Over God

door lievendebrouwere

  

Over God. Zo heet het jongste boek(je) van Etienne Vermeersch. De krasse tachtiger trekt er naar verluidt volle zalen mee. Sta me toe dat vreemd te vinden. Vermeersch verkondigt al zijn hele leven dat (de christelijke) God niet bestaat. Waarom hij dat vandaag nog altijd doet, is mij een raadsel. Het geloof in God stelt in Vlaanderen immers niets meer voor. Het heeft alle kracht en invloed verloren, getuige de lege kerken en de teloorgang van de christendemocraten. Ik begrijp dan ook niet waarom iemand anno 2016 naar zo’n Godsontkenner zou gaan luisteren. Gelovigen trekken zich volgens mij niks aan van bejaarde professoren die menen te kunnen bewijzen dat God niet bestaat, en ongelovigen evenmin. Dus wie zijn al de mensen die dat boek van Etienne Vermeersch lezen en naar hem gaan luisteren? 

Ik herinner me nog hoe ik zelf van mijn geloof ‘afviel’. Dat gebeurde zonder een greintje moeite of pijn, als een appel die van de boom valt. Mijn geloof stelde sowieso al niet veel voor, en toen ik eenmaal ontwaakt was uit de droom bleef er niks meer van over. De hele geloofskwestie wekte hoogstens nog een gevoel van verveling in me op. Later, aan de universiteit, leerde ik studenten kennen die zich hevig konden opwinden als geloof of religie ter sprake kwamen. Ik vond dat vermakelijk. Waarom maakten ze zich zo druk over zaken waarin ze beweerden niet meer te geloven? Blijkbaar hadden ze zich nog niet helemaal losgemaakt van hun katholieke opvoeding en moesten ze er nog altijd tegen vechten. Het was een ervaring die ik niet kende. Ik heb nooit gevochten tegen mijn katholieke opvoeding. 

Pas toen ik wilde trouwen en daarvoor de toestemming nodig had van een pastoor die ik van haar noch pluimen kende, kwam ik voor het eerst in aanraking met een katholicisme dat me tegen de borst stootte. Na een uitgebreide en vriendelijke kennismaking vroeg de man opeens of ik in God geloofde. Ik antwoordde naar waarheid dat ik dat niet deed. Waarop hij verklaarde dat hij me dan geen toestemming kon geven om te trouwen. Ik stond perplex. Natuurlijk sloeg het nergens op dat een ongelovige voor de kerk wilde trouwen en de zwartrok had alle gelijk van de wereld om me zijn fiat te weigeren. Maar God nog aan toe, wat zouden mensen zoals hij nog te doen hebben als mensen zoals ik niet langer voor de kerk wilden trouwen! Dat begreep hij blijkbaar zelf ook, want hij bood me een uitweg: misschien deed ik het uit liefde voor mijn toekomstige vrouw? 

Op dat moment werd me de slangachtige natuur van deze jezuïet duidelijk. Hij had me in de val gelokt, hij dwong me om even schijnheilig te zijn als hijzelf. Ik begon iets te begrijpen van de woede die ik in Leuven bij mijn medestudenten had gezien. De week daarop moest ik samen met An naar de pastoor van haar parochie. Hij ontving ons hartelijk, maar ik was op mijn hoede. Terwijl hij samen met An herinneringen ophaalde, wierp ik een blik op de papieren die voor hem lagen. ‘Gelooft niet in God!!!‘, zag ik staan, drie keer onderstreept en met drie uitroeptekens. Lap, dacht ik, daar heb je ’t al! Het was het verslag van zijn Antwerpse collega. Tot mijn verbazing repte de joviale West-Vlaamse pastoor er echter met geen woord over. Hij vroeg helemaal niet naar ons geloof, hij was maar al te blij dat we in zijn kerk wilden trouwen. 

Voor het eerst realiseerde ik mij dat er twee soorten katholieken bestonden: fundamentalisten en realisten. Die had je trouwens niet alleen onder de pastoors. Mijn vader was een gelovig mens, en toen ik van mij geloof afviel, kon hij dat niet begrijpen. Maar hij accepteerde het, hij viel er mij niet mee lastig. Mijn schoonvader was ook gelovig, maar op een heel andere manier. Hij worstelde met zijn geloof, en tijdens een nachtelijk gesprek dat ik ooit met hem voerde, bleek dat hij nog wel wilde geloven maar het niet meer kon. Zijn verstand verbood het hem. En juist deze gekwelde man vol twijfels was een fundamentalist die eisen stelde en regels oplegde. Hij vertegenwoordigde een wereld die mij onbekend was en ik trok grote ogen. Als het van hem had afgehangen, zouden An en ik nooit getrouwd zijn.

