Lichtbaken (6)

door lievendebrouwere

  

Na zes maanden van ontspannen inspanning – waarbij de laatste drie maanden zowel een voortzetting als een omkering van de eerste drie waren geweest – brak dan eindelijk het grote moment aan. Vlak ervoor stak onverwachts een storm op waarvoor de kranten nu eens niet hadden gewaarschuwd. Na afloop gingen de hemelsluizen open en volgde de ene maartse bui op de andere. Hadden de media met geen woord gerept over de conferentie, de natuurwezens was ze niet ontgaan. Ze reageerden op hun manier. Of was het alweer toeval en inbeelding? Begonnen werd op vrijdagavond met een voordracht van Peter Selg, een grote naam in de antroposofische wereld en min of meer de opvolger van Sergej Prokofieff. Deze laatste had ik ooit in Antwerpen, op nagenoeg dezelfde plek, horen spreken en daarvan was me vooral het beeld van een extreme tegenstelling bijgebleven: aan de ene kant een stijve man in saai blauw pak die sprak over zeer geestelijke dingen, aan de andere kant de heksenketel van de Sinksenfoor die de grond deed daveren. Een polariteit was het echter niet. Tussen beide uitersten bestond geen enkel verband. Het waren twee aparte werelden die, hoewel slechts door een raam gescheiden, van elkaars bestaan niet afwisten.

Dit keer was het echter februari. Geen Sinksenfoor te bekennen. De volkskermis was trouwens al lang van het Zuid verdreven door hipsters en kunstgalerijen. Peter Selg zou aan de overkant van de Volksstraat spreken, in een kerk. Ik had hem graag eens bezig gezien, al was het maar uit nieuwsgierigheid naar de man-met-de-hoed die zoveel boeken schreef (waarvan ik er nog nooit een had gelezen). Maar ik ben een ochtendmens, ik kom ’s avonds niet graag mijn huis uit en bovendien had geen zin om vervoer en/of overnachting te regelen. Na zes maanden in de wereld van de geest vertoefd te hebben, stond mijn hoofd niet naar praktische zaken. Ik besloot pas de volgende dag naar Antwerpen te gaan. 

Na een slapeloze nacht stond ik al vóór zessen koffie te maken. Het zou echter nog tot 11 uur duren voor ik de Scheldestad bereikte. Ik was vergeten dat het met de trein altijd een beetje reizen is. Scheldewindeke sliep nog toen ik op het verlaten perron in een goeddeels lege trein stapte. Na Moortsele, Landskouter en Gontrode passeerden we Melle, waar we 15 jaar gewoond hadden voor we naar Destelbergen verkasten. Het station lag er nog altijd verwaarloosd bij, er was niks veranderd. In Gent kwam ik echter in een heel andere wereld terecht. De perrons waren gemoderniseerd in de megalomane huisstijl van de NMBS, ik herkende ze nauwelijks nog. De vertrekhal werd overspoeld door horden luidruchtige scouts. Bedelaars lagen op de grond. Mensen kochten haastig een kop koffie. Ik was meteen wakker. De eerste trein naar Antwerpen vertrok al over een kwartier, zag ik, maar hij bleek niet verder te gaan dan Zwijndrecht. Daar kon je dan de tram nemen, zei het bord. Dat zou ik niet doen, zei de mevrouw aan het loket. Dus werd het drie kwartier wachten. 

