Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: november, 2016

The lessons of Lysenko

  

You’ll be familiar with the story of Trofim Lysenko. He was a Russian biologist and agronomist who rejected Darwinian evolution and the rôle of genes, and preferred instead the Lamarckian concept of “inheritance of acquired characteristics”. Of course that concept is difficult to accept – especially when you reflect that a man who has lost a leg is perfectly capable of fathering a child with two legs. With the benefit of hindsight, it is difficult to believe that Lamarckism was once regarded as a credible alternative to Darwinian theory – but so it was.

And Lysenko, in the late 1920s, took that view, and built a whole theory of plant breeding on it. More than that, he had the ear of Stalin, and Lysenkoism became official Soviet doctrine. The theory was imposed rigidly. More than 3000 mainstream biologists were fired, imprisoned or executed for challenging it. Lysenkoism held sway in the USSR until the sixties, with dire consequences for Soviet agriculture. Again with hindsight it is difficult to credit the fact that it survived so long, when plainly it did not work. But worse than that, not only did it fail in the field (literally), it also totally blocked proper academic study and research in Russia in the area of plant breeding and Mendelian genetics for decades.

So how close are the parallels with climate theory? Of course Lysenkoism was restricted to the USSR. And it was imposed by a totalitarian régime that could, and did, shoot dissenters. Climate alarmism, on the other hand is broadly speaking global (even if some countries merely pay lip-service to the orthodoxy). It is imposed not by a violent autocracy, but by an intolerant and often vindictive establishment – scientific, media and political. It threatens not imprisonment and murder, but the destruction of careers. Scientists who dare to challenge the prevailing view are denied tenure, and publication, and perhaps worst of all, grant funding. As a result, those who do dare to challenge the orthodoxy tend to be older scientists secure in their careers (and their pension funds).

In fact the parallels with the Soviet Union go further. On the outer fringes of the Warmism movement we see demands for “Nuremberg-style trials” of “climate deniers” and the imprisonment of directors of fossil fuel companies. Nor is it just scientists and company directors in the firing line. The BBC, for example (always achingly, painfully “on message”) seeks to exclude climate sceptics, and it famously dropped David Bellamy, who was once nearly as popular a presenter on nature and wildlife issues as Attenborough, merely because he dared to express doubts about Global Warming.

We saw with the ClimateGate scandal how leading IPCC scientists engaged in “the manipulation or distortion of the scientific process as a way to reach a predetermined conclusion as dictated by an ideological bias”, just as Lysenkoism does. We see that their prescriptions are utterly failing. Björn Lomborg famously demonstrated (for example) that all the hundreds of millions of dollars invested in solar panels by Germany would have the effect (on the IPCC’s own estimates) of delaying the trajectory of global warming by only a few hours — by 2100. An utter waste of money and misallocation of resources.

Now, of course Warmism has become a multi-billion dollar industry, with money flooding in from governments, think tanks, academia and the capital markets. The vested interests are huge. It is both comical and pathetic to hear green apologists still complaining about “fossil fuel funding for climate denial” when any spending of that kind is utterly dwarfed by funding for the Green Blob. And just as Lysenkoism prevented Russian agronomy from doing the right things, so Warmism, by focussing on mitigation, blinds us to the possible need for adaptation (in the unlikely event that warming becomes a significant problem).

Wealthy economies and societies are far more resilient to adverse conditions. But prosperity depends critically on the availability of secure and affordable energy – which mitigation and greenery militate against. Warmism prescribes vast up-front investment to guard against highly speculative and uncertain long-term outcomes. By the time you realise you’re wrong, you’ve blown billions. Adaptation on the other hand is proportionate, and involves spending money on targeted projects only as and when (and if) circumstances justify it.

The main difference between Lysenkoism and Warmism, as I see it, is that the damage done by Warmism is on a far larger scale and will be far more difficult to reverse.
 

(Roger Helmer)

Advertenties

Het einde van de wereld

  

Het einde van de wereld en hoe het te voorkomen. Zo stond het vandaag in de krant. Het artikel begon als volgt: ‘Stel: een gigantische asteroïde stevent af op de Aarde. Kunnen we dan een Armageddon vermijden? Heel wat wetenschappers zijn ervan overtuigd dat we dat ooit inderdaad zullen kunnen. Maar dan moeten we daar nu wel geld voor vrijmaken, waarschuwen ze.’ Hoe het verder ging weet ik niet, want het was een artikel voor betalende lezers en er zal meer dan één asteroïde op de aarde moeten afkomen voor ik geld uitgeef aan kranten. Ik hoéfde ook niet meer te lezen, ik wist genoeg. Vooral dat laatste zinnetje was verhelderend: er moet geld vrijgemaakt worden. 