Geloof en fundamentalisme zijn niet hetzelfde. De oorspronkelijke betekenis van geloof is vertrouwen: vertrouwen in het leven, vertrouwen in de zin ervan, vertrouwen dat het uiteindelijk allemaal goed komt. Dat kan niet anders dan een vertrouwen zijn in hogere, geestelijke instanties, want als alles alleen van de mens afhing, zou vertrouwen een kinderlijke illusie zijn. Dit oervertrouwen, dit geloof in een ‘hogere wereld’ is de mens aangeboren, dat zie je aan een kind. Maar in de loop van het leven wordt dat geloof beproefd en ontstaan er vragen. Daarom is er een godsdienst nodig die het oergeloof in beelden en woorden giet. En naarmate het aangeboren vertrouwen zwakker wordt, ‘verstenen’ die beelden en woorden, en gaat de mens er zich aan vastklampen: de godsdienst wordt langzaam maar zeker fundamentalistisch. 

Onlangs zag ik de tv-serie Hell on Wheels, over de verovering van het Wilde Westen. Geslaagd is de serie niet te noemen, maar ze geeft wel een idee van de barbaarsheid die toen heerstte. Het leven moet bijzonder hard zijn geweest in die dagen, zo hard dat het moeilijk was nog vertrouwen te hebben. Vandaar wellicht het religieuze fundamentalisme in Amerika, vooral op het platteland, waar het leven nog altijd hard is. Europeanen kunnen de soms fanatieke Amerikaanse godsdienstigheid moeilijk begrijpen, maar ze leven dan ook in veiliger en comfortabeler omstandigheden dan heel wat Amerikanen. Ze hebben geen geloof in God meer nodig, ze kunnen hun vertrouwen stellen in het materiële leven. De meest ‘comfortabelen’ – de intellectuelen – zijn dan ook over de hele lijn atheïstisch. 

Juist daarom is het zo vreemd dat die verwende intellectuele klasse haar atheïsme belijdt als was het een fundamentalistische religie. Ik sta altijd weer te kijken van het fanatisme van die zogenaamde ‘ongelovigen’. Niet zelden beginnen ze (althans op het internet) meteen te schelden als ze merken dat je gelovig bent. Een redelijk gesprek met hen voeren, lijkt niet tot de mogelijkheden te behoren. Etienne Vermeersch, dat moet gezegd, is een uitzondering. Hij respecteert zijn gesprekspartners, ook als ze in God geloven. In discussies blijft hij beschaafd, wat van vele andere atheïsten niet kan beweerd worden. Maar toch blijft ook hij ten strijde trekken tegen een vijand die al lang verslagen is. Waarom? Wat bezielt zoveel mensen om de laatste schamele resten van het christelijke Godsgeloof te willen uitroeien? 

Zelf heb ik tijdens mijn atheïstische periode nooit de behoefte gevoeld om anderen van hun geloof te verlossen. Waarom zou ik? Godsdienst was passé, daar twijfelde ik niet aan. Wat er nog van overbleef, zou vanzelf wel verdwijnen. Toen ik echter de antroposofie ontdekte – en als gevolg daarvan ook het christendom weer omarmde – stelde ik tot mijn verbazing vast hoe blij ik was al die bijbelse beelden als kind te hebben leren kennen. De christelijke leer had ik nooit echt ernstig genomen. Ik leerde ze – zoals alle leerstof – uit mijn hoofd en vergat ze weer. De beelden en verhalen daarentegen nam ik onbewust diep in mijn hart op. En toen dat hart opsprong van vreugde omdat het de christelijke oerbeelden weer kon verwelkomen, besefte ik hoe zwaar het geleden had onder mijn atheïsme. 

