Continuïteit

door lievendebrouwere

  
Vanmorgen zaten we te ontbijten en keken als gewoonlijk door het raam. We zagen een muisje op de houten paaltjes springen waarmee ons (enige) bloemperkje afgezoomd is. Daarna sprong het in het gras om even later weer op de paaltjes te springen en in het bloemperk te verdwijnen. Wel twintig keer sprong het heen en weer op en af die paaltjes. 21 jaar al zitten we aan het keukenraam te eten en naar buiten te kijken, maar nog nooit hebben we een muisje gezien. Roodborstjes wel, en mussen en merels en eksters en kauwen en vinken. Maar muisjes? Die zaten alleen in huis, dachten we. 

Even later was ik in de tuin aan het rommelen toen een vlinder, een mooie dagpauwoog, om me heen kwam fladderen. Een vlinder in december? Ik keek omhoog of ik de twee tortelduifjes niet zag die al zolang we ons kunnen herinneren in de tuin wonen. Als ze niet op de electriciteitsdraad zitten, zitten ze op het afdak of in een boom. Maar nu zag ik ze niet. Waar zouden ze zijn? Hebben ze ook besloten om te verhuizen? Zijn ze wellicht onderweg naar Scheldewindeke? Dat zou leuk zijn. Maar zover zal de natuur het wel niet drijven, al mag je haar niet onderschatten.

Toen we nog in Melle woonden, was ik op een dag samen met mijn vader gazon aan het aanleggen in de tuin. Dat wil zeggen, mijn vader deed het werk en ik liep een beetje in de weg. Vanonder de muur van de buren was een berkje gegroeid. Ik trok het uit en plantte het in het midden van de tuin. Het zal nooit pakken, zei m’n vader, er zitten bijna geen wortels meer aan! Dat zullen we wel eens zien, dacht ik, meer om contrarie te doen dan omdat ik erin geloofde. Maar ik gaf het prille boompje elke dag trouw water en sprak het moed in. Ik gaf het zelfs Bach-druppeltjes, Rescue Remedy, tegen de schok. 

Tien jaar later was de berk uitgegroeid tot een grote, prachtige boom waar de kinderen graag in klommen. Vooral Helena placht tot helemaal in de top de klauteren. De buren kwamen dan in paniek bellen: meneer, meneer, uwe kleine zit helemaal boven in de boom! Ja, zei ik, daar zit ze dikwijls. Maar als ze valt meneer, als ze valt! Ze is nooit uit die boom gevallen, Helena, het was een kindvriendelijke boom. We waren er dan ook zeer aan gehecht. Toen we moesten verhuizen omdat het huis gerenoveerd werd, vroegen we de huisbaas: u zult de berk toch laten staan? Tuurlijk, tuurlijk, antwoordde hij.

Een week later was hij al verdwenen. Aan mootjes gehakt, we konden ze zien liggen. De kinderen waren er het hart van in. Maar ze werden groter en vergaten de berk. Ik echter niet. Ik trok dan ook grote ogen toen ik vanonder de schutting van de buren opnieuw een jonge berk tevoorschijn zag komen. Net als de vorige maakte hij eerst een bocht voor hij verticaal omhoog groeide. Dit keer had ik geen plaats om hem ergens anders te planten, en dus liet ik hem staan, al groeide hij op een onmogelijke plaats. Vandaag is hij grote, mooie berk, die helaas hetzelfde lot als zijn voorganger zal ondergaan. 

Zouden bomen kunnen reïncarneren? Zouden ze hun ‘baasje’ kunnen volgen naar zijn nieuwe huis? Ik heb onze berk alvast verwittigd dat we weggaan en dat hem waarschijnlijk geen lang leven meer beschoren is. Of hij ons wil volgen, heb ik niet gevraagd. Ik hoop het natuurlijk wel. Stel je voor dat er in Scheldewindeke een berk begint te groeien in onze tuin, zomaar uit het niets! Dat zou pas een klein mirakel zijn! Maar mirakels gebeuren niet als je ze verwacht, dus ik reken er niet op. Er staat wel een hulst in onze nieuwe tuin, net als hier in Destelbergen. De continuïteit is dus verzekerd. 

Advertenties