Lichtbaken (5)

door lievendebrouwere

  

Eerst kwam er nog een andere verrassing. Toen me gevraagd werd om op de Lichtbaken-conferentie een werkgroep te leiden, stond het al een tijdje vast dat we moesten verhuizen. De huisbaas wilde renoveren. Dat was dringend nodig en het was ook de reden waarom we al jaren op zoek waren naar een ander huis. Zonder resultaat evenwel. Het was al niet gemakkelijk om iets acceptabels te vinden binnen ons budget, maar als we dat dan vonden, vingen we telkens bot. Hoe vaak hadden we in de loop der jaren niet dat ritueel doorlopen van zoeken, bezichtigen, formulieren invullen en wachten! Soms kregen we bericht dat het huis naar een andere kandidaat was gegaan, meestal niet. Ten slotte begon het me te dagen dat de immo-kantoren ons automatisch van de lijst schrapten omdat we te weinig verdienden, omdat ik werkloos was, omdat we te oud waren. Eén vroeg het ons zelfs op de man af: hoe komt het dat jullie (zo oud zijn en) nog geen huis hebben? We maakten met andere woorden geen kans, en toen de huisbaas ermee dreigde naar de rechter te stappen, waren we de wanhoop nabij. We stonden machteloos, we hadden ons lot niet langer in eigen hand. Eén ding was zeker: als ze ons ‘hierboven’ niet hielpen, zou er van de conferentie niks in huis (sic) komen.   

Blijkbaar beseften ze dat hierboven want opeens viel er een huis uit de hemel. Ga zitten, zei mijn vrouw op een dag, ik moet je iets vertellen! Ze had een huis gevonden. Zomaar. Of toch niet eigenlijk. Er was een heel verhaal mee verbonden. We hádden dat huis namelijk al eens gevonden, en we zagen het allebei zitten. Bovendien was er geen immo-kantoor in het spel, dus de keuze was aan ons. Maar op het laatste moment kreeg mijn vrouw cold feet. Ze was bang dat we de huurprijs (die bijna de helft hoger lag dan in Destelbergen) niet zouden kunnen betalen. Aangezien zij de kost verdiende en over de financiën ging, kon ik daar niets tegen in brengen, maar het verwonderde me dat ze opeens terugkrabbelde. Dat lag niet in haar aard. Toen we alweer een paar afwijzingen verder waren, zei ik voorzichtig: ik vrees dat het een vergissing was dat huis in Scheldewindeke niet te nemen. Maar, voegde ik eraan toe om haar (en mezelf) te troosten, als we het genomen hadden, zou de zomeruniversiteit in het water zijn gevallen. Het was een een schrale troost, maar een andere vond ik niet. 

En zie: kort na mijn toezegging voor de conferentie in Antwerpen kwam datzelfde huis opnieuw op onze weg. Ik kon het nauwelijks geloven. We waren gered! We zouden dan toch niet op straat belanden. De verhuis viel precies in het midden van mijn voorbereiding – en in volle Sinterklaastijd – dus dat kwam goed uit. Bovendien verliep alles verrassend vlot. De kinderen en hun vrijers – twee ‘zwarte pieten’, ik verzin het niet – hielpen ons twee dagen lang met vereende krachten en op de avond van de 11de december reden we, met de ondergaande zon recht in ons gezicht, voorgoed naar Scheldewindeke. Het hoofdstuk Destelbergen was afgesloten. Precies 21 jaar hadden we er gewoond. Nog geen week later waren de verbouwingen al aan de gang. Ons oude huis zag eruit als een doodshoofd met grote zwarte gaten waar eens de vensters hadden gezeten. De mond (de voordeur) was dichtgespijkerd met planken. Van het lichaam bleef nauwelijks iets over: keuken en badkamer waren afgebroken, de loods in de tuin verdwenen, bomen omgehakt, struiken uitgetrokken, de grond omgewoeld. Alsof een of ander beest zich meteen na ons vertrek op het stoffelijk overschot had geworpen en het afgekloven had tot op het bot.

