Homo e(ro)thicus

door lievendebrouwere

  

Wie Luc Alloo op bezoek bij Etienne Vermeersch heeft gezien, is nog altijd niet van de schok bekomen. Dat iemand in zo’n rommelkot kan leven en denken is al verbazend, dat het dan nog de slimste mens van dit land is, valt niet te vatten. En dan had de professor nog speciaal opgeruimd, omdat de televisie kwam.

Wij weten dat omdat we huize Vermeersch vele jaren zelf hebben bezocht en u al meermaals hebben beschreven. Weer dachten velen dat wij overdreven, maar die piepen anders nu ze het zelf gezien hebben. Het begint al met de voortuin, een woestenij waar mier noch pier doorheen geraakt, en waarin de voordeur onvindbaar blijft voor wie ze niet weet staan achter stapels dozen vol kranten en tijdschriften. Wij hebben er ooit één uitgetrokken om onze beslijkte schoenen af te vegen, bleek een ‘Volk en Staat’ uit 1938 te zijn. En die doos stond nog bovenaan.

Als men de bel vindt en de professor blij gemutst en gerieflijk gepantoffeld komt aangesloft, begint het gedeelte van het bezoek waarin men niet langer vertrouwen schenkt aan zijn eigen waarnemingsvermogen. Zijn bureau geraak je met een bulldozer niet in: geen halve centimeter tapijt of behangsel is zichtbaar, alles ligt bezaaid met papieren, documenten, fardes, boeken en kaarten. De professor zelf vindt er blindelings zijn weg. Heeft ons eens verrast door te verwijzen naar een artikel in Mens & Maatschappij uit 1964, om vervolgens met een snoekduik in een woud van papier en karton te verdwijnen. Enkel uit een vaag geritsel in de verte konden wij opmaken dat hij nog leefde, en toen kwam hij uit een heel andere hoek plotseling weer tevoorschijn en sloeg voor onze verbaasde neus het betreffende tijdschrift open op bladzijde 8: ‘Waarom God niet bestaat, door prof. dr. Etienne Vermeersch s.j.’

De eerste keer dat wij er te gast waren, vroegen wij domweg: ‘En wat doet u met alle mappen die hier niet meer bij gestouwd kunnen worden?’ Dat bleek snel. ‘Kom’, antwoordde de professor, ‘we zullen naar de living gaan.’ En inderdaad, in zijn bureau was nog veel plaats vergeleken bij de woonkamer, waarin op één hoekje van wat denkelijk een tafel was nog één klein koffiekopje kon balanceren, en waar boven op een bergketen van pizzadozen, vergeelde documenten, rapporten, vonnissen en perkamenten een achttal poezen, een eend of vier, en een nijlgans lagen te pitten. In de hoek een keurig salon dat mevrouw Vermeersch met een politielint had afgespannen. ‘Als ik daar iets zou leggen, moet ik terug naar de jezuïeten’, zuchtte haar man droef. De keuken had hij wel ingepalmd, daar kon zelfs de kat niet meer binnen.

Voor de rest ging de uitzending met Alloo uitsluitend over seks. De professor vertelde honderduit over de geneugten van het masturberen en het lustverhogende effect van zweepslagen op dijen, inzonderheid op blauwe plekken. Had het over zijn onbedwingbare erecties waarvoor hij een cursus was gaan volgen in een dansschool in Brugge. Viel op de Blandijnberg een tiental studentinnen lastig met schunnigheden over zijn zaadcellen en hun eicellen. Maakte voor de camera een gewaagd nummertje met de bazin van zijn stamkroeg. En hield terwijl de aftiteling al liep nog snel een exposé over de clitoris van Goedele Liekens, die kennelijk niet veel geheimen voor hem had.

De faculteit moraalfilosofie zal volgend jaar een numerus clausus moeten invoeren.

(Koen Meulenaere) 

Advertenties