Het spreekt vanzelf dat er geen geld moet vrijgemaakt worden omdat wetenschappers ontdekt hebben dat de aarde bedreigd wordt door asteroïden. Het is omgekeerd: wetenschappers zijn tot de ontdekking gekomen dat de aarde vanuit de ruimte bedreigd wordt omdat er geld moet vrijgemaakt worden. En waarom moet dat geld vrijgemaakt worden? Dumme Frage! Opdat het in de portemonnee van bepaalde mensen zou kunnen verdwijnen natuurlijk. Dat begrijpt het kleinste kind. Alhoewel. Er is vandaag niet zozeer verstand dan wel moed nodig om nog iets te begrijpen. 

Mensen worden tegenwoordig aan de lopende band angst aangejaagd, en angstige mensen zijn agressieve mensen, het zijn mensen waar niet meer mee te praten valt. Als ze bang zijn dat er asteroïden op de aarde afkomen, dan kun je niet meer tegen hen zeggen dat de aarde al miljoenen jaren bedreigd wordt door asteroïden en dat ze desondanks nog altijd bestaat. Nee, ze worden dan kwaad en roepen: Er Moet Iets Aan Gedaan Worden! Precies wat de eigenaars van de grote portemonnees willen. Daarom betalen ze trouwens de wetenschappers en de journalisten: niet om achter de waarheid te komen, maar om de mensen angst aan te jagen.

Daarom kreeg ik vandaag ook een tijdelijk aanbod van een ‘kwaliteitskrant’. De verhelderende slogan luidde: Inzicht komt niét met de jaren. Het komt binnenkort met De Standaard. Ze bedoelden: als u geen geld vrijmaakt voor onze krant dan blijft u even dom als u nu bent, en denk maar niet dat het beter wordt! Soms vraag ik me af wat de gemiddelde leeftijd is van de journalisten bij De Standaard. Voor een bijlage over het werk van Wim Delvoye hadden ze ooit als slogan bedacht: U schijt toch ook? Kunst die blijft plakken! Nee, het zijn heus geen asteroïden waardoor de aarde bedreigd wordt …

De revolutionair en de blote poep

  

Bovenstaande poster hing vroeger op mijn kot toen ik student was in Leuven. Hij dook in mijn herinnering op toen ik vernam dat Fidel Castro gestorven was. Tegenover die blote poep hing namelijk een groot portret van Che Guevara dat ik in houtskool had getekend. Wie Che Guevara precies was wist ik niet, ik wist alleen dat hij heel cool was. Hij zag eruit als een hedendaagse held en dat gaf wat kleur aan het in mijn ogen zo grauwe studentenbestaan. Ik had veel liever academie gelopen, maar in plaats van te tekenen en te schilderen, zat ik tussen vier witte muren dikke cursussen uit m’n hoofd te blokken. Ik deed dat op Camilo Torres, een enorm betonnen gebouwencomplex waar honderden studenten een kot hadden. Torres stond bekend als een ‘links nest’, maar daar was ik me totaal niet van bewust. Ik had ervoor gekozen omdat het goedkoop was: omgerekend zo’n 35 euro per maand. Toen ik er mijn intrek nam, wist ik niet eens wat links of rechts betekende.

Links, dat bleken de schreeuwlelijkerds te zijn die aan de ingang van het studentenrestaurant stonden te zwaaien met stencils en riepen dat alle macht aan de arbeiders toekwam. Niet alleen boezemde hun grimmige ernst me afkeer in, maar ik begreep ook niet wat die langharige profeten te maken hadden met arbeiders. Ik kende wel niet veel arbeiders, maar ik was er zeker van dat ze mijn afkeer zouden gedeeld hebben. Later namen deze stencilventers het voortouw in de zogenaamde studentenstakingen. Een belachelijk concept vond ik dat. Wie lag er nu wakker van studenten die niet naar de les gingen! Dat vond ik juist één van de grote voordelen van het studentenleven: het kon niemand wat schelen als je thuisbleef. Het werd niet eens opgemerkt. Dus waar sloeg dat op, een studentenstaking? Het kwam erop neer dat lesgeven verhinderd werd. Dat gebeurde soms heel brutaal. De revolutionairen kwamen dan de les binnengestormd, rukten de professor de microfoon uit de hand en begonnen allerlei leuzen te skanderen. 

