Lichtbaken (4)

door lievendebrouwere

  

Ik was dus geen klein beetje verrast toen mij vanuit antroposofische hoek de vraag werd gesteld om over kunst te spreken. Begreep ik dat goed? Strikt genomen werd de vraag me niet gesteld door antroposofen, maar door de geest die hen – naar ik meende – inspireerde. Maar hoe kon ik weten dat die geest echt bestond? Hoe kon ik weten dat hij geen hersenschim was, een product van mijn verbeelding, een subjectieve interpretatie van feiten? Wat me overtuigde van zijn bestaan was de kunstzinnigheid van zijn werk. Ik zag complexe verbanden ontstaan die geen mensenwerk konden zijn. Ze konden evenmin aan het toeval worden toegeschreven. Er zijn grenzen aan wat het toeval kan verklaren. Overschrijd je die, dan wordt gezonde twijfel aan het bestaan van geesten een krampachtig geloof in het niet-bestaan ervan. En het is je gevoel dat je waarschuwt wanneer je zo’n grens overschrijdt. De kunst heeft me geleerd dat gevoel niet te negeren en naar m’n hart te luisteren. In dit geval vertelde dat hart – steeds duidelijker – dat er van toeval geen sprake kon zijn. De lijst van toevalligheden was veel te lang. Bovendien vormden ze samen één groot kunstwerk dat ik voor mijn verbaasde ogen zag ontstaan, een kunstwerk dat alleen kon toegeschreven worden aan een geest, een geniale scheppende geest.  

Het begon al met de vraag of ik op de Lichtbaken-conferentie een werkgroep wilde leiden. Hoe groot was de kans dat men daarvoor uitgerekend op mij een beroep zou doen? Ik wist nauwelijks iets af van driegeleding en na mijn aanval op de heilige Joseph (Beuys) meende ik het voorgoed verkorven te hebben in de antroposofische vereniging. Een paar jaar tevoren had men me weliswaar gevraagd om drie voordrachten te geven op de zomeruniversiteit, maar dat was een jongeren-initiatief dat diep verscholen in de Ardense bossen plaatsvond en waar men zich in het heetst van de zomer overgaf aan Wein, Weib und Gesang. Dit keer ging het echter om een initiatief van gepensioneerde antroposofen dat hartje winter plaatsvond in Antwerpen, het middelpunt van de aarde, zoals iedere Sinjoor weet. Hier werd geen plaatselijke Rochefort gedronken maar zuiver bronwater, (per snek?) aangevoerd uit het verre IJsland. De opvallende polariteit tussen deze twee conferenties had me reeds wakker kunnen maken, maar het was nog te vroeg dag. Ik was nog bezig mijn ogen uit te wrijven. 

Op deze eerste verrassing volgde meteen een tweede: in de folder van de conferentie werd ik aangekondigd als karikaturist en blogger. Er ging een kleine schok door me heen: het contrast met de andere sprekers was toch wel heel groot. Ik voelde me misplaatst in dat geleerde gezelschap. Maar dan drong tot me door hoe kernachtig de polariteit tot uitdrukking werd gebracht die mijn leven beheerste: tekenen en schrijven, een herderlijke en een koninklijke activiteit. Die eerste activiteit was altijd de belangrijkste geweest en ik vond het bijzonder pijnlijk dat ik ze los moest laten. Vooral de laatste klap in Brugge kwam hard aan. In een ultieme poging om het contact met het tekenen en schilderen niet te verliezen, greep ik opnieuw naar de karikatuur. Maar de (terug)weg werd me op niet mis te verstane wijze versperd. Ik was er het hart van in en begreep niet waarom ik zo bruusk gescheiden werd van wat mij lief was. Pas na het lezen van de conferentiefolder begon me iets te dagen. Er was een soort metamorfose aan de gang. Wat ik zolang met zoveel passie had gedaan – karikaturen tekenen – diende zich nu in een veel bewustere vorm aan. Ik had de karikatuur moeten loslaten om er tegenover te kunnen gaan staan. Maar tegelijk bleef ik ermee verbonden, want ik maakte nog altijd een karikatuur: een karikatuur van de karikatuur. 