Cruciaal in mijn opluchting was de vaststelling dat het verleden dan toch geen leugen bleek geweest te zijn. Dat gold niet alleen mijn eigen verleden, maar ook – en misschien zelfs vooral – het verleden van de mensheid. Want die mensheid heeft altijd geloofd in geesten en goden, haar hele bestaan was op dat geloof gebaseerd. Maar nu wordt dat gelovige verleden opeens tot een illusie verklaard, een grootscheeps bedrog. De moderne atheïst is daar zodanig van overtuigd dat hij niet eens stilstaat bij de consequenties. Wat betekent het voor een mens te beseffen dat zijn hele bestaan tot nog toe op een leugen gebaseerd was? Is een mens niet in hoge mate zijn verleden? Zou hij zonder dat verleden zijn wat hij nu is? En komt de ontkenning van dat ‘gelovige’ verleden dus niet neer op een zelfontkenning? 

In de nasleep van de recente Zwarte-Pietdiscussie doken stemmen op die het Sinterklaasfeest wilden afschaffen omdat het een vorm van bedrog zou zijn: ouders maken hun kinderen blaasjes wijs. Dergelijke fundamentalistische reacties liggen in dezelfde lijn als de pietluttige (sic) en overbodige Godsontkenningen van Vermeersch en co. Want welk normaal kind voelt zich nu bedrogen als het verneemt dat het al die tijd zijn ouders waren die voor Sinterklaas speelden? De eventuele teleurstelling daarover wordt ruimschoots gecompenseerd door het besef nu bij ‘de groten’ te horen en geen kind meer te zijn. Waarom kunnen de moderne atheïsten niet op dezelfde natuurlijke en vanzelfsprekende manier reageren op de vaststelling dat God niet bestaat? Waarom gedragen ze zich zo gekrispeerd? 

Zou dat wellicht komen doordat hun teleurstelling niet langer gecompenseerd wordt? Wie kan er nog trots op zijn tot ‘de groten’ te behoren? De oorlogen die in de 20ste eeuw miljoenen slachtoffers hebben geëist, waren beslist geen godsdienstoorlogen. Het waren ‘materialistische’ oorlogen die het einde van (vooral het christelijke) geloof bezegelden en een grote materiële vooruitgang mogelijk maakten. Op die vooruitgang mogen we trots zijn, niemand zou nog willen leven in dezelfde omstandigheden als 100 jaar geleden. Maar die omstandigheden zijn al lang vergeten, onze materiële rijkdom is vanzelfsprekend geworden. En vandaag wordt ons de rekening gepresenteerd, een rekening die ons zo zwaar op de maag ligt dat we met weemoed terugdenken aan de ‘goeie, ouwe tijd’.

Als gevolg van die explosie van materiële rijkdom worden we vandaag geconfronteerd met problemen waar we geen oplossing voor vinden en die op een gigantische ramp dreigen uit te lopen. De teleurstelling over het bedrog van het Gods- of Sinterklaasgeloof wordt met andere woorden niet langer gecompenseerd door het vooruitgangsgeloof, door het besef groter en verstandiger te zijn geworden. Integendeel, het Materialistische Verhaal – dat de Grote Verhalen van vroeger verving – wordt met de dag ongeloofwaardiger. Wat we vandaag meemaken is de teloorgang van alle geloof, het geloof in de geest zowel als het geloof in de materie. Moderne intellectuelen klampen zich nog wel vast aan hun materialistische geloof, maar het feit dat het fundamentalistisch is geworden, wijst erop dat het vertrouwen weg is.

Ik interpreteer het succes van Etienne Vermeersch’ jongste boek dan ook als een uitdrukking van dit fundamentele gebrek aan vertrouwen. Het maakt de moderne materialist – ondanks al zijn materiële kracht – innerlijk zo zwak dat hij niet eens de moed vindt om zich te verdedigen tegen de agressieve islam. Liever bestrijdt hij het machteloze christendom, in een poging om zijn eigen zwakheid te verdoezelen. Vermeersch is in die zin een uitzondering omdat hij het als een van de weinigen durft opnemen tegen de islam. Dat siert hem. Maar het zou hem nog meer sieren als hij zich echt zou losmaken van zijn katholieke verleden. Dan zou er misschien ruimte komen voor een nieuw christendom, want als er iets de Grote Leegte kan vullen en het verloren vertrouwen herstellen, dan is het dat wel. 

Advertenties