Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: oktober, 2016

Kinderolifant

  

Advertenties

Scheppingsvreugde

  
Ik luister naar de Toccata in C mineur van Bach, (meesterlijk) gespeeld door Martha Argerich. En ik bedenk: hoe heerlijk moet het niet zijn om dat op piano te kunnen spelen, en de vreugde te beleven die in deze muziek verscholen zit. Maar op hetzelfde moment besef ik: daar gaat het nu juist NIET om. Een kunstenaar beleeft helemaal geen vreugde aan het maken van kunst, en áls hij die beleeft dan moet hij ze onderdrukken. Want het gaat niet om de vreugde van de kunstenaar, het gaat om de vreugde van de kijker, of de luisteraar in dit geval. Hij is degene die vreugde moet voelen, niet de kunstenaar. Deze laatste beleeft vreugde aan de vreugde van de luisteraar, niet aan het scheppen van de muziek zelf. Men spreekt vaak over de scheppingsvreugde van de kunstenaar, en die bestaat inderdaad. Maar ze is een luciferische verleiding waartegen hij zich moet verzetten. Het beste is wanneer hij helemaal niets voelt tijdens het scheppen, wanneer hij zichzelf helemaal vergeet. Want hij moet helemaal opgaan in zijn kunstwerk, hij moet er zijn hele ziel in leggen, het moet een … offer zijn. Dat is wat de kunstenaar doet wanneer hij kunst schept: hij offert een deel van zichzelf. En dat is verre van aangenaam. In veel gevallen is het een kwelling, een harde strijd en labeur, zoals het baren van een kind. Er valt niet de minste vreugde aan te beleven en zo hoort het ook. Het gaat om het kind, om het kunstwerk en de vreugde die het de kijker of luisteraar zal bereiden, een vreugde waar de kunstenaar dan weer vreugde zal in scheppen. Dat is het wezen van de kunst: vreugde scheppen in de ander. Martha Argerich heeft helemaal geen vreugde beleefd aan het spelen van die Toccata, evenmin als Bach aan het componeren ervan. Juist daarom waren ze allebei in staat om mij vreugde te bereiden. En aan die vreugde hebben ze zeker vreugde beleefd, nog altijd trouwens. Want het is die vreugde die blijft: de vreugde aan de vreugde van de ander.  

Ja en neen

  

Wallonië is dezer dagen in het (wereld)nieuws omdat het NEEN gezegd heeft tegen het vrijhandelsverdrag tussen Europa en Canada, het zogenaamde CETA-akkoord. Wat dat akkoord precies inhoudt, weet ik niet. Hoe zou dat ook kunnen, het telt 1600 bladzijden! Ik begrijp ook niet waarom Wallonië dat akkoord tegenhoudt en evenmin hoe dat mogelijk is. Nog minder begrijp ik waarom dat nu goed of slecht is. Maar wat ik wel begrijp, is dat bovenstaande kartoen van Erwin Vanmol al lachend een diepe waarheid vertelt over België. 

België is namelijk een land waarvan het ene gedeelte, het Franstalige, heel goed NEEN kan zeggen, iets wat het andere gedeelte, het Nederlandstalige, helemaal niet kan. Dat Vlaamse gedeelte kan alleen maar JA zeggen, JA tegen de Walen, JA tegen de koning, JA tegen Europa, JA tegen Amerika, JA tegen de moslims, JA tegen pillen en spuiten, JA tegen Jan, Piet, Joris en Korneel, JA tegen alles en iedereen. Eén grote uitzondering: er is één JA dat Vlamingen nauwelijks uit hun mond krijgen, en dat is JA tegen zichzelf, JA tegen Vlaanderen. Als ze in de spiegel kijken, slaken ze een NEEN van afschuw en ontzetting. Bij de Walen is het net omgekeerd. Ze zeggen voortdurend NEEN, vooral dan tegen de Vlamingen. Maar wanneer ze in de spiegel kijken, wordt dat een volmondig en trots JA. 