Dat beest lag trouwens al een hele tijd op de loer. Niet alleen had men ook het huis naast het onze reeds ontmanteld tot alleen de kale muren nog overeind stonden, maar aan de overkant van de steenweg was men begonnen met dichtbouwen van de open ruimte. Daar was al sprake van toen we er kwamen wonen, en we hadden in voortdurende vrees geleefd dat ons uitzicht op de ondergaande zon – één van de weinige aantrekkelijkheden van het huis – zou verdwijnen. Maar dat gebeurde niet – tot ik begon met de voorbereidingen op de conferentie. Op nagenoeg hetzelfde moment arriveerden de graafmachines, bulldozers, kranen, pompen, betonmolens, slijpschijven, radio’s en wat er niet nog allemaal lawaai maakt wanneer er vandaag gebouwd wordt. Het werk ging ’s nachts soms gewoon door (alsof ze lang genoeg hadden moeten wachten) en dan schenen er felle lampen in de duisternis. Het had bij momenten iets hallucinants. De ondergaande zon was verdreven door demonen uit de onderwereld. Maar hun danse macabre kon me niet meer deren. We hadden een nieuw huis gevonden, een zware last was van mijn schouders gevallen. 

Het begon vroeg te vriezen en het werk viel regelmatig stil. Ideaal weer om te gaan wandelen en luidop mijn betoog te oefenen. Ik voelde me zowaar een beetje als Demosthenes, met dat verschil dat ik niet probeerde het gebulder van de zee, maar dat van de autostrade te overstemmen. Af en toe keek ik over mijn schouder om te zien of niemand me hoorde. Op die manier – wandelend en sprekend – nam ik drie maanden lang afscheid van de streek waar ik zolang had gewoond en waarvan ik iedere uithoek kende. Op dezelfde manier maakte ik ook kennis met de nieuwe streek die het lot me had toegewezen. Drie maanden lang stond ik ’s ochtends op, zette me aan het schrijven om ‘de oogst van de nacht binnen te halen’ en trok er dan na de middag op uit om lange wandelingen te maken. Hier hoefde ik niet beducht te zijn voor stiekeme toehoorders want die waren er niet. Ik kwam vrijwel nooit een levende ziel tegen op mijn tochten. Alleen de paarden, ezels, geiten en schapen keken verbaasd op als ze me zagen passeren. Betere omstandigheden om de conferentie voor te bereiden had ik me niet kunnen dromen. 

De polariteit tussen beide omgevingen was opvallend. Destelbergen en Scheldewindeke hebben beide vier e’s in hun naam, maar ze klinken heel anders: moeizaam stappen tegenover speels waaien. Paradoxaal genoeg is de streek van de Destelse bergen (of waar die naam ook vandaan komt) helemaal plat en wordt ze beheerst door de Schelde die er doorheen stroomt. In Scheldewindeke is dan weer geen Schelde te bekennen, maar het landschap is er wel glooiend en heuvelachtig. Passeerden er in Destelbergen dagelijks tienduizenden auto’s onze voor- en achterdeur, dan zijn dat er in Scheldewindeke nog slechts enkele tientallen. Het huis in Destelbergen was kil, vochtig en donker. Alleen ’s avonds vielen de stralen van de ondergaande zon door het raam aan de voorkant. Het huis in Scheldewindeke is droog, goed geïsoleerd en het zit vol ramen. ’s Ochtends werpt de opkomende zon haar stralen door de ramen aan de achterkant. In Destelbergen werd ik ’s morgens begroet door het gebrul van de autostrade, in Scheldewindeke zijn het de vogels (en de hanen) die me wakker maken. En zo kan ik nog een tijdje doorgaan, het lijstje van polariteiten is lang. Maar één ding is duidelijk: dit kan geen mens bedenken, laat staan uitvoeren.  

De verhuis viel ook nog samen met een andere grote verandering in mijn leven: ik ging met pensioen. Uiterlijk veranderde er natuurlijk niks, want ik leefde al meer dan 30 jaar als een soort gepensioneerde. Maar nu hoefde ik het niet meer undercover te doen. Gedaan met het zoeken naar woorden als mensen me vroegen wat ik zoal deed. Gedaan met de schaamte en de verontschuldigingen voor het feit dat ik al zowat m’n hele leven ‘niks’ deed. Eindelijk had ik de officiële toestemming om langs de wegen te dwalen, te zitten schilderen of andere onnutte dingen te doen. Ik was niet langer vluchteling in eigen land. En dat voelde geweldig. Het was alsof er een nieuw leven begon en ik genoot van ieder moment. Paradoxaal genoeg werkte ik nu harder dan ooit. Bovendien was het winter. Ik hoefde niet in de tuin te werken (die ik nu eindelijk had) en ook de kartonnen dozen konden nog wel even in de garage blijven staan. De ‘geest van de conferentie’ had alles tot in de puntjes geregeld. Ik kon het nauwelijks geloven, maar ik moest wel, want ik had er zelf geen enkele verdienste aan.