Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: oktober, 2016

Kunst en kwaad (3)

  

Even recupereren. In Antroposofie Vandaag lees ik een artikel waarin Roland Halfen het heeft over het kunstbegrip van Rudolf Steiner. Een aantal van zijn uitspraken interpreteer ik als een pleidooi voor hedendaagse kunst, en dat kan ik natuurlijk niet laten passeren. Interpreteer ik de woorden van de professor juist? Ik heb geen idee. Ik heb nooit eerder iets van hem gelezen en weet dus niet hoe hij over hedendaagse kunst denkt. Maar de kans dat ik het bij het rechte eind heb, lijkt me groot genoeg. Ik moet nog altijd de eerste antroposoof tegenkomen die openlijk stelling neemt tegen de hedendaagse kunst (terwijl er aan pleitbezorgers geen gebrek is). Nu, veel maakt het niet uit. Voor mij is zijn artikel gewoon een aanleiding om ideeën tegen elkaar te laten botsen in de hoop dat daar wat licht uit ontspringt. 

Beauty is in the eye of the beholder. Dat is de idee waar ik een beetje tegenaan wil botsen. Ligt schoonheid werkelijk in het oog van de toeschouwer? Het probleem is dat we dat niet kunnen controleren omdat er geen werkelijkheid is waaraan we die gedachte kunnen toetsen. Er bestaan namelijk twee soorten kunst: oude kunst en nieuwe kunst. Volgens de nieuwe klopt het dat beauty is in the eye of the beholder, maar volgens de oude niet, daar ligt schoonheid wel degelijk in het kunstwerk zelf. De artistieke werkelijkheid is met andere woorden verdeeld. Willen we achter de waarheid komen, dan zit er niets anders op dan die verdeeldheid op te heffen. We moeten beide kunsten met elkaar te verzoenen en zo opnieuw tot één gemeenschappelijke werkelijkheid komen die als toetssteen kan dienen.

Zolang de hedendaagse kunst bestaat, is dat echter onmogelijk, want zij heeft de tweedeling niet alleen veroorzaakt, zij handhaaft ze ook. Er is natuurlijk nog een andere mogelijkheid om de tweedeling op te heffen: we kunnen één van beide kunsten elimineren. Maar welke? Welke kunst is de ‘ware’: de oude of de nieuwe? Daarmee zijn we weer terug bij af, want waaraan gaan we die twee kunsten toetsen? Hoe komen we erachter of ze inderdaad zijn wat ze beweren te zijn, namelijk kunst? Anders gezegd: wat is kunst? Uiteindelijk is dát de vraag die de hedendaagse kunst ons stelt door de kunst in twee te delen en ons voor de keuze te stellen. Maar omdat er geen externe norm bestaat, moeten we onze keuze baseren op de innerlijke consistentie van beide kunsten. Een andere mogelijkheid om achter de waarheid te komen is er niet. 

Voor de hedendaagse kunst is het resultaat bedroevend: ze is in hoge mate tegenstrijdig. Dus blijft alleen nog de oude kunst over. Scoort zij beter in ons onderzoek, of is ze al even tegenstrijdig als de nieuwe kunst? Zoals gezegd ligt de schoonheid hier in het kunstwerk zelf. Die schoonheid is het resultaat van de inspanningen en het talent van de kunstenaar, en ze wordt waargenomen door de kijker, die er vreugde aan beleeft. Dat is een heel andere visie dan de hedendaagse, maar toch houdt ze geen afwijzing of ontkenning van deze laatste in. Zij erkent namelijk dat beauty is in the eye of the beholder. Als er geen schoonheid is in dat oog, dan zal het ook de schoonheid van het kunstwerk niet zien. Of zoals Goethe zei: als het oog niet verwant was aan de zon, zou het haar licht niet kunnen zien. 

De klassieke visie ontkent niet dat beauty is in the eye of the beholder, ze ontkent alleen dat schoonheid enkel in het oog van de beschouwer zou liggen. Dat laatste is duidelijk de interpretatie die de hedendaagse kunst eraan geeft: het oog ‘legt’ (zijn eigen) schoonheid in het kunstwerk, zelf hoeft dat kunstwerk niet mooi te zijn. Marcel Duchamp heeft dat op programmatische wijze geïllustreerd met zijn beroemde pispot: niets aan die pispot wijst op kunst, de kwaliteit ‘schoonheid’ moet geheel en al van de kijker komen. In oude kunst daarentegen komt de schoonheid zowel van het kunstwerk als van de kijker. Deze kunst is met andere woorden ‘inclusief’, terwijl de hedendaagse kunst onmiskenbaar ‘exclusief’ is: in strijd niet alleen met de oude kunst, maar ook met zichzelf.