Dat de les niet kon doorgaan, stoorde me allerminst. Ik had geen greintje respect voor het hele universitaire gebeuren. Maar de arrogantie en agressie van de linkse studenten stootten me tegen de borst. Ze zagen er niet alleen uit als barbaren en ze gedroegen zich ook zo. Toen ik weigerde te applaudisseren voor hun heroïsche acties scholden ze me uit voor fascist. Het was de eerste keer dat ik het woord hoorde maar ik begreep dat het niet veel goeds betekende. Het raakte echter m’n koude kleren niet, want ik kende de schreeuwers. Ze woonden ook op Camilo Torres en iedere maandag werden ze daar in een blinkende Mercedes door papa of mama afgeleverd. Rijkeluiszoontjes die in Leuven voor revolutionair kwamen spelen! Nee, ik was van meet af aan immuun voor hun marxistische, leninistische of maoïstische overtuigingen. Ik sloot er mij innerlijk voor af zoals ik me ook afsloot voor wat ik in de les te horen kreeg. Het was in mijn ogen allemaal één pot nat: intellectualistische, abstracte, dode ideeën. 

Het verband tussen intellectualische ideeën en brutaal gedrag was één de dingen die mij duidelijk werden aan de universiteit. Aanvankelijk kon ik niet begrijpen hoe studenten, die toch tot de meest ontwikkelde leden van de maatschappij behoorden, zich zo beestachtig konden gedragen. Met afschuw keek ik naar de leslokalen, die de sporen droegen van hun verregaande gebrek aan respect. Maar ik ondervond zelf welke werking al die dode leerstof had op een mens: ze riep ter compensatie de ‘levende’ driften wakker. In mijn jaren aan de academie had ik dat nooit meegemaakt. Daar werkten we juist met die driften, we hadden ze nodig om leven te krijgen in onze tekeningen. Maar tegelijk worstelden we er hevig mee, want als ze de overhand kregen, vernietigden ze de vorm. En die vorm, daar ging het juist om. Met ideeën hielden we ons niet bezig, tenzij bij wijze van ontspanning. Niemand kreeg het in zijn hoofd om op grond van ideeën de lessen te verstoren. Het waren trouwens geen lessen, het was werk. 

Ik had een kot op Camillo Torres, en aan de muur hing een portret van Che Guevara, maar met linkse ideeën had dat niks te maken. Wat konden ideeën – linkse of rechtse – mij schelen! Ik was een dromer, ik leefde in een wereld van beelden. Reeds in de humaniora zag ik hoe mijn medeleerlingen veel wakkerder waren dan ikzelf. Ze lazen kranten, ze lazen Humo, ze dachten na over politiek. Mij interesseerde maar één ding: kunst. De rest liet me koud. Mijn schoolresultaten gingen dan ook in vrije val. Ik begon als eerste maar eindigde als laatste van de klas. Toch twijfelde ik nooit aan mijn verstand, integendeel. Zoals mijn tekenleraar ooit zei: wij, leerlingen van de academie, voelden ons mijlenver verheven boven die onnozelaars die naar school gingen. Wie tekent of schildert, gebruikt ook zijn verstand, maar hij gebruikt het uit vrije wil en hij gebruikt het omdat hij iets wil maken. Op school maak je niks, je gebruik er je verstand alleen omdat het moet, omdat het goedkeuring, geld en aanzien oplevert. 

Zo zag ik ook de universiteit: als een noodzakelijk kwaad. In dat ‘noodzakelijk’ vergiste ik mij, want ik heb nooit iets met mijn diploma aangevangen. Maar in het kwaad vergiste ik mij niet. Als kind was ik een braaf jongetje, maar wat liegen en bedriegen is heb ik op school geleerd. En in Leuven heb ik er de vruchten van geplukt. Ik kon mijn ogen niet geloven toen ik ondervond hoe gemakkelijk die professoren om de tuin te leiden waren. Moesten dát intelligente lieden voorstellen? Ik belazerde hen zonder de minste scrupules want ik had geen enkel respect voor hun dorre, intellectualistische denken. Maar ik schaamde mij wel voor alle tijd en energie die ik aan hen en hun universiteit verspilde. Gelukkig maakte het contact met andere studenten – vooral vrouwelijke – veel goed. Ook aan Camilo Torres heb ik mooie herinneringen. Wat hebben we daar de beest uitgehangen! We slaagden er zelfs in om de linkse, progressieve, ruimdenkende directie in alle staten te brengen. 

