Lawaai

door lievendebrouwere

  

Ik zit op een bank bij het Damvalleimeer en kijk hoe de zon glinstert op het water. Wat een zaligheid, die sint-michielszomer! Iedereen is weer aan het werk, de jeugd zit weer op de schoolbanken, en ik, ik heb het rijk voor mij alleen. Natuurlijk zijn er de gepensioneerden die overal electrisch rondfietsen, maar op mijn wandelingen volg ik paden waar zij nooit komen. Wie een beetje zoekt, vindt hier in Destelbergen nog plekken waar je zelden een mens tegenkomt, waar je van de wereld weg bent en waar je alleen maar vijvers, velden, bomen en weiden ziet. Wat een weelde! Maar helaas. Al dat moois wordt grondig verpest door het alomtegenwoordige lawaai van de autostrades die er dwars doorheen lopen. Het is alsof ze op een natuurfilm een heavy metal soundtrack hebben geplakt.

Niemand die met gesloten ogen naar mijn bank bij het Damvalleimeer werd geleid, zou ooit kunnen vermoeden dat hij op een idyllische plek zit waar alleen water en bomen en vogels te zien zijn. Want van het ruisen van de bomen, het zingen van de vogels en het plonzen van de vissen is niks te horen. Het wordt allemaal overstemd door het geraas of gebulder (al naargelang de wind) van de autostrade. De geluiden die bij het natuurbeeld horen, zijn vervangen door een geluid dat er niks mee te maken heeft. Het is alsof ik op de brug over de E17 zou staan en alleen maar het geklater van water en het gefluit van vogels zou horen. Het zou die eindeloze stroom voorbijzoevende auto’s ontdoen van zijn betekenis en van het beeld een leugen maken. Beeld en geluid moeten samenhoren om waar te zijn. 

Soms probeer ik me Destelbergen voor te stellen zonder lawaai. Ik zit dan op mijn bank aan het water en span me in om het geraas en gebulder van de autostrade weg te denken, om alleen die weidse vijver te zien, die paradijselijke zonovergoten plek. Maar het lukt niet. Ik kan mijn ogen wel sluiten en alleen het lawaai horen, maar niet omgekeerd. Voor lawaai kan een mens zich nooit echt afsluiten. Zelfs als hij zijn oren dichtstopt, wordt het nog als trilling door zijn lichaam waargenomen. Ik heb dus geen idee hoe Destelbergen zou zijn zonder autostrades. Ik kan het me zelfs niet voorstellen. Want de eenheid van beeld en geluid is meer dan de som der delen. Als ze van elkaar gescheiden worden, verdwijnt er iets dat je met behulp van beeld en geluid afzonderlijk niet meer kunt oproepen.

Als ik even verlost wil zijn van al dat lawaai, fiets ik naar de Kalkense meersen, een natuurgebied vijftien kilometer verderop. Zodra ik de Dendermondesteenweg verlaat en het autogeraas wegvalt, is het alsof ik in een deken van rust en stilte word gewikkeld. Het is een bijna fysieke sensatie die ik niet kan oproepen met mijn voorstellingsvermogen, daarvoor is ze veel te indringend. Op zo’n moment realiseer ik me dat ik in Destelbergen constant moet vechten tegen dat lawaai en dat ik er nooit echt tot rust kom. Vroeger gingen we wel eens logeren bij mijn schoonouders, die ver weg van alle autolawaai woonden. Het viel me op dat ik daar altijd veel beter en veel dieper sliep dan thuis. Je zou denken dat het gevecht met het lawaai ophoudt als je slaapt en niks meer hoort, maar dat is dus niet zo. 

Slapen hoort bij de natuur zoals wakker-zijn bij de stad. Wie in en met de natuur leeft, slaapt niet alleen beter, hij staat ook dichter bij de geestelijke wereld. Wie daarentegen in de stad woont, slaapt minder diep en verliest gaandeweg het vanzelfsprekende contact met de geest. Hij moet het onderhouden door middel van kunst en cultuur. Maar zoals er in ons land geen echte natuur meer is, zo zijn er ook geen echte steden meer. Alles loopt door elkaar. Dat was vroeger niet zo. Er was toen nog een duidelijk onderscheid. En ik kan het weten, want ik heb mijn jeugd doorgebracht op de grens tussen stad en land. Tien minuten wandelen en ik stond aan de voet van de Sint-Romboutstoren, in het centrum van Mechelen. Honderd meter de andere richting uit begon er een heel andere wereld, een (in mijn kinderogen) grenzeloze wereld van rivieren, bossen en velden. 

Vandaag is die grens volkomen vervaagd. Waar de natuur begon ligt nu een autostrade, en daarachter beginnen de villawijken. Als een kankergezwel heeft de stad zich uitgezaaid. Maar ook het omgekeerde is gebeurd: de natuur is de stad binnengedrongen en heeft er een jungle van gemaakt, vol koortsachtig leven en duistere driften. De tegenpolen hebben zich met elkaar vermengd en het grensgebied uitgewist. Ik zou vandaag niet meer kunnen wat ik vroeger kon. Ik stond ’s zondags op en keek uit het slaapkamerraam. De zon blikkerde op de daken. Niets bewoog. Geen geluid was er te horen. Aan de ene kant lag de stad te slapen, aan de andere kant maakte de natuur zich op voor weer een zomerse dag. Door die voorwereldlijke rust fietste ik eerst naar de stad om te gaan tekenen, en na de middag fietste ik de wijde natuur in. 

