Het onderworpen beeld

door lievendebrouwere

  
Het is een traditie geworden: op mijn verjaardag ga ik naar Gent om mezelf wat te verwennen. Want altijd maar werken, werken, werken, dat is niet goed voor een mens. En dus kroop ik zaterdag op de fiets en reed langs de Schelde, dwars door de herfst, naar de drakenstad. Het was er druk, onaangenaam druk en ik haastte me naar de Fnac met het vage plan mezelf het nieuwe stripboek van Judith Vanistendael kado te doen. Ik hou wel van de tekeningen die ze maakt, ze hebben iets kinderlijks, iets argeloos. Bovendien maakt Judith – de dochter van de dichter – deel uit van de generatie die opnieuw is beginnen tekenen. Toen ik haar leeftijd had, werd er niet meer  getekend. De kunstpaus had er de banvloek over uitgesproken en de gelovigen vloekten mee. Tekenaars voelden zich als onkruid dat met bijtende stoffen verdelgd werd. 

Maar zie, vandaag schiet dat onkruid weer op. Dat merkte ik toen ik de boekenafdeling bereikte: massa’s strips stonden er, naast massa’s kinderboeken, en daarin werd getekend dat het een lieve lust was. Alhoewel, lieve lust? Juist datgene wat ik in de tekeningen van Judith Vanistendael zo apprecieer, het tekenen om het plezier van het tekenen, viel ver te zoeken. Met name haar nieuwe boek viel danig tegen. Niet alleen stonk het – boeken horen goed te ruiken of helemaal niet te ruiken – maar de tekeningen waren mager en schraal. Tja, wat had ik eigenlijk verwacht! Een boek van bijna 400 bladzijden, met op iedere bladzijde een tiental tekeningen: dat kan niet anders dan dunne spoeling opleveren! Ik las achteraf dat Judith er een ‘tekenarm’ had aan overgehouden. Ik wist niet eens dat zoiets bestond. 

Nochtans heb ik vroeger zelf veel getekend, van ’s morgens tot ’s avonds, soms meer dan 10 uur aan één stuk, onder grote druk. Maar van een ‘tekenarm’ heb ik nooit last gehad. Zo’n arm hou je volgens mij niet over aan het tekenen zelf, maar aan de manier van tekenen, aan het soort tekenen. En in het geval van Judith en haar generatie is dat: tekenen in dienst van het woord. Die dienstbaarheid is de prijs die tekenaars vandaag betalen om überhaupt nog te kunnen tekenen. Het is de prijs die de hele kunst betaalt: als ze zich niet onderwerpt aan het woord, heeft ze geen recht van bestaan meer. En uiteindelijk is dat het lot van heel onze beschaving: we zijn slaaf geworden van woorden, ideeën, abstracties. Lelijkheid, vernieling, bloederig geweld? Dat zijn slechts beelden, die zijn van geen tel.      

Judith Vanistendael heeft al duizenden tekeningen gemaakt in dienst van het woord, in dienst van een verhaal. Ze heeft er bekendheid mee verworven, ze is ermee in de prijzen gevallen, ze heeft onderscheidingen gekregen, ze wordt gesubsidieerd, ze kan leven van haar kunst. Een droom! Maar het gaat wel ten koste van haar tekeningen en dat is triest om zien. Af en toe tekent en schildert ze voor haar plezier, af en toe ontsnapt ze aan de onderdanigheid en de dienstbaarheid, en dan zie je wat ze kan. Dan maakt ze mooie, hartverwarmende dingen, tekeningen die het hart aanspreken en niet het hoofd. En daar gaat het tenslotte om. Want waarom zou er anders kunst moeten zijn? Om met beelden te zeggen wat woorden ook al zeggen, en veel beter zeggen? Om met beelden ideeën te illustreren zoals vrouwen vroeger mannen ‘illustreerden’? 

Ja, de kunst, en vooral dan de beeldende kunst, bevindt zich vandaag in dezelfde situatie waarin vrouwen zich honderd jaar geleden nog bevonden. Van zichzelf heeft de kunst geen reden van bestaan meer. Beelden ontlenen hun enige bestaansrecht aan (mannelijke) woorden en ideeën. Alleen als ze zich daaraan onderwerpen, worden ze geprezen. Hoe groter hun dienstbaarheid, hoe groter de lofprijzingen. Nergens worden beelden zo de hemel in geprezen als in de hedendaagse kunst, waar ze zo dienstbaar, zo onderdanig, zo slaafs zijn dat ze zichzelf vernietigen. Juist die zelfvernietigende onderworpenheid aan de idee wordt op gejuich onthaald. In de stripwereld is de onderdanigheid een stuk minder – het beeld mag daar nog als beeld blijven bestaan – maar de waardering is dan ook navenant.

Zou Judith Vanistendael zich bewust zijn van die onderdanigheid? Zou ze beseffen in welke vernederende situatie de kunst zich bevindt? Het is niet iets wat je haar kunt vragen, want de vraag houdt een scherpe kritiek in. Ze betekent: hoe jammer toch dat je je talent verspilt aan strips, je kunt zoveel beter! Maar dat ‘kunnen’ is natuurlijk relatief. Als ze geen strips tekende, zou ze wellicht helemaal niet meer kunnen tekenen. Ze zou dan om den brode ergens op kantoor moeten gaan werken en alleen nog in haar vrije tijd tekenen. Maar hoelang zou ze dat volhouden? Misschien zou ze zich aansluiten bij de ‘urban sketchers’, een soort vrije associatie van mensen die het tekenen niet kunnen laten en elkaar ontmoeten op straat, om in een klein schetsboekje te tekenen, bijna stiekem, alsof ze iets illegaals deden. 

Wat een verschil met de gefêteerde schrijvers en illustratoren die momenteel op de boekenbeurs zitten te signeren, die in de schijnwerpers staan, wier namen over de lippen van de kunstliefhebbers rollen, en vooral: die straks weer al hun tijd aan het tekenen kunnen besteden! Zo’n discrepantie houdt op de lange duur niemand vol. De kunstgeschiedenis is daar het beste voorbeeld van. Toen de impressionisten de schilderkunst bevrijdden uit haar dienstbaarheid aan woorden en ideeën liet de reactie niet lang op zich wachten. De hedendaagse kunst verscheen op het toneel en de kunstenaars wierpen zich opnieuw in de armen van het woord. Hun onderdanigheid kende geen grenzen. Van de autonomie van het beeld blijft vandaag niets meer over. Beelden zonder woorden worden geen blik waard geacht.

Zo reageert de wereld op de emancipatie van het beeld, op de vrijheid van de kunst: met niets ontziend geweld. En het ergste is dat dit nu ook in de werkelijkheid gebeurt. De moderne, Westerse mens staat vandaag bloot aan een vernietigende reactie. Zijn vrijheid is een doorn in het oog van ‘de wereld’. Hij moet en hij zal weer onderworpen worden. Lang zal het niet meer duren voor niemand nog zijn mond zal durven opendoen uit schrik voor represailles. De opvolgers van de kunstpausen staan al klaar. Als onheilsprofeten met lange baarden roepen ze hel en verdoemenis af over de vrije mens. En net als Judith Vanistendael zal die vrije mens geen andere keuze hebben dan zich te onderwerpen, aan het boek, aan het woord, aan de idee. Anders zal hij het niet volhouden, anders zal hij het niet overleven. 

Advertenties