Lichtbaken (10)

door lievendebrouwere

  

Wat moeten we ons nu voorstellen bij die twee abstracte formules waarmee Rudolf Steiner beide tegengestelde kunstopvattingen aanduidt: de idee in de vorm van een zintuiglijke verschijning en de zintuiglijke verschijning in de vorm van de idee? In het eerste geval is dat niet zo moeilijk. We hoeven maar aan de kartoen te denken: een idee wordt in de vorm van een beeld gegoten, iets geestelijks wordt materieel gemaakt. Duidelijker nog herkennen we deze materialistische opvatting in de hedendaagse kunst. Hier draait alles om ideeën. Wie niet weet welke ideeën een kunstenaar tot uitdrukking heeft willen brengen, kan niets aanvangen met zijn ‘kunstwerken’. Hij kijkt onbegrijpend naar kartonnen dozen, conserven of bananenschillen en vraagt zich af: is dát nu kunst? Maar dat kan hij beter niet luidop doen, want dan haalt hij zich de minachting op de hals van degenen die de in beeld gebrachte ideeën wél kennen. Als hij dus een museum of een kunstgalerij bezoekt, kan hij zich maar beter eerst grondig informeren over de visie van de kunstenaar, over zijn bedoelingen, over zijn ideeën, anders staat hij voor aap en wordt uitgelachen door de kenners, de wetenden, de ingewijden. Zij laten hem dan duidelijk voelen dat er voor cultuurbarbaren zoals hij geen plaats is in de exclusieve wereld van de kunst. 

Ik herinner me nog dat een kunstminnend antroposoof ooit uitriep: hoe kun je nu van kunst genieten als je er niks van afweet! Hij bedoelde: als je niks weet over de kunstenaar, over zijn visie, over zijn bedoelingen, kortom: over zijn ideeën. Ik kon mijn oren niet geloven. Hoe kun je kunst nu zó benaderen! Het is de beste manier om je er helemaal voor af te sluiten. Als je iemand ontmoet ga je toch ook niet eerst zijn doopceel lichten? Waar komt hij vandaan? Wie waren zijn ouders? Heeft hij zijn plechtige communie gedaan? Betaalt hij zijn huishuur op tijd? Welke ideeën houdt hij erop na? Is hij links of is hij rechts? Op die manier leer je (misschien) van alles over hem, maar de mens zelf leer je niet kennen. Daarvoor moet je hem eerst ontmoeten en je zelf een oordeel over hem vormen. Benader je hem echter met vooropgestelde meningen dan blijven die als een scherm tussen jezelf en de ander staan. Alles wat hij zegt of doet, interpreteer je als een bevestiging van je vooroordelen. Met kunst is het niet anders. Ik weet liefst zo weinig mogelijk over de kunstwerken die ik ga bekijken. Ik negeer naambordjes, ik koop geen catalogus, ik luister nooit naar gidsen of deskundigen, en zeker niet naar de kunstenaar zelf. Alleen de kunstwerken krijgen mijn aandacht. Ik maak mijn hoofd helemaal leeg en laat ze zelf aan het woord. 

Dat kunst ook op een niet-intellectuele manier kan benaderd worden, komt in het hoofd van de moderne kunstliefhebber niet meer op. Hij leest boeken en kritieken, hij bestudeert de kunstgeschiedenis, en gewapend met een hoofd vol ideeën trekt hij naar het museum of de kunstgalerij. Op die manier reduceert hij de kunstwerken al op voorhand tot illustraties bij de ideeën in zijn hoofd. Hij zal dan ook niet de kunstwerken zelf zien, maar de ideeën die hij erop projecteert. Hij zal in de spiegel kijken en zien hoe verstandig hij wel is. Daarom houdt hij zo van de kunst: omdat hij van zichzelf houdt en omdat hij die eigenliefde voortdurend bevestigd ziet. Spiegeltje, spiegeltje aan de wand, wie is de verstandigste van het land? Hij krijgt er niet genoeg van die vraag telkens weer opnieuw aan de kunst te stellen. En telkens weer doet het voorspelbare antwoord zijn borst zwellen. Vooral wanneer hij tegenover pispotten, kartonnen dozen en bananenschillen staat, denkt hij bij zichzelf: wat ben ik toch een ziener, wat ben ik toch een spiritueel mens! Want het is heus niet iedereen gegeven to see the world in a grain of sand … 

