Lichtbaken (2)

door lievendebrouwere

  

Enkele weken na mijn toezegging ontving ik de officiële folder van de conferentie en zag tot mijn verbazing dat ik werd aangekondigd als … karikaturist. Daar moest ik toch even van slikken. De lijst van doctoren, professoren, filosofen, wetenschappers en andere geleerde mensen was lang. Ze schreven dikke boeken, hielden lange voordrachten, bekleedden belangrijke functies en waren kind aan huis in Dornach. En daartussen stond ik dan: een karikaturist, een nar, een sotscop. Wie zou dáárnaar willen gaan luisteren? Ach, troostte ik mezelf, als er niemand komt opdagen, loop je ook niet het risico op je gezicht te vallen. En ondertussen kun je die conferentie toch maar mooi gratis bijwonen. Trouwens, wás ik eigenlijk geen nar? Was dat niet de rol die ik zo graag speelde? Mensen een beetje sarren, de draak met hen steken, hun masker afrukken, dingen tegen hen zeggen die niemand durfde zeggen.

En deed ik dat ook niet wanneer ik karikaturen tekende? Ik probeerde de mens achter het masker tevoorschijn te halen. Als ik daar enig geweld voor moest gebruiken, deed ik dat met plezier. Ja, ook als ik géén tekeningen maakte, was ik een karikaturist. Overdrijven, dat was mijn regel wel. De karakterisering in de folder was dus raak. Het was niet omdat ik al lang geen karikaturen meer tekende dat ik geen karikaturist meer was. Ik begon schik te krijgen in de zaak. Misschien was dit wel wat ik moest doen op die conferentie: de rol van nar spelen, al die koningen van de geest een lachspiegel voorhouden zodat ze niet vergaten dat ze ook maar mensen waren. Misschien kreeg ik op deze manier mijn opdracht toegewezen: de ‘gewone mens’ vertegenwoordigen aan het antroposofische hof, de mens waarmee koningen nooit in contact kwamen, die vanuit zijn hart sprak en zijn mond geen vijf keer spoelde voor hij iets zei. Ja, die rol van go between tussen de tegenpolen, tussen de herders en de koningen, was me wel toevertrouwd. Het was mijn favoriete antroposofische thema.

Hoe meer ik erover nadacht, hoe sterker het vermoeden werd dat mij de taak werd toebedeeld om op de Lichtbaken-conferentie op te treden als karikaturist. Dat kon natuurlijk niet betekenen dat ik karikaturen zou gaan tekenen van de deelnemers. Maar wat kon het dan wél betekenen? Op zoek naar een antwoord op die vraag begon ik na te denken over de karikatuur. Wat is een karikatuur? Waarom maken mensen karikaturen? Wat is het wezen van dit randverschijnsel uit de wereld van de kunst? En vooral: wat heeft het te maken met het thema van de conferentie, met de driegeleding? Die vragen bleken verrassend vruchtbaar te zijn. Ze leverden antwoorden op die mijn vermoeden bevestigden dat de manier waarop ik in de folder werd voorgesteld inderdaad een ‘karmische vingerwijzing’ was. Na de nodige aarzeling besloot ik het in mijn werkgroep over de karikatuur te hebben. Ik stond er zelf van te kijken, want het was wel het allerlaatste onderwerp dat ik gekozen zou hebben. Stel je voor: mij viel de eer te beurt om te mogen spreken op een internationale antroposofische conferentie over driegeleding en ik zou daar een uiteenzetting gaan geven over … de karikatuur! Kon het gekker? 

Maar het voelde goed en ik ging verder in de aangewezen richting – of in de richting waarvan ik dacht dat ze mij aangewezen werd. Stap voor stap verdwenen mijn twijfels. Ja, dit was wat ik moest doen. Dit was ook wat ik wilde doen, want niets lag me nauwer aan het hart dan het tekenen van mensen en het zoeken naar wat hen uniek maakte. Ik zou proberen een portret te maken van de karikatuur, en aangezien ik altijd overdreef zou dat een karikatuur-van-de-karikatuur worden. Ik zou als het ware tegenover mezelf gaan staan en nadenken over wat mijn grootste hartstocht was. Op die internationale antroposofische conferentie zou ik het met andere woorden over … mezelf hebben. En dat was toch wel een grap, een narrenstreek, een sotternij. Hoe vaak had ik al niet moeten horen dat ik de zaken veel te persoonlijk benaderde, dat een antroposoof daarboven moest staan en zich richten op de objectieve geestelijke wereld! En nu zou ik precies het omgekeerde doen. Ik zou voor de spiegel gaan staan en zeggen wat ik zag: iemand die anderen een spiegel voorhield. Ik zou op de stoel gaan zitten waar anders de mensen zaten die door mij getekend werden. Ik zou met andere woorden het tekenen tekenen, ik zou een portret maken van de kunst. Geen doorwrocht, uitgewerkt portret maar een vlugge schets, een karikatuur, een poging om het unieke van de kunst zichtbaar te maken. 