Dat is intussen al meer dan 40 jaar geleden. Camilo Torres bestaat nog altijd, heb ik op het internet gezien. Beton breek je zomaar niet af. Ook de linkse, langharige profeten van weleer bestaan nog altijd. Ze zijn naar de kapper geweest, dragen een keurig kostuum en rijden in blinkende Mercedessen, maar van binnen zijn ze nog geen spat veranderd. Nog altijd roepen ze dezelfde holle leuzen, nog altijd etaleren ze dezelfde brutaliteit. En wie niet voor hen applaudisseert, is nog altijd een vuile fascist. Hoe abstracter de ideeën, hoe lager de driften! Het enige wat die vicieuze cirkel kan doen stoppen is de kunst. Die is echter zelf het slachtoffer geworden van de splijtende krachten die verstand en driften uiteendrijven en aanwakkeren. Ik was destijds een dromer die niks van politiek afwist, maar uit de twee posters die ik op mijn kot had opgehangen – de coole revolutionair en de blote poep – blijkt nu dat ik intuïtief begreep waar het om ging. Het is een schrale troost nu kunstenaars zelf barbaarse profeten zijn geworden. 

Toveren voor beginners

  

Twee meisjes op het strand

  
G.Breitner

De appel valt …

  

Tijdens het opruimen tref ik twee neergeschreven herinneringen aan, met mijn oudste dochter in de hoofdrol. 

Helena ligt met ‘oortjes’ naar muziek te luisteren. 

Ik wil meeluisteren, zeg ik en trek de plug uit de cassetterecorder zodat de muziek door de huiskamer klinkt. 

Hee, protesteert ze luidkeels, ik wil dat liedje horen! 

Nou en, kun je ’t dan misschien niet horen? 

En daarachter kwam er een liedje waar ik speciaal zat op te wachten! 

Ik tik haar op de schedel en vraag: wat zit hier eigenlijk in? 

Verstand! roept ze. 

Ja, maar wat doe je ermee? 

Sparen!

Een tijdje later vraagt diezelfde Helena: zouden ze in de bibliotheek boeken hebben van Agatha Christie? 

Waarschijnlijk wel, antwoord ik, je moet maar eens gaan kijken. 

Ja, maar ik weet niet wie ze geschreven heeft!

Algemeen gelach.

Helena (verongelijkt): hoe kon ik nu weten dat ze die boeken zelf geschreven heeft! 

Als een zwaard uit de schede

  

Op De grote Rudolf Steiner Citatensite van Ridzerd van Dijk trof ik onderstaand citaat aan. Zoals gewoonlijk maak ik er een vrije hertaling van om het allemaal wat eenvoudiger en begrijpelijker te maken. Wie dat niet vertrouwt kan altijd de oorspronkelijke tekst opzoeken. Als ik wist hoe het moet, zou ik een directe link plaatsen, maar ik weet het niet en bereidwillige mensen slagen er ook niet in het mij uit te leggen. 

‘Onze lagere natuur wordt in toom gehouden door onze hogere natuur. Beide zijn met elkaar vermengd en niet meer van elkaar te onderscheiden zoals in een groene vloeistof het samenstellende geel en blauw ook niet meer te onderscheiden zijn. De vloeistof kan echter op chemische wijze weer ontbonden worden tot een gele en een blauwe vloeistof, en zo ook worden door een occulte ontwikkeling de hogere en de lagere natuur van de mens weer van elkaar gescheiden. De lagere natuur wordt uit het lichaam getrokken als een zwaard uit de schede, en alle kwaadaardige eigenschappen, waar voordien niets van te merken was, treden nu aan het licht op een bijna griezelige manier. Mensen die we als welwillend kenden, worden nu jaloers en querulant. Die kwalijke eigenschappen zaten vroeger ook al in hen, maar ze werden beheerst door hun hogere natuur. Mensen die de bovenzintuiglijke wereld betreden, worden heel gemakkelijk leugenaars, ze verliezen het vermogen om het ware van het valse te onderscheiden. Daarom moet een occulte scholing noodzakelijkerwijs gepaard gaan met de strengste scholing van het karakter. Wat de geschiedenis over heiligen en hun verleidingen vertelt, is geen legende maar letterlijke waarheid.’

