Lichtbaken (3)

door lievendebrouwere

  

Een goede verstaander heeft maar een half woord nodig. Het woordje ‘karikaturist’ waarmee ik in de folder van de Lichtbaken-conferentie werd voorgesteld, volstond om me op het goede spoor te zetten. Verrassend was dat spoor wel, want wie gaat nu de koninklijke driegeledingsidee in verband brengen met iets zo banaals als een karikatuur! Zonder die ‘karmische vingerwijzing’ zou ik dat nooit gewaagd hebben, want ze kunnen streng zijn, de koningen van de antroposofie! Aan de andere kant ligt het duiveltje-in-me steeds op vinkeslag. Dus toen de geest van de conferentie mij vroeg om als karikaturist op te treden, heb ik niet lang geaarzeld. Dat ik dát nog mocht meemaken: door de antroposofische wereld gevraagd te worden om te spreken over kunst! Het was ooit anders. 

Mijn eerste aanvaring vond plaats in 1987 toen ik een beetje de draak stak met het werk van Eugeen Vansteenkiste, een schilder over wie door antroposofen in lyrische termen werd gesproken, maar die bij mij eerder op de lachspieren werkte. Dat viel niet in goede aarde. Ik werd publiekelijk een ‘rotte appel in de mand’ genoemd en er werd opgeroepen om die appel te verwijderen. Gelukkig werd daar geen gehoor aan gegeven, maar de ergernis bleef. De Mare, het schooltijdschriftje waar ik regelmatig iets voor schreef, kreeg ooit een anonieme brief waarin gedreigd werd met ‘maatregelen’ als ze mijn vuilspuiterijen zouden blijven publiceren. Maakte ik het dan werkelijk zo bont? Ik vond (natuurlijk) van niet, maar daar was niet iedereen het mee eens. Een nar in de wereld van de antroposofie? Het bleef moeilijk. 

Mijn volgende ijsberg kwam ik tegen in het belfort van Brugge, waar de plaatselijke steinerschool haar geschenkenbeurs hield. Ik tekende er karikaturen en had als blikvanger een grote karikatuur van Rudolf Steiner op mijn ezel gezet. Dat zorgde voor enige hilariteit en op een bepaald moment schreed een volledig in het paars geklede dame op leeftijd naar me toe en sprak op gebiedende wijze: wilt u dat onmiddellijk wegnemen! Zoiets doet men niet! Men spot niet met een grote ingewijde! Ik dacht bij mezelf: die grote ingewijde tekende verdorie zelf karikaturen! Maar er viel duidelijk niet te discussiëren met deze hogepriesteres en dus zei ik: het spijt me, dat kan ik niet doen, ik moet m’n brood verdienen! Dat laatste was een beetje overdreven, maar ik zat er toch heus niet alleen voor mijn plezier, ik kon het geld best gebruiken. Onze koppen botsten dus tegen elkaar en aangezien de mijne de hardste was, droop de paarse dame af. Het was echter een Pyrrhus-overwinning, want vanaf dat moment kreeg ik geen enkele klant meer. Heeft die paarse mevrouw misschien magische krachten? vroeg ik aan Kristien Dieltiens die tegenover me zat te tekenen. Absoluut, knikte ze vol overtuiging. 

De antroposofische ernst werkte op mij als een rode lap op een stier. Het was sterker dan mezelf. Er werd gesproken over kabouters, etherische lichamen en ‘elementaarwezens’ alsof het niks was, alsof de geestelijke wereld voor antroposofen geen geheimen had. Hebben jullie wel eens zo’n kabouter gezien? wilde ik weten. Maar dergelijke vragen werden niet op prijs gesteld. Dus bleef ik die koningen-zonder-kleren een beetje uitlachen. Over één ding was ik echter altijd ernstig, ook wanneer ik lachte, en dat was de kunst. Antroposofen hadden daar geen verstand van, vond ik. Dat vind ik trouwens nog altijd. 

