Hemel en hel

door lievendebrouwere

  

De laatste drie tot vier eeuwen kunnen als volgt gekarakteriseerd worden. Aan de ene kant is er het sterk gemechaniseerde praktische leven dat een rijk op zich vormt, aan de andere kant een veelheid aan levensvreemde geestelijke stromingen, levensbeschouwingen en filosofieën die gevoelens oproepen die ver boven de levenspraktijk zweven. De tegenstelling tussen beide is zo groot dat theorie en praktijk geen aanknopingspunten meer vinden om op elkaar in te werken. Er is geen brug meer tussen wat we prediken en wat we doen. Onze ideeën missen de kracht om in het leven in te grijpen. Welk verband is er nog tussen de mooie ideeën over hoe we ieder mens moeten liefhebben zonder onderscheid van ras, volk en zelfs huidskleur, en de principes van de banken die ons rente uitbetalen? Onze wereld valt uiteen in twee van elkaar gescheiden gebieden. 

Als mensen tegenwoordig over de geest spreken, dan hebben ze het meestal over iets abstracts, iets wereldvreemds dat geen greep heeft op het alledaagse leven. Dit dualisme moet bij de wortel worden aangepakt. Het is slechts een uiterlijk symptoom van iets dat in het moderne bewustzijn van de mens leeft: de tegenstelling tussen hemel en hel. Anderen zouden zeggen: geest en materie. Maar de eigenlijke tegenstelling is die tussen God en Duivel, tussen paradijs en hel. Het paradijs is iets dat verloren is gegaan en weer gezocht moet worden. De duivel is degene die dat verhindert. 

Deze tegenstelling dringt door tot in de uiterste vertakkingen van ons sociale leven. Wie dat niet begrijpt, kan zich geen voorstelling maken van de draagwijdte van dit dualisme. De mens moet leren inzien dat het beeld van zijn ware wezen alleen maar tot uitdrukking kan komen in een toestand van evenwicht. Aan de ene kant wil de mens boven zijn hoofd uitstijgen in een wereld van fantasie, dweepzucht en valse mystiek. Daartegenover staat een macht die de mens naar beneden wil trekken, in de materie, in het nuchtere, in het dorre. We kunnen de mens alleen maar begrijpen wanneer wij hem zien als een wezen dat streeft naar evenwicht tussen het luciferische en het ahrimanische. De moderne voorstelling heeft het luciferische echter verwisseld met het goddelijke.

We spreken alleen in waarheid over de geest wanneer we hem zien als schepper van de materie. Op de meest verwerpelijke manier spreken we over de geest wanneer we hem situeren in een droomwereld die niets te maken heeft met de materie. We moeten zo over de geest spreken dat hij de kracht heeft om onder te duiken in de materie. Geesteswetenschap moet dan ook gezien worden als een volwaardige natuurwetenschap. 

(Rudolf Steiner)

GA 194 – Dornach, 12 december 1919

Advertenties