(Rudolf Steiner)

GA 54 – Berlijn, 7 december 1905 

Is dit niet precies waar het in de hele Zwarte-Pietenkwestie om gaat? De mensheid gaat over de drempel en maakt dus onbewust een ‘occulte scholing’ of inwijding door. Haar hogere natuur wordt als een zwaard uit de schede van haar lagere natuur getrokken en deze laatste blijft onbeheerd en onbeheerst achter, met als gevolg dat allerlei kwalijke eigenschappen de vrijheid krijgen. Rudolf Steiner noemt er drie: jaloezie, ruzie zoeken en liegen. De eerste twee komen mij voor als luciferisch, de laatste als ahrimanisch. 

Sinterklaas en Zwarte Piet zijn een kinderlijk beeld van de hogere en de lagere natuur van de mens. Zij werkten tot voor kort eendrachtig samen, maar in onze (drempeloverschrijdings)tijd gaan ze uit elkaar. Sinterklaas verdwijnt bij wijze van spreken in de wolken: hij vervluchtigt tot een hersenschim, want we geloven niet meer in de hogere natuur van de mens. Zwarte Piet blijft alleen achter en wordt kwaadaardig. Maar zijn kwaadaardigheid is niet enkelvoudig: we herkennen er de schijnheilige Lucifer en de agressieve Ahriman in. 

Anders gezegd, Zwarte Piet verandert in een schijnheilige pseudo-Sint en een onderwereld-Piet. We herkennen daar de politiek correcte mens in, met zijn onschuldige schapengezicht (ik ben een goed mens, ik ben vol liefde en verdraagzaamheid, ik wil de wereld beter maken) waarachter een grimmige wolventronie schuilgaat (u bent een racist, u bent een slecht mens, u moet met alle mogelijke middelen worden bestreden). Nog anders gezegd, het uit elkaar gaan van de echte Sinterklaas en Zwarte Piet leidt tot een versmelting van de valse Sinterklaas en Zwarte Piet. Heel verwarrend allemaal. 
 

Het Pietenpact

  

‘Het Pietenpact is een intentieverklaring die mikt op een viering voor iedereen, met een paar duidelijke afspraken én voldoende vrijheid om zelf vorm te geven aan dit oude, gekoesterde feest. Sinterklaas is door de eeuwen steeds geëvolueerd en aangepast, een reden te meer om het debat nooit voor voltooid te verklaren, noch om verfijningen halsstarrig te bestrijden. Het uitgangspunt is dat we Sinterklaas vieren zonder raciale stereotyperingen. Voor de rest is de invulling van het feest vrij: de Sint kiest lekker zelf of hij zonder of met pieten – roetveegpieten, regenboogpieten, ongeschminkte pieten – jong en oud komt verblijden. Vanuit dit pact willen we de komende maanden bouwen aan een platform – online en live – voor de uitwisseling van inspirerende voorbeelden van creatieve, inclusieve én praktisch werkbare invullingen van het Sinterklaasfeest. Op deze manier willen we de vele mensen die al werken aan oplossingen met elkaar verbinden en een breder gedragen Vlaams-Nederlandse beweging creëren die een warme en eigentijdse Sinterklaasviering voor ogen heeft.’

Zo staat het te lezen op de webpagina van cultuurhuis deBuren, initiatiefnemer van het Pietenpact. Over die tekst is nagedacht, want deBuren is een Vlaams-Nederlandse vzw en in Nederland weten ze hoe gevoelig die hele Pietenkwestie ligt. Dus wil ik ook eens nadenken over die tekst en proberen me een beeld te vormen van de geest waarin hij geschreven is. Het meest veelzeggende zinnetje in dat verband is: de Sint kiest lekker zelf. Lekker: zo spreek je tegen kinderen, zo spreek je als je … voor Sint speelt. De hele tekst is inderdaad in een zalvende, prekerige stijl geschreven, net als het vervolg erop, waarin stap voor stap wordt uitgelegd wat het Pietenpact precies inhoudt, want ‘men heeft het niet goed begrepen’. Hier is dus zeker niet iemand aan het woord die in dialoog wil gaan met gelijken, maar een God-de-Vaderfiguur die zich vooroverbuigt naar de kleintjes en hen in vriendelijke bewoordingen duidelijk maakt hoe het zit. Die vriendelijkheid heeft echter een keerzijde, want Wim Vanseveren, directeur van deBuren, verklaarde in de krant dat hij er niet over denkt het Pietenpact af te schaffen. 