Op een dag las ik in een antroposofisch tijdschrift een lang artikel over Joseph Beuys, de hedendaagse kunstenaar die door sommigen beschouwd wordt als de grootste antroposoof sinds Rudolf Steiner. Allemaal goed en wel, schreef ik in een lezersbrief, maar waar is het verband tussen de antroposofische ideeën van Beuys en zijn zogenaamde kunstwerken? Ik zag dat verband niet en was ervan overtuigd dat het niet bestond. Er werd met geen woord over gesproken, men deed gewoon alsof het vanzelf sprak, alsof het kleinste kind dat kon zien. Ik kreeg dan ook geen antwoord op mijn vraag, maar enige tijd later werd in Antwerpen een tweedaags symposium gehouden over Joseph Beuys. Ik vermoedde een oorzakelijk verband en voelde me moreel verplicht om aanwezig te zijn. Maar ik zag er steil tegenop, want ik wist waar het zou op uitdraaien.

Er namen zo’n 20 mensen deel aan het symposium, allemaal fans van Joseph Beuys, op mij na. Door een technisch defect kon de geplande voorstelling van zijn beroemde Coyote Aktion (een performance) niet doorgaan en werd ze verschoven naar de tweede dag. Zonder dat defect was ik de eerste avond al weggelopen om nooit meer terug te keren, zo afschuwelijk vond ik de video-vertoning. Ik verstarde helemaal, alle haren op mijn lichaam stonden overeind en de kilte drong tot in mijn botten door. Na afloop rende ik naar buiten en snoof vol welbehagen de uitlaatgassen van de auto’s op. Het lawaai van de stad klonk me als muziek in de oren. Hoe heerlijk was de doodgewone werkelijkheid na die helse tocht door de onderwereld van Joseph Beuys! Onnodig te zeggen dat mijn afschuw niet werd gedeeld, wel integendeel. Christine Gruwez, die naast me zat, vond de beelden prachtig. Leg me dan eens uit wat je daar zo prachtig aan vindt, zei ik. Dat weet ik niet, antwoordde ze, en dat hoef ik ook niet te weten. Daarmee was de kous af. Het gesprek was al afgelopen nog voor het goed en wel begonnen was. 

Het sleepte zich nog een hele tijd voort tot uiteindelijk iemand zijn geduld verloor. Ik zou toch wel eens willen weten wat er achter jouw negatieve houding zit! zei hij. Ik begreep de boodschap onmiddellijk, ik had ze al duizend keer gehoord. Wie de hedendaagse kunst verafschuwt, is niet helemaal normaal, er scheelt iets met hem! Doorgaans sta ik met mijn mond vol tanden als ik op die manier word aangevallen, maar dit keer viel ik op mijn poten. Ja, antwoordde ik, die vraag heb ik me ook al gesteld. Ik heb geen idee wat jullie zo geweldig vinden aan een man die conservenblikken opstapelt, kartonnen dozen met vet insmeert, op handen en voeten over de grond kruipt met een konijn tussen zijn tanden, of zich een bloedneus laat slaan terwijl hij een kruisbeeld in de lucht steekt. Ik zou ook wel eens willen weten wat daarachter zit! Ik kende het antwoord natuurlijk wel: Beuys was een antroposoof, hij verkondigde antroposofische ideeën en dus moest zijn werk wel goed zijn. Dat was ongetwijfeld een geruststellende gedachte voor antroposofen. Maar dat konden ze uiteraard niet toegeven, want dan zou ik de hamvraag hebben gesteld: wat is het verband tussen die ideeën en die ‘kunstwerken’? 

