De revolutionair en de blote poep

door lievendebrouwere

  

Bovenstaande poster hing vroeger op mijn kot toen ik student was in Leuven. Hij dook in mijn herinnering op toen ik vernam dat Fidel Castro gestorven was. Tegenover die blote poep hing namelijk een groot portret van Che Guevara dat ik in houtskool had getekend. Wie Che Guevara precies was wist ik niet, ik wist alleen dat hij heel cool was. Hij zag eruit als een hedendaagse held en dat gaf wat kleur aan het in mijn ogen zo grauwe studentenbestaan. Ik had veel liever academie gelopen, maar in plaats van te tekenen en te schilderen, zat ik tussen vier witte muren dikke cursussen uit m’n hoofd te blokken. Ik deed dat op Camilo Torres, een enorm betonnen gebouwencomplex waar honderden studenten een kot hadden. Torres stond bekend als een ‘links nest’, maar daar was ik me totaal niet van bewust. Ik had ervoor gekozen omdat het goedkoop was: omgerekend zo’n 35 euro per maand. Toen ik er mijn intrek nam, wist ik niet eens wat links of rechts betekende.

Links, dat bleken de schreeuwlelijkerds te zijn die aan de ingang van het studentenrestaurant stonden te zwaaien met stencils en riepen dat alle macht aan de arbeiders toekwam. Niet alleen boezemde hun grimmige ernst me afkeer in, maar ik begreep ook niet wat die langharige profeten te maken hadden met arbeiders. Ik kende wel niet veel arbeiders, maar ik was er zeker van dat ze mijn afkeer zouden gedeeld hebben. Later namen deze stencilventers het voortouw in de zogenaamde studentenstakingen. Een belachelijk concept vond ik dat. Wie lag er nu wakker van studenten die niet naar de les gingen! Dat vond ik juist één van de grote voordelen van het studentenleven: het kon niemand wat schelen als je thuisbleef. Het werd niet eens opgemerkt. Dus waar sloeg dat op, een studentenstaking? Het kwam erop neer dat lesgeven verhinderd werd. Dat gebeurde soms heel brutaal. De revolutionairen kwamen dan de les binnengestormd, rukten de professor de microfoon uit de hand en begonnen allerlei leuzen te skanderen. 

Dat de les niet kon doorgaan, stoorde me allerminst. Ik had geen greintje respect voor het hele universitaire gebeuren. Maar de arrogantie en agressie van de linkse studenten stootten me tegen de borst. Ze zagen er niet alleen uit als barbaren en ze gedroegen zich ook zo. Toen ik weigerde te applaudisseren voor hun heroïsche acties scholden ze me uit voor fascist. Het was de eerste keer dat ik het woord hoorde maar ik begreep dat het niet veel goeds betekende. Het raakte echter m’n koude kleren niet, want ik kende de schreeuwers. Ze woonden ook op Camilo Torres en iedere maandag werden ze daar in een blinkende Mercedes door papa of mama afgeleverd. Rijkeluiszoontjes die in Leuven voor revolutionair kwamen spelen! Nee, ik was van meet af aan immuun voor hun marxistische, leninistische of maoïstische overtuigingen. Ik sloot er mij innerlijk voor af zoals ik me ook afsloot voor wat ik in de les te horen kreeg. Het was in mijn ogen allemaal één pot nat: intellectualistische, abstracte, dode ideeën. 

Het verband tussen intellectualische ideeën en brutaal gedrag was één de dingen die mij duidelijk werden aan de universiteit. Aanvankelijk kon ik niet begrijpen hoe studenten, die toch tot de meest ontwikkelde leden van de maatschappij behoorden, zich zo beestachtig konden gedragen. Met afschuw keek ik naar de leslokalen, die de sporen droegen van hun verregaande gebrek aan respect. Maar ik ondervond zelf welke werking al die dode leerstof had op een mens: ze riep ter compensatie de ‘levende’ driften wakker. In mijn jaren aan de academie had ik dat nooit meegemaakt. Daar werkten we juist met die driften, we hadden ze nodig om leven te krijgen in onze tekeningen. Maar tegelijk worstelden we er hevig mee, want als ze de overhand kregen, vernietigden ze de vorm. En die vorm, daar ging het juist om. Met ideeën hielden we ons niet bezig, tenzij bij wijze van ontspanning. Niemand kreeg het in zijn hoofd om op grond van ideeën de lessen te verstoren. Het waren trouwens geen lessen, het was werk. 

