Kunst en kwaad

door lievendebrouwere

  

In het herfstnummer van Antroposofie Vandaag lees ik een artikel over Rudolf Steiners kunstbegrip van de hand van prof. dr. Roland Halfen, een van de sprekers op de komende Lichtbaken-conferentie. Professor Halfen gaat uit van de grondleggende voordracht ‘Goethe als vader van een nieuwe esthetiek’, die ik hier ooit besproken heb onder de titel ‘Steiner over kunst’. Ik zou een link plaatsen als ik wist hoe dat moet, maar ik weet het niet en dus zult u die bespreking zelf moeten opzoeken. Als het onderwerp u interesseert natuurlijk, maar dat zou het eigenlijk wel moeten doen, want het gaat niet alleen over kunst, het gaat ook over het kwaad: de twee meest actuele onderwerpen van deze tijd – reden trouwens waarom ze allebei hardnekkig genegeerd worden. 

Dat gebeurt helaas ook in de tekst van Roland Halfen. Zes bladzijden lang spreekt hij over ‘de esthetische ervaring’ zonder met één woord te reppen over de tegenmachten. Alsof de wereld van de kunst een veilige plek is waar we ons blindelings kunnen overgeven aan onze ervaringen. Het mag dan wel waar zijn dat die ervaringen ons op het spoor van de geestelijke wereld kunnen zetten, maar Halfen maakt geen onderscheid tussen boven- en onderwereld. Hij lijkt ervan uit te gaan dat de (geestelijke) onderwereld geen toegang heeft tot de kunst. Nochtans volstaat één blik op de hedendaagse kunst om vast te stellen dat de tegenmachten daar nadrukkelijk aanwezig zijn en dat professor Halfen dus met zijn hoofd in de wolken loopt.

Nu is het kwaad niet helemáál afwezig in zijn beschouwingen. Hij heeft het namelijk over het gevaar van vaste criteria in de kunst. De overtuiging dat je reeds weet wat kunst is, verhindert je om nieuwe esthetische ervaringen op te doen, aldus Roland Halfen. Hij haalt het geval aan van de bekende kunsthistoricus Hans Sedlmayer, die gevormd was door de Renaissance en daardoor niet meer in staat was de hedendaagse kunst te begrijpen. De kunst van de twintigste eeuw maakte hem alleen maar wanhopig. Je moet dus oppassen, schrijft Halfen, dat je de criteria die je ontleent aan de oude kunst niet overdraagt op de nieuwe kunst. Precies daarin schuilt voor hem het kwaad (een woord dat hij overigens zelf niet gebruikt): in het onbegrip voor de hedendaagse kunst. 

Professor Halfen uit Dornach doet twee dingen: enerzijds zwijgt hij over de tegenmachten, en anderzijds verwisselt hij goed en kwaad. Altans in mijn ogen. Wat ik als een kwaad zie – de kritiekloze, bijna religieuze verering van de hedendaagse kunst – ziet hij als een goed. Het openstaan voor nieuwe esthetische ervaringen associeert hij immers met spiritualiteit: ‘Een mens met veelzijdige geestelijke ervaringen is het best voorbereid op veelvoudige esthetische ervaringen. Omgekeerd wijst een gesloten kunstbegrip op een gebrek aan geestelijke ervaring.’ Anders gezegd: hoe spiritueler de kijker, hoe meer hij openstaat voor nieuwe kunstvormen. En dat is natuurlijk een bekend geluid: wie de hedendaagse kunst niet kan smaken, is een cultuurbarbaar.

Er vindt dus een kleine clash of civilisations plaats tussen de professor en mezelf. Terwijl ik de ‘wetenschappelijke’ benadering van kunst voorsta, kiest hij voor de ‘religieuze’. Artistieke criteria situeert hij in de geest, die onbegrensd en onuitputtelijk is. Daarom hanteren we vandaag andere criteria dan honderd jaar geleden, en zullen we er over honderd jaar weer andere hanteren. Wie nieuwe kunstvormen wil scheppen of appreciëren, moet de immer veranderende geest volgen, aldus Roland Halfen, iets wat ik niet zal tegenspreken. Maar ik verbind er wel een voorwaarde aan: de spirituele benadering van kunst mag geen blind geloof zijn, geen kritiekloze overgave. Ik wil weten welke geest ik volg en tot artistiek criterium kies, ik wil die geest kunnen zien

Daar is bij Roland Halfen geen sprake van. Hij kiest als criterium ‘geestelijke ervaringen die nieuwe esthetische ervaringen mogelijk maken’. Maar wat bedoelt hij daarmee? Wat zijn geestelijke ervaringen, en wat zijn esthetische ervaringen? Dat blijft allemaal in het vage. Hoe problematisch dat is, blijkt wanneer we de dingen concreet maken. Een schilderij van Rembrandt biedt ons een esthetische ervaring, dat ligt voor de hand. Maar doet de pispot van Duchamp dat ook? En hoe zit het met 9/11? Volgens sommigen waren de aanslagen ook een ‘esthetische ervaring’. Roland Halfen kan het alvast niet tegenspreken, want hij zegt zelf dat de esthetische ervaring zich niet beperkt tot de kunst en dat ook het schoonheidscriterium niet langer geldt. 