Zo pendelde ik tussen cultuur en natuur. Na een ochtend hard werken op de academie, zag de wereld er heel anders uit en genoot ik dubbel zoveel van de natuur. Maar na een middag fietsen langs de rivier, tussen bomen en velden en vogelgefluit, was ik blij weer een boek te kunnen lezen of naar kapitein Zeppos te kunnen kijken. Dat heb ik nog altijd: ik kan niet zonder natuur, maar ik kan ook niet zonder cultuur. Ik pendel nog altijd tussen beide. Maar dat grensgebied heeft lang niet meer dezelfde kwaliteit. Noch in de natuur noch in de cultuur kan ik nog zo diep onderduiken als vroeger. Het onderscheid tussen beide is verdwenen en daardoor ook hun complementariteit. Ze bevruchten elkaar niet meer, ze vermengen zich alleen nog tot een grijze, kleurloze werkelijkheid waarmee ik me niet meer kan verbinden. 

Het lawaaierige Damvalleimeer is daar een beeld van. Hoe natuurlijk en idyllisch het er ook uitziet, ik blijf erbuiten staan. Hoe graag ik ook zou opgaan in die natuur, inslapen in die natuur, contact maken met de geest die erin leeft, het wordt me belet door die andere geest die me teistert met zijn onophoudelijke gebrul en geraas. Als een onzichtbare muur staat hij tussen de wereld en mezelf. Hij verhindert het contact met zowel natuur als cultuur. Doordat hij me belet te pendelen tussen beide kan ik lang niet meer zo diep in hen doordringen en wordt mijn contact steeds oppervlakkiger. In plaats dat ik doordring in beide werelden en ze met elkaar verbind, dringen zij in elkaar door en persen mij als het ware naar buiten. Hun eenwording is als een dode muur die het levende grensgebied vervangt waar ik als kind woonde. 

Het is echter niet alleen een muur van lawaai die tussen mij en de wereld staat. Ook wanneer het stil is, zoals in de Kalkense meersen, en ik volop geniet van de rust en het landschap, kan ik me er nauwelijks nog mee verbinden. Ik blijf erbuiten staan, hoe mooi het allemaal ook is. De ‘muur’ bevindt zich met andere woorden ook in mezelf. In de wereld van de cultuur vergaat het me niet anders. Musea waren vroeger oorden van rust en stilte. Vandaag heerst er een drukte van jewelste die het contact met de kunstwerken nagenoeg onmogelijk maakt. Maar ook wanneer het er (even) rustig is, lukt het me niet meer – of toch zeker lang niet meer zo goed als vroeger – om door te dringen in de kunstwerken en me ermee te verbinden. De muur van lawaai, die zowel de natuur als de cultuur teistert, loopt dwars door me heen. 

Die gedachte was al in me opgekomen toen ik op mijn bank aan het Damvalleimeer zat. Dat eeuwige geraas en gebulder van de autostrade: is dat niet een beeld van het lawaai in mijn eigen ziel? Zijn het niet mijn eigen (abstracte) gedachten die ik daar onder de brug over de E17 zie voorbijzoeven? Vermengen ze zich niet met mijn (natuurlijke) driften, begeerten en verlangens, omdat er in mijn ziel geen grensgebied meer is dat ze op hun plaats houdt, omdat er geen levendig verkeer meer is tussen beide? Is het Damvalleimeer geen weerspiegeling van mijn ziel? Als ik op mijn bank aan de vijver zit, kijk ik in een spiegel, verlangend naar mezelf, maar niet bij machte om mezelf te zijn. Want dwars door mijn ziel loopt een muur van beelden en geluiden die niet bij elkaar horen en die daarom een leugen zijn. 

De uiterlijke wereld weerspiegelt mijn innerlijke wereld. In allebei heerst een waanzinnige activiteit, maar in feite gebeurt er niets. Alles blijft bij het oude, er is alleen maar stilstand en verstarring. Het is een wereld die ten prooi is aan materialisme, een mensheid die langzaam maar zeker versteent. Immers, ook in een steen heerst een intense activiteit – die van de elementaire deeltjes – maar ze is geen teken van leven, ze is een teken van de dood. Niet de dood als een natuurlijke overgang van de ene wereld naar de andere, maar de dood als een permanente toestand: een opgesloten zitten in een grensgebied waarvan de ritmische beweging verstard is tot een muur die de mens de toegang tot zowel de materiële als de geestelijke wereld ontzegt. De moderne mens wordt steeds meer tot een steen in die muur en hij beseft het niet. 

Je wordt dat wel gewoon, zei men toen we in Destelbergen kwamen wonen, na een tijdje hoor je dat lawaai niet meer! Wel, 21 jaar later hoor ik dat lawaai nog altijd, en zelfs beter dan ooit. Ik ben heus niet blind voor de schoonheid van het Damvalleimeer, maar ik kan en wil mijn oren niet sluiten voor het brullende ahrimanische monster dat zich achter die luciferische schoonheid verbergt. Wie hun eenheid gewoon wordt en hun discrepantie – zowel in de natuur als in de cultuur – niet langer opmerkt, bespaart zich ongetwijfeld veel ellende. Maar hij raakt wel ongemerkt in een materialistische coma: hij maakt geen onderscheid meer tussen de tegenpolen, hij probeert niet meer te pendelen tussen beide. Zijn ziel versteent. Hij herkent zichzelf niet meer in de spiegel van de wereld. Hij wordt een vreemde voor zichzelf.  

Advertenties