen durven zien dat hun eigen jong dood is en uit het nest geworpen. De geest die in de gedaante van het kunstwerk tussen hen in stond en die ze allebei als hun eigen geest herkenden, is gestorven. 

Advertenties