Dus waarom zou een terroristische aanslag geen esthetische ervaring kunnen zijn die ons in contact brengt met ‘reële kwaliteiten van de geest’? Aanhangers van IS zullen dat zeker kunnen beamen. Voor dergelijke ervaringen moeten we volgens professor Halfen dus openstaan, anders dreigen we ons af te sluiten voor de hedendaagse geest. En geest is geest. Onderscheid tussen goede en kwade geesten is er in zijn ogen niet. Volgens hem kunnen we de kritische instelling van de wetenschap opgeven zodra we het gebied van de kunst betreden en de drempel van de geest overschrijden. Uit vrees zich te laten inperken door vastgeroeste criteria uit het verleden, lijkt de professor alle criteria overboord te werpen. 

Roland Halfen wil – in naam van Goethe en Rudolf Steiner – ons kunstbegrip verruimen en vergeestelijken. Maar in feite doet hij niets anders dan wat de materialistische kunstwetenschap al bijna 100 jaar doet: alles op losse schroeven zetten tot het kunstbegrip oplost in een zee van ideeën en ervaringen zonder enige vorm of onderscheid. Zo ruim is het kunstbegrip vandaag geworden dat het de hele werkelijkheid omvat en dus eigenlijk ophoudt te bestaan. Want als alles kunst is, waarom zouden we dan nog over kunst spreken? Als ook 9/11 een esthetische ervaring kan zijn, wat is dan nog de betekenis van het woord ‘esthetiek’? Door de grens tussen goed en kwaad te negeren, negeert Roland Halfen de kunst zelf. 

Wat doet het begrip ‘kunst’ anders dan een grens trekken tussen goed en slecht? We noemen iets kunst omdat het goed gedaan is, ter onderscheiding van iets dat slecht gedaan is. Lang niet alle tekeningen, schilderijen of beeldhouwwerken zijn kunst. Slechts een klein aantal verdient die benaming, en wel omdat ze een specifieke (goede) geest belichamen. Iets is geen kunst omdat het een welbepaalde materiële vorm heeft, het is kunst omdat het een welbepaalde geestelijke vorm heeft, een vorm die weliswaar niet kan gemeten, gewogen of bewezen worden, maar die wel kan worden waargenomen. Over die vorm – en de geest die er zich in uitdrukt – zwijgt Roland Halfen in alle talen. 

Nochtans manifesteert die geest zich in alle kunstwerken, zij het niet in dezelfde mate. Hij is de reden waarom er niet alleen onderscheid kan gemaakt worden tussen wat kunst is en wat geen kunst is, maar ook waarom er in de (oude) kunst een duidelijke hiërarchie bestaat: er zijn grote en kleine meesters. Al die onderscheidingen berusten op de waarneming van deze ene geest: hij is het wezen en het criterium van de kunst. Zonder hem zou er eenvoudig geen kunst zijn. Het feit dat Roland Halfen spreekt over ‘de geest’ en over ‘esthetische ervaringen’ zonder enig onderscheid te maken, doet vermoeden dat hij de geest van de kunst niet kent, dat hij niet in staat is hem te onderscheiden.  

De reden waarom hedendaagse kunstwetenschappers zoals Roland Halfen het kunstbegrip willen ‘verruimen’, is dat ze dat begrip niet zien, ze kunnen het alleen maar denken. Wie de vorm van de geest werkelijk waarneemt, begrijpt dat het kunstcriterium niet verruimd hoeft te worden. Het is immers geestelijk van aard en bijgevolg onbegrensd en onuitputtelijk. De kunst heeft in het verleden ontelbare vormen aangenomen, maar dat heeft kunstliefhebbers nooit belet om ze te waarderen, want doorheen die zintuiglijke vormen namen ze bovenzintuiglijke geest waar. Pas in de 20ste eeuw, toen het intellectualisme de bovenzintuiglijke waarneming ‘uitdoofde’, begonnen ze in het duister te tasten en konden geen verschil meer zien tussen goede en kwade geesten. 

