Lichtbaken (8)

door lievendebrouwere

  

Mijn werkgroep heette officieel ‘van twee naar drie: polariteitsbewustzijn en het gesprek’, een titel die ik niet zelf had bedacht. Vijfentwintig mensen hadden zich aangemeld: niet slecht voor een debutant én een karikaturist! Maar echt belangrijk vond ik dat getal niet. Belangrijk was dat de vraag gesteld was. Belangrijk was ook dat ik erin geslaagd was een antwoord te formuleren. Hoe dat geapprecieerd zou worden, was een zaak van het lot. Een kunstenaar is in de eerste plaats verantwoording verschuldigd aan zichzelf. En ik was tevreden, of beter gezegd, blij met wat ik gemaakt had. 

Het was nochtans een bewogen laatste week geweest. Toen ik An vertelde dat ik er klaar voor was en haar een résumé gaf van mijn uiteenzetting, antwoordde ze doodleuk: ‘Dat is veel te lang! Je moet meer ruimte laten voor een gesprek, daarvoor komen mensen naar een werkgroep. Bovendien kun je niet klagen dat er geen redelijk gesprek meer mogelijk is en het dan zelf onmogelijk maken door te lang aan het woord te blijven.’ Daar had ik niet van terug. Vooral dat laatste argument gaf de doorslag. Het was inderdaad een klassieke valstrik om een fout aan te kaarten en ze tegelijk zelf te begaan. Ik was er bijna ingestonken. Maar nu zat ik wel in de penarie. Zes maanden had ik hard gewerkt om iets op poten te zetten en nu moest ik het helemaal herzien. Paniek sloeg toe. Gelukkig herinnerde ik mij dat snoeien doet bloeien en ik zette ongenadig het mes in mijn betoog. Het hele corpus sneuvelde, alleen de kop en de staart bleven over. Ik moest van mijn hart een steen maken, maar ik zag dat het beter was. Een uur zou ik spreken en dan bleef er nog een half uur over voor vragen en een gesprek. Precies hetzelfde stramien dat Mathijs Van Alstein zou volgen. 

Wat nu volgt is een uitgebreid relaas van wat ik op 25 februari verteld heb en nog had willen vertellen. Alles wat ik er in die laatste week heb uitgehaald, ga ik er nu weer insteken. 

Na de stopwatch van mijn (speciaal voor de gelegenheid gekochte) smartfoon te hebben ingesteld, stak ik van wal met mijn verwelkoming: Ik ben oprecht blij u te zien, want ik had toch wel even gevreesd hier helemaal te zitten. Wie wil er nu gaan luisteren naar een karikaturist als hij de keuze heeft tussen een pleiade van doctoren, professoren, filosofen, wetenschappers, priesters en andere ernstige lieden! Toen ik in de folder las hoe ik werd voorgesteld, dacht ik eerst dat het om een grap ging. Als ex-karikaturist kon ik daar natuurlijk best om lachen. Ik vond het wel iets hebben: een nar tussen al die koningen van de geest. Maar ik kon toch niet bedenken waarom de organisatoren van een toch wel ernstige conferentie een grap hadden willen uithalen. Hoe meer ik daarover nadacht, hoe sterker het vermoeden werd dat het hier om een ‘karmische vingerwijzing’ ging en dat mij op deze manier de taak werd toebedeeld om tijdens deze conferentie op te treden als karikaturist. Ik begon na te denken over het fenomeen karikatuur, en zo ontstond de inhoud van deze werkgroep. Daar wilde ik toch graag even de nadruk op leggen: ik heb die inhoud niet zelf gekozen, hij heeft als het ware mij gekozen.  

Wie begint na te denken over de karikatuur wordt al meteen geconfronteerd met een begripsverwarring: de karikatuur wordt heel vaak verward met de kartoen. Ofschoon het om twee zeer verschillende zaken gaat, lijkt de moderne mens er maar niet in te slagen ze uit elkaar te houden. Op het eerste gezicht gaat het om een onbenullige kwestie, want zowel de karikatuur als de kartoen zijn marginale verschijnselen in de wereld van de kunst. Niemand neemt ze echt ernstig. Wie dat echter toch doet, komt algauw tot de vaststelling dat het hier allesbehalve om een onbenullige kwestie gaat. De verwarring tussen de karikatuur en de kartoen staat namelijk model voor de verwarring die in de kunstwereld heerst, en deze verwarring staat op haar beurt model voor de verwarring die in onze moderne wereld heerst. Kunst is altijd al een spiegel geweest van de werkelijkheid waarin we leven en ze is dat vandaag meer dan ooit. 

Wat is nu het verschil tussen een karikatuur en kartoen, het verschil waar de moderne mens het zo moeilijk mee heeft? Kort gezegd komt het hierop neer: een kartoen is een getekende grap, en een karikatuur is een grappige tekening. Precies het omgekeerde dus. Een kartoen is een getekende grap, een grappig idee dus dat in de vorm van een tekening is gegoten. Wie dit idee niet begrijpt, heeft ook niks aan de tekening, wel integendeel. Ze brengt hem in dezelfde gênante situatie als wanneer je een mop hoort vertellen en de pointe niet begrijpt. Je staat dan voor paal en je wordt uitgelachen door degenen die de grap wel begrijpen. In het geval van de karikatuur wordt er ook gelachen, maar niet omdat een idee al dan niet begrepen wordt. Een karikatuur heeft niks te maken met ideeën. Er valt ook niks aan te begrijpen. De karikatuur is geen idee dat in beeld is gebracht, ze is een mens die in beeld is gebracht. 

Wie de kunsttheorie van Rudolf Steiner een beetje kent, weet dat dit onderscheid cruciaal is. Steiner spreekt weliswaar niet over de karikatuur of de kartoen, maar hij spreekt over de idee in de vorm van een zintuiglijke verschijning en een zintuiglijke verschijning in de vorm van de idee. En dat is precies hetzelfde onderscheid als tussen de kartoen en de karikatuur. Maar als dit onderscheid niet slaat op twee soorten tekeningen, waar slaat het in het bij Steiner dan wel op? Het gaat om twee tegengestelde opvattingen over kunst. De ene opvatting, die kunst ziet als de idee in de vorm van een zintuiglijke verschijning, beheerst het gehele moderne denken over kunst. In onze tijd is deze opvatting zo vanzelfsprekend geworden dat ze niet langer voor discussie vatbaar is. Ze is een dogma geworden waar we ons niet eens bewust van zijn. En dat is een kwalijke zaak. Want kunst is volgens Rudolf Steiner helemáál geen idee in de vorm van een zintuiglijke verschijning, ze is precies het omgekeerde. Ze is een zintuiglijke verschijning in de vorm van de idee. 

Advertenties