Lichtbaken (12)

door lievendebrouwere

  

Volgens Rudolf Steiner is kunst geen idee in de vorm van een zintuiglijke verschijning, maar precies het omgekeerde: een zintuiglijke verschijning in de vorm van de idee. In de praktijk vormt dat onderscheid geen probleem, het springt meteen in het oog. Ten minste, dat deed het tot voor kort, want vandaag ziet de moderne kunstliefhebber geen verschil meer tussen een karikatuur en een kartoen of tussen het Lam Gods van Van Eyck en de pispot van Duchamp. Voor hem is het allemaal hetzelfde. Met andere woorden: hij is blind geworden voor kunst. Want kunst onderscheidt zich van wat geen kunst is. Ze doet dat niet door haar inhoud, en ook niet door haar materiële vorm, maar door haar geestelijke vorm, door ‘de vorm van de idee’. De moderne mens kan deze kunstzinnige kwaliteit niet meer zien omdat hij ze niet meer wil zien. Het materialisme dwingt hem om de (innerlijke) ogen te sluiten voor wat vanzelf spreekt: het verschil tussen schoonheid en lelijkheid, tussen kunst en afval. Het brengt hem ertoe de schoonheid even heftig te ontkennen als de waarheid. En die ontkenning raakt zijn diepste wezen, want het is zijn Ik dat beide waarneemt, het is zijn Ik dat beide herkent. Wie waarheid en schoonheid ontkent, ontkent zichzelf. Geïnspireerd door de materialistische geest zegt hij: ik ben geen mens, ik ben geen geestelijk wezen dat onderscheid kan maken tussen goed en kwaad, ik ben een dier dat geleid moet worden door hogere, superieure wezens.  

De geschiedenis herhaalt zich. In lang vervlogen tijden zag de mens de geest even duidelijk als de materie. Hij kon het bestaan van de geest evenmin ontkennen als wij vandaag het bestaan van de materie kunnen ontkennen. Maar toen begon zijn waarneming van de goddelijk-geestelijke wereld langzaam zwakker te worden: de Godenschemering trad in. De mens raakte voor zijn geestelijke leiding meer en meer aangewezen op ‘specialisten’, op zieners, ingewijden, religieuzen. Maar ook zij ontsnapten niet aan de ‘verblinding’: hun zien werd een geloof en hun geloof werd een dogma. Hun rol werd (althans in het christelijke Europa) ongemerkt overgenomen door de kunstenaars. Zij zagen de geest echter niet langer in de hemel (dat wil zeggen rechtstreeks schouwend in de geestelijke wereld) maar op aarde, in de gewone zintuiglijke wereld. Die verandering van perspectief was natuurlijk het gevolg van de menswording van Christus, die de hemel verlaten had om op aarde te komen. Rudolf Steiner spreekt dan ook over de ‘religieuze missie’ van de kunst. Volgens hem bestaat de grote opgave van de kunstenaars erin om ‘het rijk Gods op aarde te brengen’. Zo zegt hij het letterlijk. Maar vandaag ondergaan de kunstenaars hetzelfde lot als de priesters voor hen: ze raken in de greep van het materialisme. In plaats van het rijk Gods op aarde te brengen, brengen ze in toenemende mate het rijk van de onderwereld op aarde. Ze zijn niet langer een zegen maar een vloek voor de mensheid. 

Het falen van de kunstenaars brengt de mensheid in een precaire situatie: voor het eerst in haar bestaan, dreigt ze het contact met de geestelijke wereld helemaal kwijt te raken. Ze staat voor de keuze: ofwel herstelt ze het contact met de geest, ofwel zakt ze weg in de onderwereld. En daaruit zal ze zich op eigen kracht niet kunnen redden, om de eenvoudige reden dat ze dat niet zal willen. Ze zal er namelijk van overtuigd zijn in … de hemel te zijn terechtgekomen en ze zal er alles voor doen om daar te blijven. Het klinkt als goedkope science fiction, maar het is harde werkelijkheid, een werkelijkheid die we nu reeds in de kunstwereld kunnen waarnemen. Hedendaagse kunstenaars scheppen weerzinwekkende, beschamende en soms ronduit demonische beelden. Ze leven innerlijk (en soms ook uiterlijk) in een soort onderwereld, maar de gedachte om daaruit te willen ontsnappen komt in hen niet op. Ze voelen zich juist bevrijd uit de gevangenis van de burgerlijke, traditionele kunst en willen daar nooit meer naar terug. Met een gevoel van ontzetting kijken ze naar bekrompen concepten als schoonheid en waarheidsgetrouwheid, en prijzen zichzelf gelukkig daaraan ontsnapt te zijn. Ze wanen zich mijlenver verheven boven hun voorgangers en de gedachte dat ze gered zouden moeten worden, vinden ze ronduit bespottelijk. In hun ogen is het net omgekeerd: het zijn de anderen die gered moeten worden, en ze spannen zich dan ook tot het uiterste in om hun blijde boodschap te verkondigen. 

