Volmaaktheid

door lievendebrouwere

    

Op een zonnige winterochtend – het nieuwe jaar was pas begonnen en de wereld lag er witbevroren bij – wandelde ik door de Windeekse (zo zeggen ze dat hier) velden. De bultige kasseiweg die ik volgde, slingerde zich door het landschap en verdween ergens in de diepte. In de weiden keken paarden en schapen verbluft op toen ik passeerde. Een mens! Dat zagen ze ook niet elke dag. Uit een schoorsteen kringelde wat rook en in de verte zag ik een kerktoren door de nevelen priemen. Veel mooier kon het niet worden en mijn ziel maakte dan ook aanstalten om één te worden met al dat schoons. Maar toen hoorde ik in de verte autogeraas. Verrek! Mijn droom viel aan gruizels. Met pijn in het hart dacht ik aan de tijd toen er nog geen auto’s reden. Het enige wat je toen in Scheldewindeke zou gehoord hebben, waren de bomen, de vogels, een paar honden en een haan. Vergeefs probeerde ik die volmaakte rust weer op te roepen door de autogeluiden weg te denken. Net zoals ik dat in Destelbergen 21 jaar lang had gedaan … 

Ofschoon het in Scheldewindeke veel rustiger is dan in Destelbergen, blijf ik me ergeren. Omdat er nog altijd auto’s te horen zijn, omdat het hier niet helemáál stil is. Die vaststelling trof me: blijkbaar was er niks wezenlijks veranderd. Maar ik zou er waarschijnlijk niet zijn blijven bij stilstaan, als An me een paar dagen later niet had verteld over problemen op school, problemen die, zoals zo vaak, veroorzaakt werden door spanningen tussen oude en jonge zielen. Ik herkende ze maar al te goed, de eeuwige onvrede van de oude zielen, hun onvermogen om de zaken te accepteren zoals ze zijn. Zo heb ik alle reden om opgetogen te zijn over het feit dat we nu in Scheldewindeke wonen. Nog maar een paar maanden geleden wisten we van geen hout pijlen te maken en vandaag wonen we in een huis met een tuin, ver van iedere autostrade. Dat is meer dan ik had durven hopen, en toch slaat de onvrede alweer toe. Dit keer niet omdat er zoveel lawaai is, maar omgekeerd, omdat er zo weinig lawaai is, omdat de volmaakte stilte hier vlakbij is. 

Dat oude-zielenverlangen naar volmaaktheid herken ik ook in de politieke correctheid. Qua onverdraagzaamheid en racisme is het in ons land als qua autolawaai in Scheldewindeke: je hoort wel wat gemor over vreemdelingen, maar dat valt niet te vergelijken met het kabaal dat met name moslims maken. Hun racisme en onverdraagzaamheid klinken als het gebulder van de autostrade in Destelbergen. En toch ergeren de politiek-correcten zich niet aan dit luidruchtige moslimracisme, nee, hun verontwaardiging geldt het nauwelijks hoorbare Vlaamse racisme. Van die mug maken ze een olifant, terwijl ze de echte olifant negeren. Moslims gedragen zich agressief en gewelddadig, terwijl Vlamingen zich beperken tot wat gescheld op Facebook. Maar het zijn deze laatsten die worden weggezet als racisten. De reden voor dit irrationele gedrag is dezelfde waarom ik me meer erger aan het gedempte autogeraas in Scheldewindeke dan aan het bulderende lawaai in Destelbergen: in Vlaanderen lijkt de volmaakte verdraagzaamheid binnen handbereik te liggen. 

Vergeleken bij het moslimracisme verzinkt de Vlaamse onverdraagzaamheid in het niets. Vlamingen zijn zo verdraagzaam dat ze zelfs niet protesteren als ze in hun eigen hoofdstad als vreemdelingen worden behandeld. Als Vlamingen nóg verdraagzamer werden, zouden ze gewoon ophouden te bestaan. Juist daarom worden de laatste restjes Vlaams racisme door de politiek-correcte oude zielen als ondraaglijk ervaren: ze verhinderen de eenwording met het ideaal, ze staan de absolute gelukzaligheid – die voor het grijpen lijkt te liggen – in de weg. En tussen bijna en helemaal is er een hemelsbreed verschil. Ik heb ooit de volmaakte stilte gehoord, ik herinner het me nog altijd. Het gebeurde op de heide van Kalmthout: hoe ik ook mijn oren spitste, ik hoorde niets, behalve de wind. En die volmaakte stilte had een wonderlijk effect: alsof een deken uit de hemel neerdaalde en me helemaal omwikkelde. Om die zaligheid opnieuw te beleven zou ik – bij wijze van spreken – een moord begaan. 

