Lichtbaken (11)

door lievendebrouwere

  

Wat de idee in de vorm van een zintuiglijke verschijning is, zien we vandaag overal. Onze moderne wereld is vergeven van dode, abstracte ideeën die een zichtbare, materiële vorm hebben gekregen. Maar hoe zit het met het omgekeerde? Waar vinden wij zintuiglijke verschijningen in de vorm van de idee? Wat een ‘zintuiglijke verschijning’ is, weten we allemaal. Dat is alles wat we met onze zintuigen kunnen waarnemen. Het is de wereld waarin we leven en die van oudsher het onderwerp is geweest van de (beeldende) kunst. Maar wat is ‘de vorm van de idee’? Wat moeten wij ons daarbij voorstellen? Hebben ideeën dan een vorm? Heeft de geest een gestalte? Op die vragen hebben we niet meteen een antwoord, ze stellen ons voor een raadsel. Dat wil zeggen, ze stellen ons verstand voor een raadsel, want voor ons gevoel is er niks raadselachtigs aan de ‘vorm van de idee’. Wel integendeel. Deze ideële, geestelijke vorm is wat een kunstwerk tot kunstwerk maakt. Het is wat ons ontroert, waar we vreugde aan beleven, wat ons hart doet opspringen. ‘De vorm van de idee’ is in de kunst het meest vanzelfsprekende wat er is, tenminste voor wie zijn gevoel laat spreken. 

Bedenk het wat, maar meer nog het hoe, zegt Goethe in verband met kunst. Het ‘wat’ is de zintuiglijke verschijning of de inhoud van het kunstwerk, het ‘hoe’ is de vorm van het kunstwerk en die is geestelijk of ideëel van aard. Deze vorm heeft verschillende lagen: de astrale laag (de persoonlijke stijl van de kunstenaar), de etherische laag (waarin de tijdgeest en de volksziel meespelen) en de fysieke laag (het medium, het materiaal). Samen vormen ze het ‘lichaam’ van de kunst. Maar hun kunstzinnige kwaliteit krijgen ze pas doordat – en in de mate waarin – ze doordrongen worden met geest. Deze geest is iets ongrijpbaars. Iedere kunstenaar kent het gevoel dat hij zijn werk niet zelf geschapen heeft. De vorm van de idee – datgene dus wat zijn tekening, schilderij of beeld tot een kunstwerk maakt – is niet van hemzelf afkomstig. Zo vertelde mijn tekenleraar ooit over een aquarel die hij gemaakt had en die buiten verwachting goed gelukt was. Ze was aangekocht door iemand die er oog voor had, en iedere keer dat hij daar op bezoek was, ging hij voor die aquarel staan en zuchtte: ik wou dat ik dat kon! 

Kunst kun je eigenlijk niet maken. Je kunt een tekening maken, of een schilderij, of wat dan ook. Maar of het een kunstwerk wordt, of die ‘zintuiglijke verschijning de vorm van de idee’ krijgt, dat heb je als kunstenaar niet in de hand. Je kunt de geest wel een lichaam bereiden, maar je kunt hem niet dwingen dat lichaam te bewonen. De geest waait waarheen hij wil, en alles wat je kunt doen, is er klaar voor zijn als hij je kant op waait. Dat laatste is een genade, het is iets wat de geest zelf bepaalt en waar je als mens geen zeggenschap over hebt. Andersom kan de geest ook niks doen als hij geen materiaal vindt waarmee hij kan werken. Dat ‘materiaal’ is het vakmanschap van de kunstenaar, zijn kunde die hij door veel inspanning verwerft. Van die kunde kan de geest een kunst maken. Hij kan ze verheffen tot de overtreffende trap en ze zijn eigen vorm geven. Deze geestelijke vorm is echter op geen enkele manier strijdig met de persoonlijke vorm van de kunstenaar. De vorm van de idee is tegelijk bovenpersoonlijk en persoonlijk, algemeen en individueel. De geest van de kunst werkt dus eigenlijk van twee kanten tegelijk: hij werkt van onderaf (in de wil van de kunstenaar) en van bovenaf (als een genade). Aarde en hemel gaan in de kunst een huwelijk aan. 

Voor zover hij niet in materialistische zin werkt en abstracte ideeën vorm geeft, leeft de kunstenaar in nauwe relatie met de geest, een relatie die hij steeds weer tot stand moet brengen. Als zodanig is hij een uitzondering in een materialistische wereld die vrij wil zijn van iedere inmenging van de geest. In zekere zin is de kunstenaar de opvolger van de priester, wiens gezag al langer verdwenen was. Maar hij ondergaat nu hetzelfde lot: hij wordt niet meer au serieux genomen, hij wordt beschouwd als een overblijfsel uit oude, duistere tijden. Maar anders dan de priester wordt de kunstenaar niet rechtstreeks bestreden, anders dan de religie wordt de kunst niet frontaal aangevallen door het (wetenschappelijk) materialisme. Ze wordt simpelweg vervangen door een andere kunst, een nieuwe kunst die zichzelf ‘hedendaags’ noemt en met alle mogelijke middelen gepropageerd wordt door overheid, economie en intelligentsia. Wereldwijd wordt ze vereerd in megalomane kunsttempels die overal als paddestoelen uit de grond schieten. Net als de oude religies is deze nieuwe eredienst verplicht. Wie weigert eraan deel te nemen of er – godbetert – kritiek op heeft, wordt zonder pardon geëxcommuniceerd. Hij wordt uit van de gemeenschap der weldenkende en kunstminnende lieden gestoten, met alle gevolgen van dien.