De moraal van dit verhaal is kinderlijk eenvoudig: de Walen kunnen wat de Vlamingen niet kunnen, en omgekeerd. Dat zou een goed huwelijk kunnen opleveren, maar er ontbreekt iets aan, iets essentieels: zelfbewustzijn, echt zelfbewustzijn. En dat betekent: zichzelf kennen in relatie tot de ander, tot de tegenpool. Het betekent: de polariteit kennen waartoe men behoort. Niemand kent zichzelf die niet ook zijn tegenpool kent en ermee kan leven. Waar het de Belgen aan ontbreekt, is zelfkennis, in de bewustzijnszielebetekenis van het woord. En ze staan er nochtans dichtbij, want ze wonen samen met hun tegenpool in hetzelfde land. Wie kan dát zeggen, behalve de joden en de palestijnen? 

Daarom is het zo tragisch dat die zelfkennis er niet komt, dat de Vlamingen de waarde van het NEEN niet leren kennen, en de Walen de waarde van het JA negeren. Dat CETA-akkoord zal daar wel niks aan veranderen, maar je weet nooit. Laten we dus maar eens JA zeggen tegen het NEEN van de Walen. Misschien zeggen zij dan ooit eens NEEN tegen ons JA. Zou dát niet mooi zijn?

Nobele Bob

  

ZIJNE BOBHEID

Al gaat het slechts om wie een prijsje wint

van ooit een springstoffabrikant uit Zweden

– Bob Dylan, meldde men een week geleden –

is onbekend wat Zijne Bobheid vindt.

De juiste keuze, voor wie eensgezind

de ruimte van de dichtkunst wil verbreden,

zo dat het lied niet meer is afgesneden,

dat op de bodem van één bron begint.

Ook tegenstanders namen daarvan nota:

‘Demente hippies, met prostaatproblemen,

zien jaren-zestig-liedjes als poëmen!’

Maar van de bard uit Duluth, Minnesota,

mochten we nog geen tittel en geen jota,

een week na de bekendmaking, vernemen.

(Jan Kal)

Verandering doet leven

  

De Belgen zijn de dappersten …

  

Logica

  

