Omhoog, omlaag

door lievendebrouwere

  
Na drie dagen in huis te hebben rondgelummeld, ben ik donderdag voor het eerst op de fiets gekropen om de omgeving te verkennen. Er valt hier veel te verkennen en daar verheug ik me op. Vroeger, in Mechelen, was er binnen een straal van 10 kilometer rond de Sint-Romboutstoren geen straat of zandweg die ik niet kende. Ook in Destelbergen kende ik alle paden, vooral die waar je zelden een mens tegenkomt. Ik hoop dat het hier in Scheldewindeke niet anders zal zijn en dat ze me hierboven de tijd en de gezondheid gunnen om de streek grondig te leren kennen. Ik ben alvast begonnen door de Hundelgemsesteenweg, de steenweg die naar de Vlaamse Ardennen leidt, helemaal af te fietsen tot in … jawel, Hundelgem. Al een geluk dat ik een nieuwe fiets heb, want heuvels, dat is nieuw voor me. Gelukkig ben ik oud en wijs genoeg geworden om gewoon af te stappen als het me te steil wordt en te voet verder te gaan. Iedereen denkt dan wel dat ik een platte band heb, maar er zijn erger dingen in het leven. 

Dat heuvellandschap is toch wel bijzonder. Ik ben een West-Vlaming die geboren en getogen is in de provincie Antwerpen: allemaal vlak land dus, ik kan me geen heuvel herinneren. En nu, op mijn oude dag, gaat het omhoog en omlaag. Wat zou dát te betekenen hebben? Alvast dat ik harder moet duwen. ’s Avonds lag ik om halftien al in m’n bed. Bobijntje helemaal af. Wellicht ook een overdosis frisse lucht. Toen ik verleden week in Destelbergen de ‘hangar’ opruimde, trof ik daar een tafeltje aan dat ik vlug even schoonmaakte met een papieren zakdoekje. Na afloop bleek het helemaal zwart te zijn, echt zwart, niet zomaar vuil. Dat gaf me toch een kleine schok. Wat doet het met een mens zijn longen als hij 21 jaar naast zo’n roetspuwende steenweg woont? En dan zwijg ik nog van de autostrade. Ik denk dus niet dat het inbeelding is als ik de lucht hier in Scheldewindeke een stuk frisser en properder vind. En ’s avonds geurt ze heerlijk naar het hout dat hier alom verstookt wordt.

Fietsend langs de vreselijk lawaaierige (want betonnen) Hundelgemsesteenweg, zag ik tussen de huizen door af en toe verlokkelijke vergezichten. Ik durfde de steenweg echter niet te verlaten uit vrees verloren te rijden – als ik eenmaal begin te verkennen is er geen houden meer aan. Wat me trof was het dubbele karakter van die huizen. Aan de voorkant bevonden ze zich in de drukte, het lawaai en de lelijkheid van de moderne wereld, aan de achterkant heerste de vrede van een landschap dat waarschijnlijk al in eeuwen niet meer veranderd is. Ik voelde die tegenstelling ook in mijn ziel. Hoe heerlijk moet het niet zijn om diep in de Vlaamse Ardennen, alleen en van geen mens gestoord, op zo’n heuveltop te wonen en uit te kijken over de weidse verten! Helaas ben je dan ook afgesneden van alles wat het leven in de stad opwindend maakt: de winkels, de drukte, de scholen, de gebouwen, de tentoonstellingen, de concerten, de evenementen, enzovoort. Geen eenvoudige keuze, dat is zeker. 

Die keuze wordt in onze tijd verdoezeld door het feit dat iedereen een auto heeft en dat er overal gebetonneerde en geasfalteerde wegen liggen. Maar tijdens het fietsen waren er momenten dat ik nog een vaag aanvoelen had van hoe het leven hier 100 jaar geleden was. Dat moet geen onverdeeld plezier zijn geweest. Ik kan het (een beetje) weten want ik heb de afgelopen tien jaar gestookt met kolen, zoals dat toendertijd gebruikelijk was. Kolen zijn goedkoper dan stookolie (en ze stinken ook niet zo), maar op de duur gaat het toch wegen, dat dagelijks sleuren met kolen, dat wegkieperen van de assen, die voortdurende zorg om de kachel brandend te houden, al dat stof en gruis. Hier in ons nieuwe huis staan twee gaskachels: ’s morgens hoef ik maar aan een knopje te draaien en tien minuten later is het warm. Wat een luxe! En er komt zelfs warm water uit de kraan, stel je voor! Dat bestond honderd jaar geleden allemaal niet, zeker niet in de dorpen die ik donderdag gepasseerd ben.

Daar staat dan weer tegenover dat de warmte van kolen veel aangenamer is dan die van mazout of gas. En dat kan als een metafoor gelden. Ik was gisteren nog geen kwartier onderweg of er stopte een camionette naast me. Een oudere man – hij had nog drie tanden in zijn mond – vroeg me waar een bepaalde straat was. Ik vertelde hem dat ik hier pas was komen wonen en dat de Hundelgemsesteenweg de enige straat was die ik kende. Tedju, tedju, antwoordde hij. Ook hij belichaamde een tegenstelling: aan de buitenkant zag hij er niet erg presentabel uit, maar aan de binnenkant, dat voelde je, was hij als een kolenkachel: zacht, aangenaam en niet opdringerig. Wat een verschil met de keurig verzorgde kerel (ongetwijfeld met een stralend wit gebit) die me even later bijna van de weg reed met zijn Mercedes! Het leven was vroeger harder, maar de mensen waren zachter. Vandaag is het omgekeerd: het leven is zacht en comfortabel, maar de mensen zijn hard geworden. 

Merkwaardig toch dat ik op mijn allereerste fietstocht al meteen iemand ontmoet die als het ware belichaamt wat deze streek vroeger moet geweest zijn! Waarschijnlijk is ze dat nog – een genius loci verandert zomaar niet, lijkt me – maar die geest wordt vandaag aan de waarneming onttrokken door de talloze huizen die hier na de oorlog gebouwd zijn. Hier en daar zie je nog een oud huis dat het karakter van de streek uitdrukt, en dat nog gebouwd is door mensen die (zonder dat zelf te beseffen) verbonden waren met de geest van de streek. Die geest is het die ik wil leren kennen. Het feit dat hij me begroet heeft in de persoon van de man-met-de-drie-tanden geeft me een gevoel van welkom. Door me de weg te vragen liet de geest blijken door mij gekend te willen worden. Het is tenslotte altijd door een buitenstaander dat je het best gekend wordt. Ik kijk alvast uit naar de kennismaking. Het is voor mij immers nog altijd een open vraag waarom ik uitgerekend in deze heuvelachtige streek, in dit Scheldewindeke-zonder-Schelde terecht moest komen. 

Advertenties