In de nieuwe kunst doet het kunstwerk er niet toe. Alles hangt af van (het oog van) de kijker. Maar wat is dan nog de rol van de kunstenaar? En waarom moeten er nog musea en tentoonstellingen zijn? Door beauty alleen in the eye of the beholder te leggen, heeft de hedendaagse kunst de kunst in feite afgeschaft. Een kunstpaus als Jan Hoet verklaart dan ook zonder omwegen dat hedendaagse kunst anti-kunst is. Het is dus niet zomaar geen kunst, want dat zijn veel (klassieke) tekeningen, schilderijen en beelden ook niet. Hedendaagse kunst is geen mislukte kunst, dat wil zeggen kunst die wel kunst probeert te zijn maar daar niet in slaagt. Nee, het is een kunst die geen kunst wil zijn, een kunst die zich tegen de kunst keert, een kunst die zichzelf vernietigt. En dat is een verbijsterend fenomeen.

Een kunst die met zichzelf strijdt, die geen kunst wil zijn, maar zichzelf niettemin nadrukkelijk kunst noemt: groter inconsistentie is niet mogelijk. Het is zonneklaar dat zo’n zelfvernietigende anti-kunst onmogelijk een referentie kan zijn voor de waarheid over kunst. We hebben dus geen andere keuze dan de oude kunst: zij is de enige consistente werkelijkheid waarover we beschikken om onze ideeën over kunst te toetsen. Maar wat doen we dan met de hedendaagse kunst? We kunnen toch zomaar niet negeren dat de kunst probeert zichzelf te vernietigen? En zelfs als de hedendaagse kunst geen kunst is, maar een wolf in een schaapsvacht, dan nog blijft het feit dat de oude kunst niet opgewassen is tegen deze bedrieger. Ze blijkt onnoemelijk zwak te zijn en dat is iets waarvoor we onze ogen niet kunnen sluiten.

Door logische eliminering ben ik tot de conclusie gekomen dat alleen de oude kunst kan dienen als toetssteen voor een waarheidsgetrouwe visie op kunst. Maar die toetssteen blijkt wel een Achillespees te hebben, een zwakke plek die haar weerloos maakt tegen het geraffineerde geweld van de anti-kunst. Als we dus werkelijk zekerheid willen hebben, als we de echte waarheid over kunst willen vinden, dan kunnen we deze zwakke plek niet negeren. De oude kunst, met al haar schitterende kunstwerken waar we zo van houden, blijkt een reus op lemen voeten te zijn, een reus die in elkaar stuikt als Marcel Duchamp met zijn pispot op het toneel verschijnt. Nee, die kunst kan niet als toetssteen dienen voor de waarheid zolang we niet weten wat haar zo zwak en weerloos maakt. 

Het is moeilijk om de situatie van de kunst niet te zien als een spiegel van wat in de werkelijkheid gebeurt. De machtige Europese beschaving, die de hele wereld veroverd heeft, is bezig zichzelf te vernietigen. Die zelfvernietiging begon precies op hetzelfde moment dat ook de kunst aan haar zelfvernietiging begon. Marcel Duchamp verscheen met zijn pispot op het toneel in 1917, het moment waarop Amerika deelnam aan de eerste wereldoorlog en de verovering van Europa vanuit het Westen begon. In datzelfde jaar brak ook de Russische revolutie los, ontstond het communisme en begon de verovering van Europa vanuit het Oosten. Deze drie kapitale aanslagen op de Europese beschaving vonden plaats in onheilsjaar 1917, en honderd jaar later lijkt met de verovering van Europa door de islam de genadeslag te volgen.

