De wereld als een kunstwerk zien (1)

door lievendebrouwere

  

Het motto van deze blog – de wereld als een kunstwerk zien – kan op twee manieren begrepen worden: als theorie en als praktijk. De theorie houdt in dat we de wereld beschouwen als een kunstwerk en er dus van uitgaan dat er ook een kunstenaar is. Immers, geen kunst zonder kunstenaar. Achter de zichtbare werkelijkheid verbergt zich dus een scheppende geest. Die overtuiging gaat dwars in tegen de moderne wetenschap, die volhoudt dat de wereld ‘vanzelf’ ontstaan is en dat er helemaal geen oorzakelijke geest bestaat. Het gevolg is een clash of civilisations, een botsing van twee tegengestelde wereldbeelden: een wetenschappelijk en een religieus. Als theorie is de wereld als een kunstwerk zien inderdaad een ‘religieus’ standpunt en als dusdanig maakt het deel uit van het centrale probleem van onze tijd.

Als praktijk draagt het echter bij tot de oplossing van datzelfde probleem. De tweede betekenis van het motto is namelijk: de wereld op dezelfde manier zien als een kunstwerk. Ging het bij de theorie om de inhoud – wat zien we? – dan gaat het bij de praktijk om de vorm: hoe zien we? Daarmee verlaten we het gebied van het geloof (dat van een stellige inhoud uitgaat) en betreden we het gebied van de wetenschap, die niet uitgaat van een inhoud maar van een vorm, en die enkel een onderzoeksmethode toepast. Kijken we naar de wereld op dezelfde manier waarop we naar kunst kijken, dan is de gedachte dat achter die wereld een scheppende geest schuilgaat geen overtuiging maar een hypothese. We gaan er niet zomaar vanuit dat God bestaat (of niet bestaat), we willen die theorie eerst onderzoeken. 

Hoe doen we dat? Op dezelfde manier waarop we ook een kunstwerk onderzoeken. Als we dat tenminste doen, want het is de gewoonte geworden om op gezag van anderen – kunstpausen bijvoorbeeld – zonder meer aan te nemen dat iets kunst is. Deze pseudo-religieuze benadering strookt echter niet met het bewustzijnsniveau van de moderne mens. Het is niet meer van deze tijd om blindelings te geloven zonder te begrijpen. De instelling die bij onze tijd past is de ‘wetenschappelijke’: we onderzoeken alles en behouden alleen het goede. Deze zelfstandige oordeelsvorming garandeert onze vrijheid, en met name op het gebied van de kunst is ze heel belangrijk, want hier is de meest vernietigende aanval op de menselijke vrijheid ontketend. 

Sinds het verdwijnen van de laatste resten van onze oude ‘helderziendheid’, zijn er twee manieren om kunst te benaderen: de wetenschappelijke en de religieuze. In het eerste geval probeert de kijker zich een oordeel te vormen over het kunstwerk door het kritisch te onderzoeken, in het tweede geval gelooft hij voetstoots alles wat ‘deskundigen’ hem vertellen. Deze pseudo-religieuze benadering is in wezen materialistisch, want de kunstliefhebber die niet zelfstandig oordeelt (en ook niet helderziend meer is), komt niet verder dan het materiële uiterlijk van het kunstwerk. Hij dringt niet meer door tot de geestelijke kern ervan. Deze laatste is vandaag alleen nog bereikbaar voor wie het kunstwerk wetenschappelijk benadert. Wetenschappelijk betekent in dit geval dus hetzelfde als religieus, maar dan in de echte, spirituele betekenis van het woord. 

In deze paradox ligt de oplossing van de clash of civilisations: wanneer we kunst wetenschappelijk benaderen, vallen religie en wetenschap samen en is er geen sprake meer van een botsing. Uiteraard gaat het hier om religie en wetenschap in hun oorspronkelijke betekenis. Daar blijft vandaag nauwelijks nog iets van over: beide zitten stevig in de greep van het materialisme. Het is dat materialisme dat de clash of civilisations veroorzaakt, het zijn de materialistische wetenschap en de materialistische religie die op elkaar botsen. Niet toevallig is daarbij nooit sprake van de kunst: die wordt door het materialisme zonder meer buitenspel geplaatst. En daar is een goede reden voor, want als de wetenschap zich richt op de kunst, dan wordt ze vanzelf religieus en overwint ze het materialisme.