Er was een verband tussen het no passaran in Brugge en de uitnodiging uit Antwerpen. Blijkbaar kon ene deur niet opengaan voor de andere gesloten was. Er moest eerst iets vernietigd worden, voor het weer kon worden opgebouwd. Stirb und Werde. En ik kende de geest die daarachter zat. Ik had hem reeds leren kennen toen ik als jongetje van net geen 11 aan de hand van mijn vader de trappen besteeg van de academie van Mechelen. Maar pas veel later zou ik me een beeld van hem vormen. Ik begreep toen hoeveel ik aan hem te danken had, wat een zegen zijn leiding was geweest. Eén van de meest opvallende eigenschappen van die leiding was dat ze zo … onopvallend was. Alsof er helemaal géén leiding werd gegeven, alsof je helemaal op jezelf aangewezen was. Een andere opvallende eigenschap was de mannelijkheid. Deze geest was allesbehalve sentimenteel. Hij hield totaal geen rekening met je ego en sloeg het zo nodig met één klap tegen de grond. Maar voor je Ik had hij een grenzeloos respect, dat raakte hij met geen vinger aan. Het gevolg was dat je je vrij voelde, volkomen vrij. Deze leider stond niet boven je, hij stond naast je. Hij wees je de weg, maar je moest hem wel zelf gaan.  

Ik heb het natuurlijk over Michaël, de grote zwijgzame geest wiens wezen louter dienstbaarheid is. Hij valt zo moeilijk te vatten omdat hij zo zelden op de voorgrond treedt. Als een soldaat staat hij op wacht, zonder te bewegen. Maar hij is bijzonder alert en als er gevaar dreigt, grijpt hij resoluut in, om daarna weer zijn wachthouding aan te nemen. Michaël is ‘van wacht’ en daarom merk je hem niet op. Hij maakt als het ware deel uit van het decor. Pas wanneer hij daaruit tevoorschijn komt, kort en krachtdadig, besef je dat hij er al die tijd stond. Je zag hem niet, maar hij zag jou wel. Als je dat begint te begrijpen, stijgt er een diepe dankbaarheid in je op en je voelt je ontroerd door zoveel onbaatzuchtige waakzaamheid. Maar je weet ook dat die gevoelens Michaël niet raken, hij is een geharnaste geest. Zijn blik is op de resultaten van je werk gericht, niet op hoe je ze tot stand brengt, want dat is jouw zaak. Daarom is hij ook de leidsman van de kunstenaars. Hun gevoelens doen er niet toe. Het enige wat telt is hun werk. 

Pas na de conferentie drong het echt tot me door wie mijn gedachten had geleid tijdens de voorbereiding op de conferentie. Want dát ze geleid werden, daaraan twijfelde ik niet. Wat me nooit gelukt was, lukte nu wel. Het beeld waaraan ik al m’n hele leven werkte, waarnaar ik al m’n hele leven zocht, en waarvan ik de hoop had opgegeven het ooit te zullen vinden, begon stap voor stap gestalte te krijgen, alsof het een eigen leven leidde. Ik hoefde alleen maar te volgen. Dat wil niet zeggen dat het allemaal vanzelf ging, wel integendeel. Als vanouds sloeg ik – als een echte Wandervogel – ieder (denk)weggetje in dat ik tegenkwam. Maar als het me te ver afleidde, keerde ik de volgende dag op mijn stappen terug en begon opnieuw. Op die trage, bedachtzame manier – processie-van-Echternachgewijs zeg maar – kwam ik verder dan ik zwervend ooit was geraakt. Toch had dat jarenlange, (schijnbaar) doelloze zwerven-in-gedachten het materiaal opgeleverd waaruit nu mijn beeld ontstond, mijn karikatuur van de karikatuur. Persoonlijker kon dat beeld niet zijn en ik ging dan ook helemaal op in mijn eigen wereld, maar tegelijk had ik het volste vertrouwen dat het dit was wat van mij werd verwacht. De conferentie zou dat bevestigen. 

Advertenties