Zoeken naar de zwakke plek van de oude, klassieke kunst is hetzelfde als zoeken naar de zwakke plek van de Europese beschaving. Het is zoeken naar de oorzaak van de zelfvernietiging die honderd jaar geleden begonnen is en die steeds apocalyptischer dimensies aanneemt. Tegelijk is het ook zoeken naar een antwoord op de vraag: kunnen we die zelfvernietiging voorkomen? Is de Europese beschaving nog te redden? Eén ding is alvast duidelijk: alle remedies zullen falen als we niet doordringen tot de kern van de zaak, de oorzaak van die zelfvernieting. De hedendaagse kunst kan ons daarbij helpen, want ze mag dan wel de oorzaak niet zijn, ze weerspiegelt die oorzaak wel. Zij kan ons op het spoor zetten van de zwakke plek die de Europese beschaving fataal dreigt te worden. 

Daarmee is de cirkel rond en staan we weer tegenover de tweedeling van de kunst: de tegenstelling tussen oude en nieuwe kunst. We zijn echter een stap verder gekomen, we hebben een nieuwe kijk op die tweedeling ontwikkeld. Het is nu duidelijk geworden dat de nieuwe kunst geen kunst is. Daarvoor is ze veel te tegenstrijdig en mist ze alle innerlijke consistentie. Het enige waarin ze wel consistent is, is haar anti-houding: ze is tegen alles, ze is zelfs tegen zichzelf. Ze wil helemaal niet als kunst gezien worden, en toch blijft ze zichzelf hardnekkig kunst noemen. Meer zelfs: ze noemt zichzelf ‘hedendaagse kunst’, wat inhoudt dat ze de enige, echte kunst van onze tijd is. Buiten haar bestaat er geen kunst: dat is haar centrale credo. Ze proclameert met andere woorden de eenheid van de kunst, ze ontkent de tweedeling.  

Dat is dus de paradox die we moeten begrijpen: de hedendaagse kunst ontkent de tweedeling die ze zelf veroorzaakt. Ze ontkent met andere woorden haar eigen bestaan en werking, en wijst daardoor nadrukkelijk in de richting van de oude kunst als om te zeggen: zij is de ware, niet ik! Het probleem is echter dat we haar niet geloven. Ze zegt dat ze een anti-kunst is die de kunst wil vernietigen, maar we geloven het niet en applaudisseren. Ze richt een afschuwelijke ravage aan in de kunstwereld, maar we doen alsof er niks aan de hand is en juichen haar toe. Ze schreeuwt ons in het gezicht dat ze onze hele cultuur zal vernietigen, ze lacht ons vierkant uit, ze vernedert ons, maar we sluiten er onze ogen voor. We worden geconfronteerd met een onwaarschijnlijke haat en agressie, maar we zeggen: het is niet waar! 

We gedragen ons eigenlijk als een kat die blijft staren naar een wijzende vinger in plaats van te kijken naar wat die vinger aanwijst. Met haar hele wezen wijst de hedendaagse kunst naar de oude kunst, maar in plaats van naar die oude kunst te kijken, kijken we naar de nieuwe kunst. En hoe meer die nieuwe kunst wijst naar wat ze niet is, des te meer raken we door haar gebiologeerd. De situatie dringt niet tot ons door, we begrijpen het wijzen van de hedendaagse kunst niet. Hoe komt dat? Waarom blijven we zo blind voor dit wijzen? Waarom blijven de hedendaagse kunst hardnekkig als een kunst zien, terwijl ze ons op alle mogelijke manieren probeert duidelijk te maken dat ze dat niet is? Dat is het raadsel dat we moeten oplossen, want de hedendaagse kunst zal blijven wijzen – lees: vernietigen – tot we het begrijpen. 

The English Patient

  
Op het filmfestival van Rome werden Ralph Fiennes, Kristin Scott Thomas en Juliette Binoche in de bloemetjes gezet ter gelegenheid van de 20ste verjaardag van The English Patient, één van de grote films van de 20ste eeuw. De film – die véél beter is dan het boek – is een moderne versie van Tristan en Isolde, over twee soorten van liefde: de dodelijke, passionele liefde en de veel nuchterder, levensvatbare liefde. Het is een overweldigend zintuiglijke film, die de meest erotische beelden bevat die ik ooit in een bioscoop heb gezien (en dat zonder dat er bloot vlees aan te pas komt). Tegelijk is het een buitengewoon diepzinnige film, met een ongelooflijke beeldenrijkdom. Ooit moet ik die beelden nog eens bespreken, misschien als de film 21 jaar wordt. The English Patient is een film om telkens weer opnieuw te zien, een film om in te wonen, een film om nooit te vergeten.  