De volmaaktheid doet een mens terechtkomen in een andere wereld, een ideale wereld waar alle kwellingen van de reële wereld van je afvallen. Dat is de wereld waar de oude zielen zo intens naar verlangen. Veel meer dan jonge zielen dragen ze in zich de herinnering aan het verloren paradijs, waar de rust hen als een deken omwikkelde en alle zorgen deed verdwijnen. Die herinnering is het die in hen wakker wordt en als een vurig verlangen oplaait wanneer ze in de buurt van volmaaktheid komen – zoals ik hier in Scheldewindeke, zoals de politiek-correcten in Vlaanderen. Het is sterker dan henzelf. Ze kunnen niet verhinderen dat hun verlangen zich een weg naar buiten baant, evenmin als een man zijn zaad kan tegenhouden als het zich eenmaal in beweging heeft gezet. Geen wilskracht of redelijkheid is daartegen opgewassen. Alles wat dit verlangen naar volmaaktheid in de weg staat en het bereiken van de gelukzaligheid verhindert, wordt beschouwd als het kwaad in hoogsteigen persoon. 

Wanneer de afstand tussen ideaal en realiteit te groot wordt, schieten de oude zielen in actie. Ze ontwikkelen dan een geweldige kracht. Maar dat positieve, opbouwende idealisme dreigt om te slaan in een negatieve, vernietigende kracht wanneer ze de volmaaktheid binnen handbereik weren. Dan verliezen ze hun bezinning en verklaren de oorlog aan de ‘laatste hindernissen’, die ze op alle mogelijke manieren proberen uit de weg te ruimen. Dat is wat momenteel op grote schaal gebeurt met de politieke correctheid. Ze wordt gedreven door de idealen die de Europese beschaving groot hebben gemaakt en die haar tot een wereldbeschaving hebben doen uitgroeien. Maar terwijl er in grote delen van de wereld nog pionierswerk moet worden verricht, is in Europa de volmaaktheid in zicht gekomen. En dat is het moment waarop de politiek-correcte zielen zich gedragen als paarden die de stal ruiken: ze rukken zich los en stormen vooruit, alles vertrappelend wat hen voor de voeten komt. 

Het is dezelfde onstuitbare drang naar volmaaktheid die moslims massaal naar het Westen drijft. Ze zijn in hoofdzaak afkomstig uit het Midden-Oosten, dat typische oude-zielengebied. Onder het bewind van de islam hebben de erfgenamen van de oude beschavingen hun idealen diep in zichzelf moeten wegbergen. De afstand met de islamitische realiteit was te groot. Maar toen de beelden van de moderne Europese beschaving begonnen door te dringen in het Midden-Oosten, werden oeroude herinneringen in hen wakker. Net als mannen die te lang droog hebben gestaan, konden ze zich niet meer inhouden en – als ontelbare spermatozoïden – waagden ze de ‘sprong’ naar de overkant, naar het ewig Weibliche, naar het Europese ideaal. En net als de politiek-correcten hier, laten ze zich nergens door tegenhouden en weigeren ze rekening te houden met de Europese realiteit. Die is voor hen het kwaad zelve, want ze verhindert hen de volmaaktheid te bereiken. 

Die volmaaktheid is natuurlijk slechts een beeld. Ze is niet van deze wereld en kan nooit op aarde gerealiseerd worden. Waar de moslims echter mee in aanraking komen is de onvolmaakte Europese realiteit. En dat onderscheid kunnen ze heel moeilijk maken, betoverd als ze zijn door hun visioen van volmaaktheid. Ofschoon de realiteit hier vele malen beter is dan waar ze vandaan komen, zijn ze toch niet tevreden of dankbaar. Wel integendeel. Hoe beter ze het hebben, des te wrokkiger worden ze. Moslims die radicaliseren en terroristen worden, zijn geen arme stakkers die niet weten van welk hout pijlen te maken. Het zijn mensen die gestudeerd hebben, die een mooie job hebben, die het vaak beter hebben dan de gemiddelde Europeaan. Het is dan ook niet het racisme van de Europeanen dat zo’n vernietigende krachten in hen opwekt, maar juist het omgekeerde: de extreme Europese verdraagzaamheid. Want die doet moslims geloven dat de ideale wereld hier voor het grijpen ligt. 