Kinderen moeten luisteren, zo simpel is dat. Vanseveren is weliswaar bereid te wachten tot ze uitgehuild zijn en daarna zal hij het nog eens uitleggen – want zo is de Sint: rustig, begrijpend en vol geduld – maar als de kinderen dan nog altijd hun eigen willetje willen doordrijven, zal hij geen andere keuze hebben dan Zwarte Piet erbij te halen. Die zal de stoute kinderen ongenadig van de roe geven en ze vervolgens in zijn zak steken. Want zo gaat dat in de linkse, multiculturele, politiek correcte wereld: wie niet horen wil, moet voelen! Wie dus denkt dat het Pietenpact zal opgeborgen worden omdat er gehuild, gejengeld en geprotesteerd wordt, vergist zich deerlijk. De Sinterklazen dezer wereld spreken in naam van het Hogere, zij kunnen en zullen niet dulden dat het kleine grut zijn eigen zin doet. Kinderen de baas? Iedere ouder weet waar dat op uitdraait. Nee, als de jeugd – dat wil zeggen: de bevolking – niet wil luisteren dan moet ze stevig aangepakt worden. Dan moet de goede Sint veranderen in een Zwarte Piet die de stoute kinderen stevig op hun plaats zet en hen laat voelen wie de baas is. 

Ziedaar de politiek correcte mens: zalvend of dreigend al naargelang van de omstandigheden. Zijn de kinderen braaf dan is hij Sinterklaas, zijn ze stout dan wordt hij Zwarte Piet. Maar luisteren zullen ze. Zo gedraagt iedere ouder zich tegenover zijn kinderen, dat is de normaalste zaak van de wereld. Abnormaal wordt het echter wanneer hij zich ook tegenover andere ouders zo gaat gedragen. Zou Wim Vanseveren, die beweert met zijn Pietenpact in debat te willen gaan, beseffen dat hij zijn gesprekspartners toespreekt alsof het kinderen waren? Zou hij beseffen dat hij een stok achter zijn rug houdt waarmee hij die kinderen slaat wanneer ze het niet met hem eens zijn? De vraag stellen, is ze beantwoorden. Hij zou waarschijnlijk verontwaardigd zijn als men hem een schijnheilige Sinterklaas zou noemen die verandert in een grimmige Zwarte Piet als zijn mooie woorden niet het gewenste effect hebben. Deze week nog verloor een arbeider uit Gent zijn job omdat hij de critici van Zwarte Piet in niet al te mooie bewoordingen lik op stuk had gegeven. Dát is de duistere keerzijde van de Sint Vanseverens dezer wereld.

Het zijn met andere woorden wolven in een schaapsvacht. Als hun mooie, zalvende Sinterklaaswoorden niet werken, werpen ze hun wollige vacht af en verschijnt de boze wolf die mensen berooft van hun job, die hen monddood maakt, die karaktermoord op hen pleegt. Uit angst voor deze immer dreigende wolf durven mensen hun mond niet meer opendoen. Ze durven zelfs niet meer denken wat ze voelen, want de als Sinterklaas verklede Zwarte Pieten voeren een waar schrikbewind. Je zou zelfs kunnen zeggen dat ze de samenleving terroriseren. Het verschijnsel is niet nieuw, en de politieke correctheid roept dan ook nare herinneringen op. Verbijsterend genoeg zijn deze terroristen zich van geen kwaad bewust. Ze hebben totaal geen weet noch van de schijnheilige Sinterklaas in hen, noch van de grimmige Zwarte Piet, noch van het geraffineerde spel dat die twee onder elkaar spelen. Integendeel, ze beschouwen zichzelf als mensen van goede wil, mensen met een superieur intellect en een superieure moraliteit. De gedachte dat ze wolven in een schaapsvacht zouden zijn, kan volgens hen alleen maar opkomen in een kwaadaardig brein. 