Met de H van hedendaags

  
De stad Brugge heeft onlangs de Poortersloge gekocht, een 600 jaar oud gebouw in de buurt van het Jan Van Eyckplein, en gaat dat nu inrichten als een tentoonstellingsruimte voor – wat had u gedacht? – hedendaagse kunst. Alsof er nog niet genoeg hedendaagse kunst te zien is in Brugge. Gelukkig moeten de hedendaagsen afblijven van de oubollige buitenkant van Brugge, anders hadden ze die Poortersloge met de grond gelijk gemaakt, anders hadden ze heel Brugge met de grond gelijk gemaakt. En reken maar dat hen dat dwars zit. Maar elders kunnen ze hun gram halen. In Gent bijvoorbeeld. Met de Stadshal hebben ze een grote middenvinger opgestoken naar al die kleinburgerlijke burgertjes die hun stad willen behouden. En binnenkort gaat de Krook open. Na het Havenhuis in Antwerpen moest Termont toch iéts doen om niet achter te blijven! De burgervader mag er dan wel uitzien als een kloefkapper, van binnen is hij héél hedendaags. Daarvan getuigt onder meer dit fraaie statement naast de Vooruit:

  
Ik vraag me soms af hoe de wereld er over 100 jaar zal uitzien. Gelukkig zal ik dat niet meer hoeven mee te maken. ’t Is nu al erg genoeg. Ik voel me een beetje als dat beertje links in die nis van de Brugse Poortersloge. Het heeft een of andere occulte betekenis, maar ik ben vergeten welke. 

Besmettelijk

  

Denk ook eens aan een ander

  

Ladies Night

  

Ter gelegenheid van de jaarlijkse boekenbeurs in Antwerpen was uitgeverij Lannoo op het lumineuze idee gekomen om een Ladies Night te organiseren: alles over poetsen, wassen en strijken. Tja, wat doet een uitgeverij allemaal niet om haar fijne papierwaren aan de man te brengen! U raadt al wat er gebeurde: vijf minuten later stond de politie aan de deur. Niet de federale politie natuurlijk, die heeft het veel te druk met het sturen van gerechtsdeurwaarders naar mensen die een parkeerboete vergeten te betalen. Nee, het was de gedachtenpolitie die er als de kippen bij was: Elke Sleurs, staatssecretaris voor Gelijke Kansen, Liesbet Stevens, adjunct-directeur van het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen, Magda De Meyer, voorzitter van de Vrouwenraad, Veerle Draulans, professor genderstudies aan de KULeuven, én natuurlijk hun ontelbare manschappen – ik bedoel vrouwschappen – die onbezoldigd werkzaam zijn op de sociale media. Tien minuten later kwam het bericht dat de Ladies Night niet doorging en dat Lannoo zich uitgebreid verontschuldigde voor het ‘sekserolbevestigende’ karakter van de Damesnacht. 

Sekserolbevestigende mannen vragen zich nu natuurlijk af: zou de gedachtenpolitie ook zo alert gereageerd hebben als Lannoo een Men’s Night had georganiseerd? Alles over het installeren van centrale verwarming, het leggen van nieuwe vloeren en het leegmaken van beerputten. Zou de verontwaardiging op Facebook en Twitter ook zo groot zijn geweest? Zou De Morgen die Men’s Night gelijkgeschakeld hebben met ‘het verheerlijken van verkrachting’ zoals de krant dat deed met de Ladies Night? De vraag stellen, is ze beantwoorden. Mannen moeten zwijgen. Het is nu de beurt aan de vrouwen om de plak te zwaaien en te bepalen wat mag en wat niet mag. Sekserolbevestigende mannen vragen zich nu natuurlijk af: is dat dan ooit anders geweest? Zijn het werkelijk de mannen die het voor het zeggen hebben in de wereld? Of is dat alleen buitenshuis het geval? Hoe dan ook, vrouwen eisen de macht op. Mannen mogen hun mond niet meer opendoen, ze mogen geen grappen meer maken, ze mogen geen pint meer drinken, ze mogen eigenlijk niks meer of er staat een leger van vrouwen-met-deegrol klaar om hen de les te lezen. 