De nieuwe (materialistische) kunst gedraagt zich inderdaad als een religie, met kunstpausen en een uitgebreide clerus. Haar buitengewone succes – althans bij de intellectuele klasse – geeft aan hoe groot de geestelijke nood van de moderne mens is. Hij is letterlijk tot alles bereid om weer het gevoel te hebben in contact te staan met de wereld van de geest, om deel uit te maken van een geestelijke gemeenschap. Maar zo groot als zijn nood is, zo groot is ook zijn angst voor de geest. Nergens komt die angst duidelijker tot uiting als in zijn afkeer voor ‘de vorm van de idee’. Onder geen beding accepteert hij het bestaan van deze geestelijke vorm als een objectief feit. Wat een kunstwerk tot kunstwerk maakt – zijn kunstzinnige kwaliteit dus – wordt afgedaan als iets louter subjectiefs, als ‘een kwestie van smaak’, een persoonlijke mening. Zoals ieder mens zijn waarheid heeft, zo heeft ieder mens ook zijn schoonheid: ieder vindt iets anders mooi, ieder beschouwt iets anders als kunst. Aangezien alle mensen evenwaardig zijn, is er ook geen verschil in waarde tussen hun kunstopvattingen. De ene opvatting als juist bestempelen en de andere als verkeerd – zoals Rudolf Steiner dat doet in zijn esthetica – kwetst de moderne mens diep en hij reageert er verontwaardigd op. 

Toen ik nog jong en baldadig was, heb ik er een tijdlang een sport van gemaakt om op trouwfeesten en andere sociale gelegenheden waar ik mij stierlijk verveelde, het gesprek op kunst te brengen. Het duurde nooit lang voor de gemoederen verhit raakten. Algauw was er van verveling geen sprake meer. Het werkte altijd. Je moest natuurlijk wel de gevoelige plek kennen, maar als je die aanraakte, gingen de poppen gegarandeerd aan het dansen. Je kon de vinger maar best niet te lang op de wonde leggen, want dan werden mensen echt kwaad en kwam er ruzie van. Ik heb dat niet één keer meegemaakt, of twee keer, maar tientallen keren, steeds weer opnieuw. Die ‘wonde’, die gevoelige plek was niets anders dan de vorm van de idee. Beweren dat die geestelijke, bovenpersoonlijke vorm echt bestond en in ieder kunstwerk objectief kon waargenomen worden, volstond om ergernis en soms zelfs woede te wekken. Jarenlang heb ik er een sardonisch plezier in geschept om de materialist in de mens tevoorschijn te lokken, maar het plezier verging me toen ik vaststelde dat deze onverdraagzame materialistische geest zowat in iedereen leefde, ook in mensen die zich niet voor kunst leken te interesseren, ook in mensen die er prat op gingen ‘spiritueel’ te zijn. 

Ik kwam uiteindelijk tot de conclusie dat de moderne mens niet alleen niet meer in de waarheid gelooft, maar ook niet in de schoonheid. Kunst is voor hem een leeg, abstract begrip geworden, iets wat alleen in zijn hoofd bestaat. Aangezien dat hoofd geen onderscheid kan maken tussen goed en slecht, kan het ook geen kunst waarnemen, want kunst is juist datgene wat (in de overtreffende trap) goed gemaakt is. Kunstzinnige kwaliteit is een morele kwaliteit, en tegen het bestaan ervan verzet de moderne mens zich uit alle macht. Dat kunnen we opmaken uit het feit dat hij weigert een (kwalitatief of moreel) verschil te zien tussen het Lam Gods van Jan Van Eyck en de pispot van Marcel Duchamp. Hij noemt ze allebei kunst, wat betekent dat kunst in zijn ogen niet langer bestaat, dat het niet meer is dan een etiket dat ergens wordt opgeplakt. De onvoorstelbare stroom hedendaagse kunstwerken die de wereld overspoelt, is één grote ontkenning van het bestaan van de kunst, van de realiteit van de vorm van de idee. Dat is waar het hedendaagse materialisme zo fel tegen reageert: niet tegen de geest als een abstract idee, maar tegen de geest als een waarneembare, het gevoel en de wil aansprekende realiteit. Het materialisme heeft geen bezwaren tegen de opleving van de religie, omdat het weet dat de geest daar niet meer leeft. Maar de kunst, waar de geest wel nog (een beetje) leeft, moet vernietigd worden. 

Advertenties