De clash of civilisations kan dus in feite herleid worden tot een gebrek aan kunstwetenschap. Wat ontbreekt is een nuchtere, rationele benadering van de kunst. Daarmee wordt vanzelfsprekend niet bedoeld wat vandaag voor kunstwetenschap of kunstkritiek doorgaat, want dat is de overtreffende trap van materialisme. In de moderne kunstwetenschap wordt het materialisme verheven tot een religie en dat is het absolute tegendeel van een echte wetenschap van de kunst. Zo’n echte, niet-materialistische kunstwetenschap is in de grond niets anders dan de bewustwording van de gewone, spontane manier waarop we kunst benaderen. Die bewustwording verandert niet alleen de (materialistische) manier waarop we naar kunst kijken, ze verandert ook de (materialistische) manier waarop we aan wetenschap doen. 

Wanneer we een kunstwerk spontaan benaderen, laten we ons leiden door ons gevoel. Met ons verstand kunnen we namelijk niet doordringen tot een kunstwerk. We blijven dan aan de buitenkant staan en komen er nooit achter wat een tekening, een schilderij of wat dan ook tot kunst maakt. Kunst is een tegelijk uiterlijke én innerlijke ruimte. De uiterlijke ruimte benaderen we met ons verstand, de innerlijke is alleen toegankelijk voor ons gevoel. En hier ligt het ‘revolutionaire’ van de wereld als een kunstwerk zien: het vraagt om een wetenschap die het gevoel niet aan de kant schuift, maar er innig mee samenwerkt. Dat is niets minder dan een radicale omkering, want in de klassieke wetenschap zegt het verstand tegen het gevoel: tais-toi et soit belle! In de nieuwe, kunstzinnige wetenschap zegt het gevoel tegen het verstand: luister naar mij!

We kennen de wetenschap als een methode die het subjectieve gevoel uitsluit om tot objectieve kennis te komen. Maar hoe geschikt deze kennismethode ook is voor de dode materie, ze kan niet dienen voor de levende materie. Juist daarin ligt het materialistische van de moderne wetenschap: ze past op het levende een methode toe die alleen geschikt is voor het dode. Dat houdt een verregaande miskenning in van het levende, zelfs in die zin dat de wetenschap ophoudt wetenschap te zijn. Ze is geen kennismethode meer maar een methode om macht uit te oefenen, om het levende te onderwerpen en zelfs te doden. In die machtsroes ligt de reden waarom een wetenschap van het levende niet van de grond komt: zo’n wetenschap vereist het opgeven van die macht, ze vereist juist het tegenovergestelde. 

Een wetenschap van het levende veronderstelt eerbied voor haar onderwerp. Die eerbied is niet nodig tegenover de dode materie. Als men een steen in twee hakt, dan heeft men twee stenen en verandert er niets wezenlijks. Hakt men daarentegen iets levends in twee, dan houdt men iets doods over. Een wetenschap die het levende wil bestuderen, moet een andere methode vinden dan het analyseren of in twee hakken van de werkelijkheid. Of beter: ze moet deze methode uitbreiden, want de dode materie maakt uiteraard deel uit van de levende, ze is er een aspect van. Een levende wetenschap mag de analyserende methode niet zomaar weggooien, wel integendeel. Ze moet het onderscheidingsvermogen dat ze aan de dode materie ontwikkeld heeft niet alleen behouden, ze moet het nog versterken. 

Want de levende materie is veel beweeglijker, complexer en ongrijpbaarder dan de dode materie. Wanneer het wakkere bewustzijn dit gebied betreedt, dreigt het gevaar dat het zijn helderheid verliest. Daarom moest de materialistische wetenschap vóór de kunstzinnige wetenschap komen: om aan de dode materie een onderscheidingsvermogen te ontwikkelen dat stand kon houden in de wereld van de levende materie. De rationeel denkende mens moest bij wijze van spreken eerst leren lopen op vaste bodem vóór hij kon leren zwemmen in de ‘waterige’ omgeving van het levende. Zijn individuele denken moest eerst gestaald worden, zodat het niet zou ‘oplossen’ in de wereld van de geest. Want leven is geestelijk. Een wetenschap van het levende is noodzakelijkerwijs een wetenschap van de geest.                

Advertenties