Wie niet tegenover de idee kan gaan staan, wordt door de idee geknecht, schrijft Rudolf Steiner in zijn Filosofie der Vrijheid. Hij heeft het hier natuurlijk niet over de dode, abstracte idee maar over de levende idee, over het ideaal dat een intens verlangen in ons opwekt. Dode ideeën oefenen nauwelijks invloed op ons uit – daarom laten ze ons ook vrij – maar van levende ideeën gaat een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit en wanneer we ermee in contact komen, moeten we afstand bewaren, anders dreigen we erdoor meegesleurd te worden en onze vrijheid te verliezen. Evenmin als fanatieke moslims zijn politiek-correcte mensen vrije mensen. Allebei zijn ze in de ban van grootse idealen waarmee ze zich identificeren en waar ze niet tegenover kunnen blijven staan. Ze zijn met andere woorden verslaafd aan de geest, en zoals iedere verslaafde zijn ze tot alles in staat om ‘aan hun gerief’ te komen en de gelukzaligheid te bereiken. Daarom zijn ze zo gevaarlijk: ze zijn niet meer voor rede vatbaar, ze zijn bezeten door de geest.

Deze bezetenheid wordt veroorzaakt door de groeiende helderziendheid van de moderne mens. Sinds het einde van het Kali Yuga, het Duistere Tijdperk, begint de mensheid de wereld van de geest weer waar te nemen. Het heersende materialisme belet echter dat deze bovenzintuiglijke waarnemingen onderscheiden worden van onze gewone, zintuiglijke waarnemingen. En dus raken die twee ongemerkt met elkaar vermengd, met als gevolg dat de moderne mens steeds moeilijker onderscheid kan maken tussen droom en werkelijkheid. Hij zoekt de volmaaktheid van de geest in de materie en verliest gaandeweg alle zin voor realiteit. Het communisme is een voorbeeld van een geweldig ideaal dat de mens voor ogen zweefde en dat hij als het ware reeds in de aardse werkelijkheid zag. Er moesten alleen enkele hindernissen uit de weg worden geruimd en dan zou de hemel op aarde neerdalen. Maar die hindernissen bleken veel groter dan verwacht en er brak een nietsontziende strijd uit die niet de hemel maar de hel op aarde bracht.

Vandaag is het de politieke correctheid die de onderwereld wakker roept, verblind als ze is door haar geestelijke visioenen van volmaaktheid. Afgezien van het feit dat die visioenen alsmaar sterker zullen worden en dat het dus geen zin heeft ertegen in te gaan, hebben we die visoenen ook nodig. Als we helemaal géén waarneming meer hadden van de geest, zouden we voorgoed in de greep van de materie raken. Ons denkende bewustzijn zou uitdoven en we zouden weer dieren worden. Maar geestelijke waarnemingen, ideeën en idealen alleen zijn niet genoeg om deze ontmenselijking tegen te gaan. Wel integendeel, in hun onbewuste vorm vermengen ze zich met het materialisme en maken er een fanatieke religie van, een volmaaktheidsreligie. Materialisme op zich is al een tegenstander van formaat, maar wanneer het ook nog eens een alliantie aangaat met spiritualisme wordt het incontournable. Tegen deze geallieerde tegenmachten is geen kruid gewassen, behalve dan onderscheidingsvermogen. 

Wat materialisme is, dat weten we. Het is een overtuiging die gepaard gaat met een scherp bewustzijn. Maar wat spiritualisme is, wat bovenzintuiglijke waarnemingen zijn, dat weten we niet. We geloven zelfs niet dat ze bestaan, we houden ze gewoon voor zintuiglijke waarnemingen. En dat plaatst ons voor een keuze: ofwel worden we ons bewust van die waarnemingen, ofwel doven die waarnemingen ons bewustzijn uit. Ofwel maken we ons onderscheidingsvermogen sterker (door het uit te breiden tot al onze waarnemingen, niet alleen de zintuiglijke), ofwel veranderen we langzaam maar zeker in zombies die zich nergens laten door tegenhouden in hun verlangen naar volmaaktheid. Dat verlangen naar volmaaktheid zal ons ofwel verlossen ofwel vernietigen. Wat het wordt, hangt af van ons vermogen om de geest te onderscheiden die dat enorme verlangen opwekt. En die geest is Christus. Hem te leren onderscheiden is de grote michaëlische opgave die al de rest in de schaduw stelt.  

Advertenties