Het sociale oerfenomeen

door lievendebrouwere

  
Voor het eerst sinds ik ‘op den buiten’ woon, ben ik weer eens ‘in de stad’ geweest. Ik had een nieuwe bril nodig en ik wilde op de valreep nog van de solden profiteren. Nou, het was me de cultuurshock wel! Eerst de trein op. Hoelang was dát al niet geleden! Overal jongeren met smartfoons, overal electronische klanken. Dat duurde dus een poos voor ik een plekje vond dat betrekkelijk rustig was. Het gerammel en geknars – in die nieuwe treinen lijkt altijd wel iets los te zitten – moest ik er maar bij nemen. Gelukkig duurde de reis niet lang: een kleine 25 minuten, langs Moortsele, Landskouter, Gontrode, Melle, Merelbeke en ten slotte – tergend traag – Gent. Stationsbuurten zijn nooit aangenaam en dus haastte ik me langs het Citadelpark (bomen!) naar de kleine ring. Daar was ik al zozeer van slag dat ik de Kortrijksepoortstraat insloeg in plaats van de Bijlokekaai. Grauwheid troef. Studentenbuurt ook. Er kwam maar geen eind aan. Tot ik uiteindelijk de Veldstraat bereikte en de brillenwinkel binnendook. Alles blonk en glitterde daar, tenminste zolang ik niet in de spiegel keek. Een uur later stak ik de straat over om in de Fnac een smartfoon te kopen. Ook daar blonk en glitterde alles, maar mijn bobijntje was af. Genoeg stads- en keuzestress voor vandaag. 

Ik besloot nog even bij De Slegte binnen te lopen, en toen zag ik het, aan de overkant van de straat, een groot raam waarachter een vijftal mensen naar me zaten te kijken. Tenminste zo leek het. Het was een van die nieuwe hippe cafés of koffiebars waar mensen niet aan de toog zitten maar aan het venster. Je ziet er steeds meer, de ramen reiken soms tot op de grond: het café als aquarium. Het is telkens schrikken als je er passeert, want je kijkt de klanten recht in het gezicht. Of is het omgekeerd? Dat is niet duidelijk. Het heeft iets van een krachtmeting: wie is de kijker, wie is de bekekene? Het sociale oerfenomeen, zeg maar. De nieuwe trend trof me als een compensatie-fenomeen. Nu ik op het platteland woon, waar iedereen iedereen groet, valt het me des te sterker op dat in de stad niemand iemand aankijkt. Iedereen zit er opgesloten in zijn eigen wereldje, wat nog geaccentueerd wordt door de oortjes en de smartfoons. Ik begrijp dat wel. As je, zoals ik, je ogen voortdurend de kost geeft dan ben je na een paar uur in de stad compleet uitgeput. Telkens ik naar Gent ga, moet ik een dag recupereren. Ik snap dus heel goed waarom mensen er zich zo naar binnen keren: het is een vorm van zelfbescherming. Maar dat heeft een prijs, en die betalen ze door in zo’n trendy aquariumcafé voor het raam te gaan zitten, waar ze veilig naar mensen kunnen kijken.

Het vreemde is echter dat het niet duidelijk is wie kijkt en wie bekeken wordt. Als je op een terras gaat zitten, doe je dat om naar mensen te kijken, al is dat sinds de smartfoon fel verminderd, heb ik de indruk. Je kijkt niet terug als je langs een terras passeert, daarvoor zijn de terrasgangers meestal te talrijk: ze vormen een menigte, ze zijn sterk. Maar de nieuwe ‘raamzitters’ zijn enkelingen en ze kijken ook niet altijd naar buiten. Ze zitten daar te kijk achter al dat glas en doen alsof ze niet zichtbaar zijn. Ze doen dus eigenlijk net hetzelfde als op straat, maar toch ook weer niet. Het is alsof ze onbewust de grens opzoeken waar mensen elkaar ontmoeten, en waar – zoals Rudolf Steiner zegt – het ene Ik probeert het andere in slaapt te wiegen. Alles is daar mogelijk: kijken of bekeken worden, de blik afwenden of de confrontatie aangaan. In die nieuwe etalagecafés wordt dus in feite iets geestelijks zichtbaar. Het is alsof mensen instinctief opzoeken wat ze kwijtspelen door zich af te sluiten, met of zonder oortjes, met of zonder smartfoons. Compensatiegedrag dus. Misschien moet ik het ook eens uitproberen Als ik nog eens in de stad ben. Maar eerst toch een smartfoon kopen. 

Advertenties