Scheppingsvreugde

door lievendebrouwere

  
Ik luister naar de Toccata in C mineur van Bach, (meesterlijk) gespeeld door Martha Argerich. En ik bedenk: hoe heerlijk moet het niet zijn om dat op piano te kunnen spelen, en de vreugde te beleven die in deze muziek verscholen zit. Maar op hetzelfde moment besef ik: daar gaat het nu juist NIET om. Een kunstenaar beleeft helemaal geen vreugde aan het maken van kunst, en áls hij die beleeft dan moet hij ze onderdrukken. Want het gaat niet om de vreugde van de kunstenaar, het gaat om de vreugde van de kijker, of de luisteraar in dit geval. Hij is degene die vreugde moet voelen, niet de kunstenaar. Deze laatste beleeft vreugde aan de vreugde van de luisteraar, niet aan het scheppen van de muziek zelf. Men spreekt vaak over de scheppingsvreugde van de kunstenaar, en die bestaat inderdaad. Maar ze is een luciferische verleiding waartegen hij zich moet verzetten. Het beste is wanneer hij helemaal niets voelt tijdens het scheppen, wanneer hij zichzelf helemaal vergeet. Want hij moet helemaal opgaan in zijn kunstwerk, hij moet er zijn hele ziel in leggen, het moet een … offer zijn. Dat is wat de kunstenaar doet wanneer hij kunst schept: hij offert een deel van zichzelf. En dat is verre van aangenaam. In veel gevallen is het een kwelling, een harde strijd en labeur, zoals het baren van een kind. Er valt niet de minste vreugde aan te beleven en zo hoort het ook. Het gaat om het kind, om het kunstwerk en de vreugde die het de kijker of luisteraar zal bereiden, een vreugde waar de kunstenaar dan weer vreugde zal in scheppen. Dat is het wezen van de kunst: vreugde scheppen in de ander. Martha Argerich heeft helemaal geen vreugde beleefd aan het spelen van die Toccata, evenmin als Bach aan het componeren ervan. Juist daarom waren ze allebei in staat om mij vreugde te bereiden. En aan die vreugde hebben ze zeker vreugde beleefd, nog altijd trouwens. Want het is die vreugde die blijft: de vreugde aan de vreugde van de ander.  

Advertenties