Het symposium was geworden wat ik ervan verwacht had: een strijd van één tegen allen. Zo ging het altijd. In de hedendaagse kunst gebeuren de meest absurde, choquerende en weerzinwekkende zaken – Joseph Beuys is heus de kwaadste niet – maar als je daar kritiek durft op geven, krijg je de hele intellectuele en culturele wereld tegen je. Er wordt openlijk getwijfeld aan je toerekeningsvatbaarheid, je wordt beschouwd – én behandeld – als een cultuurbarbaar, een deplorable, een moreel inferieur wezen. Helaas vormt de antroposofische wereld – die nochtans op velerlei gebied tegen de stroom in roeit – geen uitzondering op deze regel. 

Het meest krasse voorbeeld maakte ik mee toen de 12de klas waarin mijn jongste dochter zat haar slottoneel opvoerde en zonder het te beseffen alles door het slijk sleurde waar de steinerschool voor stond. Het stuk was een kwaadaardige parodie op het leven van Christus. God de Vader was een gangster wiens dochter tegen zijn wil de mensheid wilde redden, iets wat aanvankelijk leek te lukken, tot ze uiteindelijk verkracht werd en haar vader verzocht iedereen tot de laatste man uit te roeien, wat hij ook deed. Ik kon mijn oren niet geloven toen ik vernam dat de 12de klas uitgerekend dit stuk zou spelen, een bewerking van Dogville, de afschuwelijkste film die ik ooit had gezien. Van mijn dochter vernam ik dat de leerlingen niet gelukkig waren met die keuze, maar ze volgden hun leerkrachten die ‘eens iets anders wilden dan altijd weer die brave toneelstukken’. De bedoeling was, zo verklaarden ze, om in de school een discussie op gang brengen, want daar diende kunst tenslotte voor. Ik was niet van plan me te mengen in de hele kwestie, ik wilde niet opnieuw mijn vingers verbranden. Ik zei tegen mijn dochter: kind, nog even op je tanden bijten en dan ben je ervan af! 

Maar het lot besliste er anders over. Op een ouderavond werd mij gevraagd om mee te werken aan de voorbereiding van het toneel. Ik weigerde en men wilde weten waarom. Toen ik dat omstandig uitlegde bleek hun zin om in discussie te gaan opeens fel bekoeld. Het toneel werd opgevoerd, de leerlingen werden letterlijk en figuurlijk in hun hemd gezet, en iedereen deed alsof er niks aan de hand was (al klonk het applaus opvallend mager). Achteraf kwamen ouders me vertellen dat ik overschot van gelijk had maar dat ze dat niet openlijk durfden zeggen uit schrik voor represailles tegen hun kinderen. Jezus, dacht ik, wat een atmosfeer! Ik sprak andere leerkrachten aan, maar ze haalden hun schouders op, ze wilden er niks mee te maken hebben. Ga daarmee naar de oorlog, zuchtte ik. Na overleg met mijn vrouw besloot ik contact op te nemen met het bestuur in Dornach. Ze moesten ginder weten wat er zoal in de steinerscholen gebeurde, vond ik. Maar ik kreeg het deksel op mijn neus. Ik was volgens hen ‘niet serieus bezig met antroposofie’. Case closed

Nee, met antroposofen kon je maar beter niet over kunst beginnen, dat leverde alleen maar ellende op. Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Toen ik jaren later vernam dat men in datzelfde Dornach het honderdjarig bestaan van het ‘huwelijk’ tussen kunst en antroposofie had gevierd door Joseph Beuys te herdenken en een zaal van het Goetheanum vol bananenschillen te strooien, schoot ik uit mijn krammen. Onder de titel ‘En is dat hier een apenkot?’ schreef ik een vlammend stuk in het ledenblad. Het zou meteen mijn laatste bijdrage worden. Je snapt toch zelf wel, zei men, dat we niet meer met je willen praten! Ik snapte het inderdaad: over (hedendaagse) kunst viel in antroposofische kringen niet te praten. In andere kringen ook niet, maar het ontgoochelde me diep dat zelfs antroposofen geen uitzondering maakten op deze regel. 

Advertenties