Of hoe rolbevestigend al die anti-rolbevestigende acties wel zijn. Door zijn Ladies Night af te schaffen, heeft Lannoo er pas echt een Ladies Night van gemaakt. And what a night it was! Met deegrollen en bezemstelen en veel gekijf. ‘k Zal je pakken, ‘k zal je pakken, zei de toverheks. Kom maar binnen, kom maar binnen, zei de wafelvrouw. De man heeft de vrouw altijd gezien als een maagd en een hoer, nu leert hij ook een derde aspect kennen: de heks. Ze vermomt zich als wafelvrouw: kom maar binnen, kom maar binnen. Maar wanneer de man daar dan op in gaat, wordt hij koud gepakt. En zo leert hij ook een nieuw aspect van zijn man-zijn kennen: zijn naïeve ridderlijkheid. De vrouw is een zwak wezen dat moet beschermd worden, de vrouw is een hoger wezen dat gediend moet worden. Wie echt anti-rolbevestigend wil zijn, moet beide aspecten onder ogen zien: het naïeve idealisme van de man en de heksenstreken van de vrouw. En dan zal hij beseffen dat hij ze allebei in zich heeft, en dat het hele gendergelijkheidsstreven niets anders is dan een weigering om het kwaad in zijn eigen ziel onder ogen te zien.

Werk in uitvoering

  
Voor onze voordeur zijn grote werken aan de gang. Luidruchtige werken ook. De hele dag zijn betonmolens af en aan komen rijden. De keldervloer van de appartementen die binnenkort ons uitzicht op de zonsondergang zullen benemen, werd gelegd, dat wil zeggen gespoten, via zo’n buitenmaatse betonslurf. Wat een drukte! Wat een bedrijvigheid! Maar ook aan de andere kant van het venster (met helaas geen dubbel glas) is het dezer dagen druk en bedrijvig. Daar wordt namelijk hard gewerkt aan het vertellement dat ik ga doen op de Lichtbaken-conferentie die begin volgend jaar in Antwerpen plaatsvindt. Vandaag heb ik de fundering gelegd en ik denk dat ze stevig is. Morgen ga ik verder met de kelder, en daarna kan ik aan de bovenbouw beginnen. Het zal een verrassende constructie worden, zoveel is zeker. Ik kan er nog niks over zeggen omdat de organisatoren weleens cold feet zouden kunnen krijgen, maar ik zie het helemaal zitten. Ik ga eens echt mijn ding doen. Het feit dat mijn innerlijke activiteiten zo ostentatief gespiegeld worden door de werken ‘aan de overkant’ stijft me in die overtuiging. Want zeg nu zelf, toeval kan dat toch niet zijn? 

Wat groeit er (niet) in mijnen hof?

  

Het graf van Jezus

  
In Jeruzalem zijn Griekse archeologen bezig het graf van Jezus Christus bloot te leggen. Dat zou sinds 1555 niet meer zijn gebeurd. Spannend! Alhoewel. Het probleem is dat je tegenwoordig niks meer kunt geloven als het om zaken gaat die verband houden met Christus. Het onderzoek naar de Lijkwade van Turijn bijvoorbeeld was totaal onbetrouwbaar. Het lijkt wel of de waarheid over christelijke zaken ab-so-luut niet aan het licht mag komen. Vandaar ook de eindeloze reeks boeken met de wildste verhalen over Jezus. Je hoeft trouwens maar het krantenbericht te lezen over die Griekse archeologische expeditie om te weten vanwaar de wind komt. ‘Nog volgens het verhaal zou Jezus zijn opgestaan uit de dood – de vrouwen die zijn lichaam drie dagen later kwamen balsemen, troffen echter niets meer aan.’ Aldus De Morgen. Let op het gebruik van het woordje ‘echter’ – alsof er een tegenstelling zou bestaan tussen de opstanding en het feit dat het graf leeg was. Hoe stelt die journalist (van The National Geographic) zich die opstanding eigenlijk voor? Jezus die in zijn graf weer tot leven komt en daar rustig blijft liggen tot ‘de vrouwen’ komen kijken? En dan roept: surprise! Kom zeg. Soms denk ik dat journalisten eenvoudig niet meer in staat zijn om de waarheid te vertellen. Zelfs als ze zouden willen, komt er altijd wel een woordje of een zinswending tussen geslopen die de zaak scheef trekt. 

Noordzee

  
De firma Noordzee aan het werk. Ver van huis.