Tweede couplet

  
‘De statutaire commissie van Open Vld, het interne deontologische orgaan van de partij, zal zich over de uitspraken van kamerlid Luk Van Biesen gericht tot collega Meryame Kitir (S.PA) buigen. Dat zegt voorzitster Gwendolyn Rutten na afloop van het partijbestuur maandag. Volgens Rutten zijn de waarden en liberale basisbeginselen geschonden.’ Zo stond het vandaag in de krant. Iedereen begrijpt: dát ziet er niet goed uit voor Luk! Hij zal ten tweede male door het stof moeten kruipen. Als hij die kans tenminste krijgt en niet op straat belandt. Dat wordt nog even spannend. Waarschijnlijk is dat ook de bedoeling, want wie gelooft nu echt dat Gwendolyn woest is, dat Meryame gekwetst is en dat Luk berouw heeft. De dames en heer doen wat ze altijd doen: toneel spelen, poppenkast spelen, want-dat-zien-de-mensen-graag. Ze doen het niet zo goed als in Amerika, want dát zijn pas acteurs! Donald Trump: wat een ster! Dié brengt tenminste drama op de politieke planken! Maar Gwendolyn leert bij. Ze was ‘woest’ toen ze vernam dat Luk in een interview verklaard had dat hij géén racist is. Ik zag het zó voor mij: Gwendolyn als een razende furie tekeer gaand tegen … ja, tegen haar smartfoon waarschijnlijk, en Luk ineenkrimpend als … nou ja, zoals mannen dat doen. Geweldig toch! Zeker nu het buiten zo grijs is, dat we wel in een onderzeeëer lijken te zitten die langzaam naar de bodem van de oceaan zakt. Zoals in Das Boot. Dát was nog eens een film! Aan dát soort drama hebben we nood in deze eerste dagen van de Schorpioen. Niemand die dat beter begrijpt dan onze politici. Woest was Gwendolyn, verontwaardigd Meryam, kwaad Luk, verstoord Herman. Ze riepen er de statutaire commissie bij. Het interne deontologische orgaan. De liberale waarden en grondbeginselen. Vliegt de Blauwvoet, storm op zee! Dat is toch om de koude rillingen over je rug te doen lopen! Het deed me denken aan vroeger, lang geleden, toen ik bij de rector op het matje werd geroepen omdat ik een reep chocolade gepulkt had uit de snoepautomaten die ze overal in de school geïnstalleerd hadden. Ik had als kind al iets van fuck the system! Naar de hel met die pedagogen die je kinderziel eerst verleidden met chocolade en ze vervolgens vernederden als je aan die verleiding toegaf! Alleen was ik me daarvan niet bewust. Ik wist niet dat het allemaal toneel was ter stichting – lees: ter onderwerping – van het kleine volk. Nu weet ik het wel en begrijp ik waarom ze in de bijbel tot de molensteen veroordeeld worden. Vijftig jaar later haat ik hen er nog altijd voor. Nochtans weet ik nu dat ze zelf ook slachtoffer waren van ‘het systeem’. Ze deden ons aan wat henzelf was aangedaan. Maar een systeem kun je niet haten, je kunt alleen mensen haten, bewuste wezens. En je moet toch ergens heen met je woede, met je haat? Dat hebben onze politici goed begrepen. Daarom serveren ze ons regelmatig met veel vertoon een zondebok waarop we onze woede en haat kunnen botvieren. Dit keer is het de beurt aan Luk Van Biezen. Luk wie? Zondebokken zijn best anoniem. Ik zie het een schreeuwlelijk als Kristof Calvo niet gauw gebeuren dat hij als zondebok wordt gekozen en opgeofferd. De beste manier om het zondebokschap te vermijden is door zondebokjager te worden. Luid en verontwaardigd schreeuwen en beschuldigen: het is de beste bescherming. Want je kunt niet bok en jager tegelijk zijn. Dat is de logica zelve. Luk Van Biezen heeft dat niet begrepen. Hij heeft het hoofd gebogen en daarmee zijn lot bezegeld: eens zondebok, altijd zondebok. Hij had meteen in de tegenaanval moeten gaan, schreeuwen, verontwaardigd zijn, Shakespeare en Jan Fabre bovenhalen, spektakel maken, net als zijn aanvallers. Hij heeft het niet gedaan. Luk is te braaf, Luk is te Vlaams, Luk is te dom. Hij had moeten weten dat je een allochtoonse, een moslima wellicht, NIET moogt beledigen. Dat is het ergste wat je kunt doen. Dan hangt het hele wapenarsenaal van Damocles je boven het hoofd. RACISME! De zonde der zonden. Waarom werden Adam en Eva uit het paradijs verdreven? Omdat ze in een appel hadden gebeten? Kom zeg! Waar dienen appels anders voor! Nee, de vreselijke zonde waaraan ze zich bezondigd hadden was racisme: ze hadden allebei – blank, zoals we uit de schilderkunst weten – samengespannen tegen Lilith, en die was zwart. Dát was de oerzonde, niet die onnozele appel. Dat besef begint nu te dagen en Liliths wraak is vreselijk. Dat is het oerdrama dat zich voor onze ogen afspeelt en waar we niks van begrijpen. We spelen het na, we roepen en schreeuwen, we zijn woest als Gwendolyn en kruipen door het stof als Luk, onze verontwaardiging kent geen grenzen – maar we weten niet wat we doen. We zijn allemaal figuranten in een toneelstuk dat we niet kennen, we lopen door elkaar, weten niet wie de spelers zijn en wie het publiek. En allerminst kennen we de regisseur. We dansen naar zijn pijpen, maar we zien hem niet. We denken dat het Bart is, of Donald, of Vladimir, of Gwendolyn, maar we weten het niet. We hebben eigenlijk geen idee, en daarom schreeuwen we maar, om onze angst te verbergen. Want het is beangstigend, die chaos. We kijken met een mengeling van angst en genot naar het lot van Luk die voor de vierschaar moet verschijnen, want we weten: vandaag is het zijn beurt, maar morgen kan het aan ons zijn. Eén onvertogen woord, één kalf in de buurt: het volstaat om door het stof te worden gesleurd. En het voorbeeld van Luk leert ons: uit dat stof sta je niet meer op. 

Zei de goede mens tegen de slechte (2)

  

Zei de goede mens tegen de slechte (1)