Roland Halfen spreekt over het dilemma van de kunstwetenschap, die de kunst benadert met intellectuele begrippen en daardoor dreigt zichzelf blind te maken voor haar onderwerp. Als oplossing stelt hij nieuwe kunstbegrippen voor, zoals hij die onder meer vindt bij Goethe en Rudolf Steiner. Zij zorgen er volgens hem voor dat we niet blind worden voor de kunst van onze tijd. Wat hij echter niet lijkt te beseffen, is dat deze antroposofische begrippen weliswaar spiritueel van inhoud zijn, maar niet van vorm (zeker wanneer ze uit hun context worden gehaald). Het blijven hoe dan ook intellectuele begrippen, en verre van onze ogen te openen voor de nieuwe kunst, dreigen ze die ogen juist te sluiten.  

Roland Halfens benadering van de kunst mag dan misschien wel spiritueel lijken, in wezen is ze materialistisch, materialistischer zelfs dan de kunstwetenschap die we nu kennen. Want deze laatste kan haar ontsporing maar moeilijk verbergen voor iemand die nog wat gezond verstand over heeft. Wordt die ‘ontsporing’ echter toegedekt door antroposofische ideeën, dan wordt het wel heel moeilijk om het rechte spoor terug te vinden. Het probleem dat hier rijst is dat van de moraliteit. Iedere stap op de inwijdingsweg, aldus Rudolf Steiner, dient vergezeld te gaan van drie morele stappen. Anders gezegd: op geestelijk gebied moet er niet minder, maar juist méér onderscheid gemaakt worden tussen goed en kwaad. 

Roland Halfen lijkt zich van die richtlijn niks aan te trekken, want hij maakt in de kunst helemaal géén onderscheid tussen goed en kwaad. Hij gaat met andere woorden dwars tegen Rudolf Steiner in, en wel in naam van Rudolf Steiner. De kans dat iemand daarover struikelt, is zo goed als onbestaande, want men doet met de kunst wat velen ook met Rudolf Steiner doen: men plaatst ze op een piedestal en vereert ze, maar men doet geen moeite om ze te begrijpen. Steiner vond dat het ergste wat een ingewijde kan overkomen en hij heeft er zich dan ook altijd hevig tegen verzet, in woord en daad. Maar de kunst kan dat niet, ze kan zich niet verzetten tegen de blinde verering die haar momenteel ten deel valt. Dat verzet moet van onszelf komen.

Hoe moeilijk ons dat valt, blijkt uit het wereldwijde succes van de hedendaagse kunst. Onze behoefte aan geest is zo groot dat we ons blindelings in de armen werpen van het enige reële contact dat we nog hebben met de geestelijke wereld: de kunst. In welke vorm die kunst zich aan ons voordoet (en welke geest zich in die vorm belichaamt) daar trekken we ons niks van aan. Onze geestelijke honger is zo groot dat we zonder onderscheid alles ‘binnenschrokken’ wat ons als kunst wordt voorgeschoteld. Wat daar de gevolgen van zijn, kunnen we afleiden uit het lot van zovele kampgevangenen die zich na hun bevrijding in 1945 letterlijk dood aten. Het gebrek aan terughouding en onderscheidingsvermogen werd hen fataal. 

Spirituele honger en materialisme: het is een dodelijke combinatie. In plaats van ons daarvoor te waarschuwen, doet professor Halfen net het tegenovergestelde. Hij waarschuwt ons voor het onderscheidingsvermogen dat we aan de ‘oude’ kunst ontwikkeld hebben. Volgens hem belet die achterhaalde artistieke moraliteit ons om open te staan voor nieuwe kunstvormen. In plaats van het oude criterium presenteert hij ons ‘de geest’, zonder onderscheid te maken tussen goed en kwaad. Op die manier drijft hij de antroposofische kunstliefhebber in de armen van een bedrieglijke amorele geest, die zich voordoet als ‘de geest van de kunst’, maar die geen onderscheid maakt tussen een Rembrandt, een pispot of een terroristische aanslag. 

Ik verdenk professor Halfen geen moment van kwade bedoelingen, wel integendeel. Maar juist daarin ligt de tragiek van de moderne mens. Hij is vol goede wil en wordt bezield door de schitterendste christelijke idealen die hem de zwaarste inwijdingswegen doen gaan. Maar doordat hij die wegen gaat zonder moreel kompas, drijven ze hem in handen van een geest die hij niet kent en van wiens bestaan hij zich niet eens bewust is. In de vaste overtuiging dat hij de wereld tot een betere plek maakt, herschept hij die wereld tot een onderwereld. Zo’n welwillende naïeve geest is professor Halfen. Hij heeft me weer eens herinnerd aan de uitspraak van Rudolf Steiner dat de antroposofie een zeer, zeer gevaarlijke zaak is. 

Advertenties