Ze zien inderdaad overal kwaad om zich heen. Racisme, haat, onverdraagzaamheid, discriminatie, populisme, fascisme, extreem-rechts, xenofobie, islamofobie, homofobie, noem maar op: de wereld is ervan vergeven. Tegen al dat kwaad trekken ze ten strijde in de overtuiging dat anders het einde der tijden aanbreekt. Ze hebben een missie: de wereld redden door het kwaad uit te roeien. Alleen weten ze niet dat het hun eigen kwaad is dat ze op anderen projecteren en waardoor ze zich omringd zien. Ze beseffen niet dat het hun eigen Zwarte Piet is die ze in anderen bevechten. Verre van daardoor Sinterklaas te worden, veranderen ze in een bron van haat. Want de mensen die door hen tot zondebok worden gemaakt – en dat is iedereen die niet is zoals zij – pikken het niet om met alle zonden Israëls te worden beladen. Ze retourneren de eindeloze stroom van beschuldigingen die van de Gutmenschen uitgaat. Dat wekt bij deze laatsten grote verontwaardiging: hoe durven deze inferieure mensen hen, de superieuren, ervan te beschuldigen kwaadaardig te zijn! En ze verdubbelen hun pogingen om het kwaad te bestrijden. 

Zo ontstaat de vicieuze cirkel van haat en geweld waarin langzaam maar zeker de hele wereld gevangen raakt. Aan de basis ligt de onbewuste wil van de Sinterklazen om hun Zwarte Piet uit te drijven. Wat we vandaag op kleine schaal zien gebeuren – de pogingen om het Sinterklaasfeest stap voor stap te ontdoen van Zwarte Piet – is een beeld van wat ook op grote schaal gebeurt: de pogingen van de moderne mens om het kwaad uit te drijven. Op zich is dat een lovenswaardig streven: men probeert de wereld te verbeteren. Maar het gebeurt zonder inzicht in de mens, blindelings, in een idealistische roes. Men vergeet dat de mens een wezen is dat bestaat uit een Sint en een Piet, uit een hoger zelf en een lager zelf, en dat het de bedoeling is dat die twee samenwerken zoals we dat op 6 december zien. Die samenwerking is een zegen voor het kind-in-de-mens, want zonder Zwarte Piet kan de Sint zijn geschenken niet op aarde brengen (zo diep kan hij niet afdalen) en zonder Sint heeft het geen zin dat Zwarte Piet door schoorstenen kruipt (hij maakt de kinderen dan alleen maar bang). 

De Wim Vanseverens dezer wereld proberen Sinterklaas en Zwarte Piet van elkaar te scheiden. Ze denken goede mensen te worden door het kwaad (of wat zij als kwaad zien) af te stoten. Wat ze niet beseffen, is dat het daardoor met verdubbelde kracht terugkomt, want het hoort bij de mens. De mens bestaat uit een hoger, ideaal zelf en een lager, reëel zelf, en hij kan die twee wel onderscheiden, maar hij kan ze nooit scheiden. Dat hij dat toch probeert, getuigt van een verregaand gebrek aan inzicht in het wezen van de mens. Dat gebrek aan inzicht is een gevolg van het steeds dieper in de mens doordringende materialisme, hetzelfde materialisme dat van Sinterklaas en Zwarte Piet twee concrete, tastbare personen maakt die in ieder shoppingcenter voorhanden zijn en die niets meer aan de verbeelding overlaten. Uiteraard kunnen die gematerialiseerde Sint en Piet van elkaar gescheiden worden, maar als beeld kunnen ze dat niet. In de wereld van de verbeelding zijn ze onafscheidelijk. En een kind begrijpt dat, want het denkt nog in beelden, het leeft nog in zijn verbeelding.  

Het traditionele Sinterklaasfeest riep de verbeeldingskracht van het kind wakker. Daardoor vormde het in zijn ziel een levendig, complex en diepzinnig beeld van de mens, een beeld dat vervolgens in zijn onderbewustzijn wegzonk en van daaruit verder werkte. Het moderne Sinterklaasfeest laat nauwelijks nog iets aan de verbeelding over. De hele heisa rond het feest, met protesten, rellen en politiebescherming, geeft de doodsteek aan het verbeeldingsaspect ervan. Het haalt het kind uit de droom, maakt het wakker en berooft het van het mensbeeld dat het aan de hand van dit feest in zijn ziel had kunnen opbouwen, een mensbeeld waarin hoger en lager zelf een complexe eenheid vormen. In plaats daarvan nestelt zich in de ziel van het kleine kind het beeld van de tegenstrijdige mens die de scherpe tegenstelling in zijn ziel alleen maar kan oplossen door de ‘slechte’ pool, de Zwarte Piet, uit te schakelen. Hoe dieper dat beeld doordringt in het onderbewuste van de (opgroeiende) mens, met des te meer kracht probeert het zich te realiseren. En zo worden we allemaal Zwarte Pieten: omdat we Zwarte Piet proberen af te schaffen. 