De volgende trein reed wél tot in Antwerpen, maar hij had geen haast. Hij maakte eerst een reis rond de wereld. In Sint-Niklaas was alles nog normaal. De zon deed het goud blinken op de kerktoren. Of was het het stadhuis? Hier had ik nog een jaar academie gelopen. Het was de tijd van Clouseau’s eerste hit: Anne, als ik jou zie ben ik niet meer bij te sturen … Ik had mijn Anne toen reeds gezien, ik was er zelfs mee getrouwd. Dit keer was het echter de trein die het stuur kwijt leek te zijn, want opeens reden we in Temse over de Schelde. Dat was niet de reguliere weg. Terwijl iedereen naar zijn smartfoon zat te staren, keek ik gefascineerd door het raam. Ik heb Temse altijd een betoverende plek gevonden. Vroeger reed ik er naartoe via het Buitenland, want zo heette de straat die je tot bij de dijk bracht waar de Schelde in majesteitelijke traagheid voorbij gleed. We passeerden Bornem, waar het kasteel staat van Marnix van Sint Aldegonde, die burgemeester was toen Antwerpen in 1585 viel en de neergang van Vlaanderen begon. We reden door Puurs, het geboortedorp van mijn oude leraar Nederlands die in mij de liefde voor de Rede deed ontvlammen. Daarna kwam Boom, het land van de bakstenen, waar de oude kleiputten vijvers waren geworden. Er was een natuurgebied ontstaan aan de rand waarvan mijn oudste vriendin Margot vroeger met haar Kamiel woonde, als de Philemon en Baucis van Antwerpen. En zo bereikten we ten slotte het Centraal Station, na wat een heuse reis door mijn verleden was geweest.  

Ook Antwerpen maakt deel uit van dat verleden, een zeer belangrijk deel zelfs. Ik was nog geen 20 toen ik de koekestad leerde kennen en het was liefde op het eerste gezicht. Mijn hart ging open, hier kon het vrij ademen, hier leefde een geest die mij vertrouwd was. Ik had hem leren kennen in de academie van … Mechelen. Die was toen een toevluchtsoord voor kunstenaars die Antwerpen ontvlucht waren na de inval van de barbaren (lees: van de hedendaagse kunst). Mijn leraar – ik had er maar één, net als in een steinerschool – liet nooit na te beklemtonen dat hij intra muros was geboren en dus niet tot het plebs van boate tstad behoorde. Wat hield ik van die Sinjoren met hun volkse hart en hun koninklijke zelfbewustzijn! Alleen al hun taal deed me helemaal smelten. En ik was een West-Vlaming! Groter tegenstelling bestaat er in dit land niet. Blijkbaar heb ik sterke karmische banden met Antwerpen, de stad van de onovertroffen Rubens, de stad waar Breughel en Brouwer gewerkt hadden, de stad waar De Braekeleer zo diep gezwegen heeft. Weinig steden kunnen bogen op zo’n indrukwekkend artistiek verleden als Antwerpen en mijn hart brak toen de Sinjorenstad opnieuw viel, precies 400 jaar na de eerste keer. Ze gaf de geest en niemand leek dat te merken. Maar ik kon de aanblik van haar stoffelijke resten niet verdragen. Ik verliet de Scheldestad en meed haar als de pest. 

En nu, 33 jaar later, keerde ik terug. Het was als een bezoek aan het graf een gestorven geliefde. De gouden zon waarmee de dag zo stralend was begonnen, viel niet meer te bekennen toen ik het Centraal Station uitstapte. De Keyserlei strekte zich grauw en grijs voor me uit. Wat een troosteloosheid! Halsoverkop haastte ik mij naar de Volksstraat. Om de drukte van de leien te ontlopen, dook ik de stad in, maar ik vond er mijn weg niet meer. Ik passeerde de Vogelenmarkt en besefte het niet eens. Antwerpen was onherkenbaar geworden. Gelukkig zag ik twee politieagenten, een man en een vrouw. Waar ligt het museum? vroeg ik hen. Dat leek me veiliger dan naar de steinerschool te vragen. Ze keken me aan alsof ik wilde weten waar een dode opgebaard lag. Zwijgend wezen ze me de richting aan. Ik kwam in de Scheldestraat terecht, nog altijd totaal gedesoriënteerd. Maar toen smoeg ik de hoek om en zag aan de overkant opeens de Hiberniaschool liggen. De ingang was gedrapeerd met grote zwarte doeken en binnen wachtte me de grootste ‘koffietafel’ die ik ooit gezien had. De ochtendvoordracht was net afgelopen en het geroezemoes van meer dan 200 mensen vulde de benedenverdieping. Het was me gelukt! Ik had er lang over gedaan maar ik was eindelijk op mijn bestemming geraakt. 

Advertenties