Lichtbaken (7)

door lievendebrouwere

  
Ik stond nog met mijn kop koffie in de hand toen de gong weerklonk: de werkgroepen zouden beginnen. Ik had het lijstje in de folder bestudeerd en vond het moeilijk om te kiezen. Eén man wilde ik echter graag horen: Mathijs van Alstein. Hij was degene van wie ik een werkgroep had overgenomen omdat hij na de middag verhinderd was, en door dat ‘toeval’ had ik aan de conferentie kunnen deelnemen. Zoiets schept toch een zekere band. Maar dat was niet de enige reden waarom ik hem wilde horen. Iets zei me dat het interessant zou zijn en ik was niet de enige die dat dacht want zijn werkgroep vond bij wijze van uitzondering plaats in de grote zaal, zoveel belangstelling was er. Kwam dat doordat hij een ex-leerling van de school was? Wilde men graag eens een priester aan het woord horen? Wie zal het zeggen. Op het podium stapte een slanke jongeman van tussen de 25 en de 30 jaar. Naderhand zou blijken dat ik hem meer dan 10 jaar te jong had geschat. Op een rustige en zelfverzekerde manier vertelde hij wie hij was en waarover hij het zou hebben. Het klonk alsof hij dat meer gedaan had. 

De uiteenzetting die volgde was helder, eenvoudig en to the point. Het was zo’n voordracht waarvan je dingen onthoudt en dat vind ik al heel wat. Ik luisterde met groeiende belangstelling, maar ook met stijgende verbazing. Want wat Mathijs van Alstein vertelde, kwam in wezen op hetzelfde neer wat ik later op de dag in mijn eigen werkgroep zou gaan vertellen. Daar keek ik van op. Tot voor kort had ik nog nooit gehoord van de man, laat staan dat ik wist waarover hij het zou hebben. Over het trinitaire denken, zo stond het in de folder. Maar wat moest ik me daarbij voorstellen? Stond dat soort denken niet haaks op mijn eigen denken-in-tegenstellingen? Juist daarom wilde ik er meer over weten. Tot mijn verrassing bleken we het met elkaar eens te zijn en kwam Mathijs tot gelijklopende conclusies als ik. Een mooiere bevestiging van het bestaan van de ‘geest van de conferentie’ had ik me niet kunnen dromen. Maar ik had hem onderschat. Opeens hoorde ik Mathijs het woordje ‘karikatuur’ gebruiken. De tegenmachten, zei hij, waren karikaturen van de Triniteit. Krijg nou wat! dacht ik. Hoe groot was de kans dat iemand op deze conferentie over karikaturen zou spreken? En Mathijs deed het niet één keer, of twee keer, hij deed het wel tien, twintig keer. Het hele tweede deel van zijn voordracht leek in het teken van de karikatuur te staan, de karikatuur als abstract begrip weliswaar, niet als concreet kunstwerk, maar toch. Ik stond perplex. 

Een klein uur geleden had ik de zwarte doeken die de ingang tot de school afsloten, opzij geschoven en was de grote ruimte vol levendig pratende mensen binnengestapt. Niemand nam notitie van mij. Ik schoof aan voor een kop koffie en had nog maar één slok gedronken of ik moest me al naar de zaal reppen. Zonder een woord gesproken of een groet uitgewisseld te hebben, ging zitten en dacht: ik had net zo goed een toevallige voorbijganger kunnen geweest zijn die gewoon was binnengestapt om eens te kijken wat hier gaande was. Niemand had me iets gevraagd, niemand had me iets gezegd. Maar wat de mensen niet deden, deed de geest van de conferentie wel: hij verwelkomde mij, en hij deed dat in de taal die ik begrijp, de taal der beelden. Het werd me warm om het hart. Na afloop van de werkgroep schoof ik aan voor het middagmaal. Meneer, zeiden de (letterlijk) opscheppende meisjes: u heeft geen badge, wij mogen u geen eten geven! Ik antwoordde: als ik geen eten krijg, kan ik straks geen werkgroep leiden! O, zeiden ze, in dat geval … Ik ging bij enkele oude bekenden uit Gent zitten en begon me een beetje thuis te voelen.

Rechts naast me zat iemand die ik niet kende. Toen ze me hoorde praten, zei ze: je bent ook niet van hier, is het wel? Nee, antwoordde ik, ik kom uit Gent. Dat is toch geen Gents wat ik hoor? fronste ze de wenkbrauwen. Nee, zei ik, ik woon wel in het Gentse maar ik ben opgegroeid in Mechelen, vandaar. Nu was ze helemaal in de war, en ik hielp haar uit de brand: mijn ouders zijn van Gullegem en Stasegem (spreek uit: Hullehem en Stoasehem). Ik illustreerde dat met een lokale uitdrukking: aa Oarelbeke ni gescheetn, Stoasegem na gin eetn! Ja, lachte ze, zo ken ik de West-Vlamingen wel! Ik knikte: stofwisselingshumor, daar zijn we goed in. Denk maar aan Kamagurka en Wim Delvoye: beroemd geworden dankzij stront. De toon was meteen gezet: spontaan was het gesprek op kunst gekomen. Ja, het zou nog leuk worden op deze conferentie, dat voelde ik. 

Maar nu liet mijn slapeloze nacht zich voelen. Als ik om vijf uur – de start van mijn werkgroep – nog wakker wilde zijn, moest ik ergens een dutje kunnen doen. Gelukkig had ik al iemand gevonden waarmee ik ’s avonds mee terug naar Gent kon rijden. Daar hoefde ik me al geen zorgen meer over te maken. Werner Govaerts ontfermde zich over me en wees me de weg naar de ziekenboeg. Ik trok mijn schoenen uit en sloot met een zucht van verlichting de ogen. 

Om halfvijf werd ik wakker, precies op tijd. Ik trok mijn schoenen weer aan, ging me wat opfrissen en haalde een kop koffie, de zoveelste vandaag. Daarna ging ik op zoek naar het lokaal waar het zou gebeuren. Ik moest er helemaal voor naar de bovenste verdieping en was buiten adem toen ik lokaal 4.14 vond. Hé, dacht ik, 14 was mijn huisnummer toen ik in de Teichmannstraat woonde (Constance Teichmann was de Antwerpse Florence Nightingale). Ik opende de deur en mijn hart sloeg over. Door het raam zag ik het beeld waarop ik meer dan 40 jaar geleden verliefd was geworden: het panorama van de stad met in het midden de Onze-Lieve-Vrouwetoren. Dat uitzicht zag ik dagelijks vanuit de RTT-toren in de Lange Nieuwstraat waar ik tijdens de grote vakantie als jobstudent werkte. Ik was ingedeeld bij de inlichtingendienst van wat later Belgacom zou worden, en werd geprezen voor mijn geduld met de klanten en mijn karikaturen van de werknemers. Was dat niet een beetje hetzelfde wat ik ook nu weer zou doen: inlichtingen verstrekken en karikaturen tekenen? Ja, het leven kan wonderlijk zijn! En de geest die zoiets regelt, is een groot kunstenaar. Ik was er klaar voor. Met zijn zegen zou ik een vervolg breien aan het betoog van Mathijs Van Alstein, ik zou er bij wijze van spreken een tekeningetje bij maken …

(Op de foto: Mathijs van Alstein)

Advertenties