Onder al die zelfverheerlijking gaat echter een diepe angst schuil, de angst dat kunst inderdaad een spiegel is, niet van de ideeën in zijn hoofd maar van wie hij werkelijk is. En daar is hij doodsbang voor. Hij leeft al zolang met een volkomen fiktieve voorstelling van zichzelf dat hij er niet durft aan te denken wat er achter dat masker schuilgaat. Hij is bang – en terecht – dat de kunst hem zal vertellen dat al die ideeën in zijn hoofd helemaal niks voorstellen. Om het met Thomas van Aquino te zeggen: ze zijn als droog stro. De moderne mens identificeert zich zodanig met de ideeën in zijn hoofd dat hij bang is daarbuiten … niets te zijn. En juist met dit ‘niets’ confronteert de kunst hem in toenemende mate. Hij staat voor beroemde meesterwerken en stelt vast dat ze hem niets zeggen. In zijn ogen zijn het antiquiteiten, eerbiedwaardige oude dingen waar hij als modern mens niks kan mee aanvangen. Wat hij niet beseft, is dat uitgerekend deze ‘oude’ kunst hem confronteert met een louter materiële wereld waar hij geen toegang tot heeft. En dat vervult hem met onmacht en wanhoop, want hij voelt zich buitengesloten, hij voelt zich alleen. 

Gelukkig is er de ‘nieuwe’ hedendaagse kunst die hem voortdurend op de schouder klopt en geruststelt. In deze virtuele wereld kan zijn wie hij wil. Hier kan hij zich een superieur wezen wanen, een ingewijde die diep doordringt in de geheimen van de wereld, geheimen waar de ‘oude’ kunstliefhebber, met zijn oppervlakkige bewondering voor schoonheid, geen flauw benul van heeft. Dat deze onvermoede dimensies alleen maar in zijn hoofd bestaan en dat hij in werkelijkheid naar afval staat te kijken, is een bang vermoeden dat hij met kracht moet onderdrukken. Want zoals Goethe zegt: hoe ver een mens ook afdwaalt, hij blijft zich toch altijd van de rechte weg bewust. Hoever de moderne intellectueel ook gaat in zijn zelfverheerlijking, diep van binnen weet hij dat hij in werkelijkheid een opgeblazen kikker is die alleen maar luid kan kwaken. Daarom heerst er in de wereld van de hedendaagse kunst een frenetieke, aan bezetenheid grenzende bedrijvigheid: de stille stem die de moderne mens herinnert aan wie hij werkelijk is, moet kost wat kost worden overstemd. 

Die ‘artistieke’ bedrijvigheid is een spiegel van de krankzinnige drukte die heerst in de moderne materialistische wereld, waar de mens zichzelf voorbij loopt in een poging om te ontsnappen aan zijn eigen wezen. Hij is er voortdurend in de weer om ideeën te realiseren, om ze ‘de vorm van een zintuiglijke verschijning’ te geven. Maar het gaat uiteraard niet om levende ideeën, het gaat om de dode, abstracte ideeën waarmee zijn hoofd is gevuld. Uit alle macht probeert hij deze dode wereld tot leven te wekken, in de overtuiging dat zoiets mogelijk is, maar dat materialistische streven resulteert alleen in een onvoorstelbare stroom rotzooi. Het resulteert ook in een grote vijandigheid tegenover iedereen die dit streven niet deelt. Wie precies het omgekeerde wil doen, namelijk ‘een zintuiglijke verschijning de vorm van de idee geven’, wordt beschouwd als een barbaar, een vijand van de beschaving. En hier toont het materialisme zijn ware gezicht: dat van een fanatieke religie die geen andersgelovigen naast zich duldt. Hier zien we ook wie de ware vijand van het materialisme is: dat is niet de mens wiens hoofd vol ‘spirituele’ ideeën zit, maar de kunstenaar, de scheppende geest die vanuit de diepten van de wil werkt. 

Advertenties