Trumpe l’oeil

  

White Guilt

  
Het Pietenpact is de zoveelste poging van een politiek-culturele elite om het blanke schuldgevoel aan te zwengelen en te manipuleren voor eigen roem en glorie. Dat inzicht werd me bijgebracht door de zwarte Amerikaan Shelby Steele in zijn briljant essay White Guilt. Shelby Steele heeft het natuurlijk niet over het Pietenpact, maar over de problemen van de zwarte gemeenschap in de Verenigde Staten. De thesis van zijn essay luidt dat zwarten en blanken samen de belofte van het burgerrechtentijdperk hebben vernietigd. Hoe hebben ze dat klaargespeeld?

De jaren zestig brachten een cultuuromslag: een vanzelfsprekend blank superioriteitsgevoel maakte plaats voor een al even vanzelfsprekend blank schuldgevoel. Zwarte activisten zagen daarin een opportuniteit om van de blanke meerderheid allerlei concessies af te dwingen, zoals affirmative action (positieve discriminatie) en quota. Blank schuldgevoel was ook een handig excuus om elke verantwoordelijkheid voor het eigen lot af te wijzen en volledig in handen te leggen van de blanke overheid. White liberals (progressieve intellectuelen) schaarden zich achter die visie, voor zover ze die al niet zelf vorm hadden gegeven. De Amerikaanse instellingen werden beschuldigd van ‘structureel racisme’, vooral toen bleek dat op het terrein nog maar weinig echte racisten te vinden waren. Zwarte activisten en white liberals werden kampioenen in morele verontwaardiging. Elk racistisch incident, hoe futiel ook, werd geduid als het tipje van de ijsberg, en moest aantonen dat de maatschappij van hoog tot laag doordrongen was van racisme.

Shelby Steel beschouwt die evolutie als een tragisch keerpunt in de lange strijd van de zwarte Amerikanen voor een beter leven. De verantwoordelijkheid voor alle problemen bij ‘de blanke man’ leggen werkte contraproductief. De persoonlijke verantwoordelijkheid werd uitgehold en de maatschappij werd geculpabiliseerd. De zwarte gemeenschap mocht niet worden aangesproken op de hoge criminaliteitscijfers, de zwakke academische prestaties en het ontzettend hoge aantal buitenechtelijke geboorten. Zoiets doen was racistisch, dat was blaming the victim. Het gevolg was dat de zwarte gemeenschap zich nestelde in haar slachtofferrol.

De liberal elite werd de promotor van het blanke schuldgevoel, en moedigde de gevoelens van slachtofferschap bij de zwarten aan. Maar, zo stelt Shelby, die blanke elite deed dat niet vanuit een oprechte bekommernis voor de zwarte Amerikaan. Ze deed dat om haar morele superioriteit te etaleren en zich te dissociëren van de doorsnee blanke Amerikaan, die het etiket ‘racist’ kreeg opgekleefd. White liberals kenden de zwarte Amerikaan meestal alleen maar van horen zeggen, en hun narcisme maakte hen blind voor de realiteit. Wie hen met de realiteit confronteerde werd verketterd.

Doet dit alles geen belletje rinkelen, lezer? Wat Shelby Steele schrijft in White Guilt is mutatis mutandis toepasbaar op Vlaanderen, op het debat over discriminatie en racisme, ja zelfs op het Pietenpact. Opiniemakers van bij ons spiegelen zich aan de Amerikaanse liberal elite, gekleurde activisten verwijzen naar Black Lives Matter en dwepen met Malcolm X. Beiden spelen in op een blank schuldgevoel dat ook bij ons bestaat, al hebben wij in tegenstelling tot de Amerikanen geen slavernij gekend. Maar met het Pietenpact stoot die aanpak op haar limieten, tot verbijstering van zowel activisten als opiniemakers. Je hoeft er maar De Standaard op na te lezen.

(Miel Swillens)

Bron: Doorbraak.be