Was dat niet wat ik mijn hele leven geprobeerd had? Honderden, duizenden mensen had ik getekend, ik kon daar nooit genoeg van krijgen. Het menselijk gelaat was voor mij landschap waarin ik eindeloos kon ronddwalen. Ik begreep dan ook niet waarom er met steeds grotere minachting werd neergekeken, niet alleen op het tekenen van mensen, maar op het tekenen tout court en op de kunst in het algemeen. Verbijsterd zag ik hoe de kunst brutaal aan de kant werd geschoven om plaats te maken voor pispotten, kakmachines en ander afval. Wat mij zo lief was, werd ontheiligd en verkracht op een manier die mij vervulde van ontzetting. Die barbaarse beeldenstorm schokte mij tot in het diepst van mijn ziel en deed daaruit de vraag oprijzen: wat gebeurt hier in godsnaam? Waarom wordt de kunst aan het kruis geslagen? Waarom moet ze zo’n smadelijke dood sterven? Want zo beleefde ik het: de kunst stierf. Er kwam een eind aan een oeroude traditie die terugging tot de grotten van Lascaux en Altamira. Al die tijd was er continuïteit geweest, al die tijd was de kunst herkenbaar gebleven. Tot vandaag. Nu brak de rode draad, en werd de kunst onherkenbaar verminkt. 

Het werd voor mij een zaak van levensbelang om mij een beeld te vormen van die stervende kunst, een beeld dat ik diep in mijn hart kon bewaren. Maar daarvoor moest ik de kunst begrijpen, daarvoor moest ik me van haar losmaken en tegenover haar gaan staan. En dat was buitengewoon pijnlijk, dat was als een sterven, want ik moest loslaten wat me het liefst was. Hoe intenser ik nadacht over de kunst, des te moeilijker werd het om zelf nog kunst te maken. Mijn denken verlamde mijn scheppende vermogens. Ik bloedde als kunstenaar langzaam leeg. De genadeslag kreeg ik in Brugge, waar ik in een laatste, uiterste krachtinspanning geprobeerd had mijn band met de kunst te behouden. De klap kwam hard aan, want het betekende het einde van mijn kunstenaarschap. Ik begreep het niet: waarom moest ik afscheid nemen van wat altijd mijn redding was geweest, van wat altijd de zin van mijn leven was geweest? Wanhopig probeerde ik de zin daarvan te doorgronden. Maar het lukte niet. Alles was één groot vraagteken geworden. Ik had geen idee hoe het nu verder moest. 

En toen kwam, als uit het niets, de vraag om op de antroposofische zomeruniversiteit in Frandeux drie voordrachten te houden. Dat was een stap over de drempel, want spreken voor een publiek was van jongs af mijn grootste nachtmerrie. Maar het lukte. Ik raakte met de hakken over de sloot. En twee jaar later kwam dan de vraag om op de Lichtbaken-conferentie een werkgroep te leiden. Voelde ik me in Frandeux nog moreel verplicht om die stap-over-de-drempel te zetten – wie zou anders over oude en de jonge zielen spreken? – dan voelde ik me in Antwerpen volkomen vrij. Wat wist ik nu helemaal over driegeleding! Ik was een rasechte tweegeleder (overdrijven is het midden verlaten en de uitersten opzoeken) en op die conferentie zou ik dus in het hol van de leeuw terechtkomen. Niemand had het me kwalijk genomen als ik daarvoor gepast zou hebben. Niemand zou er ook graten hebben in gezien als ik de manier waarop ik in de folder werd voorgesteld niet als een karmische vingerwijzing had geïnterpreteerd en bijgevolg niet over de karikatuur had gesproken. Wel integendeel. Deze stap de (internationale) drempel was een volkomen vrije beslissing.

De hele zaak deed me onwillekeurig denken aan wat Rudolf Steiner zegt over het Ik van de mens, namelijk dat het van buitenaf op hem toe komt. Ik heb dat altijd een mysterieuze en paradoxale uitspraak gevonden, want hoe kan iets zo intiems als het Ik nu van buitenaf op de mens toekomen? Maar nu begon ik het te begrijpen, ik begon het te ondervinden. Het tekenen van karikaturen was iets van mezelf en van mezelf alleen. Niemand moest me dat leren, niemand moest me daartoe aanzetten. Het was een drift die zich vanuit de duistere diepten van mijn wezen onweerstaanbaar een weg naar buiten baande. Ik vergeleek het wel eens met aardolie die werd aangeboord: het spoot eruit. En uitgerekend die hartstochtelijke wilsimpuls, die ik met zoveel hartpijn had moeten opgeven, kwam nu – totaal onverwacht – van buiten op me af in de vorm van een vraag die me volkomen vrij liet. Die vraag werd niet gesteld door mijn persoonlijke ‘demon’ maar door een bovenpersoonlijke geest die als het ware boven de conferentie zweefde en – dat zou ik duidelijk kunnen waarnemen – iedereen inspireerde die eraan deelnam. Toch was de vraag onmiskenbaar aan mij gericht en aan mij alleen. Uit de manier waarop ze werd gesteld sprak bovendien een diep inzicht in wie ik was, veel dieper dan het mijne. En de herkenning was wederzijds: ik begon een vermoeden te krijgen van wie de geest was die mij de ‘verlossende’ vraag had gesteld. 

Advertenties