Ik had een kot op Camillo Torres, en aan de muur hing een portret van Che Guevara, maar met linkse ideeën had dat niks te maken. Wat konden ideeën – linkse of rechtse – mij schelen! Ik was een dromer, ik leefde in een wereld van beelden. Reeds in de humaniora zag ik hoe mijn medeleerlingen veel wakkerder waren dan ikzelf. Ze lazen kranten, ze lazen Humo, ze dachten na over politiek. Mij interesseerde maar één ding: kunst. De rest liet me koud. Mijn schoolresultaten gingen dan ook in vrije val. Ik begon als eerste maar eindigde als laatste van de klas. Toch twijfelde ik nooit aan mijn verstand, integendeel. Zoals mijn tekenleraar ooit zei: wij, leerlingen van de academie, voelden ons mijlenver verheven boven die onnozelaars die naar school gingen. Wie tekent of schildert, gebruikt ook zijn verstand, maar hij gebruikt het uit vrije wil en hij gebruikt het omdat hij iets wil maken. Op school maak je niks, je gebruik er je verstand alleen omdat het moet, omdat het goedkeuring, geld en aanzien oplevert. 

Zo zag ik ook de universiteit: als een noodzakelijk kwaad. In dat ‘noodzakelijk’ vergiste ik mij, want ik heb nooit iets met mijn diploma aangevangen. Maar in het kwaad vergiste ik mij niet. Als kind was ik een braaf jongetje, maar wat liegen en bedriegen is heb ik op school geleerd. En in Leuven heb ik er de vruchten van geplukt. Ik kon mijn ogen niet geloven toen ik ondervond hoe gemakkelijk die professoren om de tuin te leiden waren. Moesten dát intelligente lieden voorstellen? Ik belazerde hen zonder de minste scrupules want ik had geen enkel respect voor hun dorre, intellectualistische denken. Maar ik schaamde mij wel voor alle tijd en energie die ik aan hen en hun universiteit verspilde. Gelukkig maakte het contact met andere studenten – vooral vrouwelijke – veel goed. Ook aan Camilo Torres heb ik mooie herinneringen. Wat hebben we daar de beest uitgehangen! We slaagden er zelfs in om de linkse, progressieve, ruimdenkende directie in alle staten te brengen. 

Dat is intussen al meer dan 40 jaar geleden. Camilo Torres bestaat nog altijd, heb ik op het internet gezien. Beton breek je zomaar niet af. Ook de linkse, langharige profeten van weleer bestaan nog altijd. Ze zijn naar de kapper geweest, dragen een keurig kostuum en rijden in blinkende Mercedessen, maar van binnen zijn ze nog geen spat veranderd. Nog altijd roepen ze dezelfde holle leuzen, nog altijd etaleren ze dezelfde brutaliteit. En wie niet voor hen applaudisseert, is nog altijd een vuile fascist. Hoe abstracter de ideeën, hoe lager de driften! Het enige wat die vicieuze cirkel kan doen stoppen is de kunst. Die is echter zelf het slachtoffer geworden van de splijtende krachten die verstand en driften uiteendrijven en aanwakkeren. Ik was destijds een dromer die niks van politiek afwist, maar uit de twee posters die ik op mijn kot had opgehangen – de coole revolutionair en de blote poep – blijkt nu dat ik intuïtief begreep waar het om ging. Het is een schrale troost nu kunstenaars zelf barbaarse profeten zijn geworden. 

Advertenties