Hun heilsmissie beperkt zich niet langer alleen tot de kunst. De geest die hen bezielt is sinds kort uit de fles: hij verspreidt zich nu ook buiten de kunstwereld. Moslimterroristen bijvoorbeeld gaan zich te buiten aan beestachtigheden van het ergste soort. Ze zijn bezeten door demonen en leven in een soort ‘occulte gevangenschap’ waaruit ze niet kunnen ontsnappen omdat ze dat niet willen. Ze beschouwen zichzelf namelijk als een avant-garde, een broederschap van martelaren die de ultieme religie van liefde en vrede op aarde komen brengen. Niets kan hen van hun stuk brengen want ze staan reeds met één been in de hemel. Ze dragen het witte kleed van de heiligen en van op hun geestelijke hoogte kijken ze neer op het verachtelijke gedoe van ongelovigen en geestelijke zwakkelingen. Maar niet alleen de (oosterse) moslimterroristen zijn bezeten door de hedendaagse geest van het materialisme. Een zelfde bezetenheid vinden we ook bij het politiek-correcte deel van de Westerse bevolking. Op hun manier zijn deze intellectuelen ook terroristen: ze verspreiden terreur door morele angst, door de angst beschouwd (en behandeld) te worden als een racist, een sexist, een fascist, een haatzaaier, kortom als een door en door slecht mens. In hen werkt dezelfde geest die we ook in het moslimterrorisme en de hedendaagse kunst aan het werk zien. Met enige ironie zou je het een driegelede geest kunnen noemen: hij verspreidt zich via wetenschap, religie en kunst. 

Deze onderwereldgeest heeft het onzinkbaar gewaande schip van de mensheid lek geslagen. Hoewel het orkest nog altijd vrolijk speelt, is het slechts een kwestie van tijd voor we ten onder gaan. De belangrijkste vraag luidt dan ook: hoe kunnen we ons redden? Zoals Bernard Lievegoed het in zijn laatste boek formuleerde: het gaat om de redding van de ziel. En die ziel kan maar op één manier gered worden: door het contact met de geest te herstellen. Maar dat kan niet de oude, oorspronkelijke Vadergeest zijn, want die weg is voor ons afgesloten. Niemand komt tot de Vader dan door mij, zei Christus. De geest die onze ziel kan redden, is de geest die de kunstenaars zagen (en volgden) toen zij nog niet in de greep van de onderwereld waren geraakt: de Zoongeest, de scheppende geest-in-de-materie. Deze Christusgeest plaatst ons echter voor een kapitaal probleem: hij leeft in dezelfde aards-zintuiglijk sfeer als de geest van het materialisme. Het herstellen van het contact met de geest krijgt daardoor een heel specifiek karakter: er moet onderscheid gemaakt worden tussen de Christusgeest en zijn materialistische tegenpool. Het probleem is dus niet contact met de geest op zich, want dat contact is sinds het einde van het Kali Yuga hersteld. De moderne mens neemt de geestelijke wereld opnieuw waar, hij wordt in toenemende mate weer helderziend. Het probleem is echter dat hij dat niet weet. Hij maakt geen onderscheid tussen zijn zintuiglijke en zijn bovenzintuiglijke waarnemingen. 

De materialistische geest werkt in onze zintuiglijke waarneming. Alles wat we met onze fysieke zintuigen zien, horen, voelen enzovoort wordt door hem bepaald. De Christusgeest daarentegen nemen we alleen bovenzintuiglijk waar, zijn rijk is immers ‘niet van deze wereld’ (ook al heeft hij er zich mee verbonden heeft). Doordat we ons echter niet bewust zijn van onze bovenzintuiglijke waarnemingen, onderscheiden we ze niet van onze zintuiglijke waarnemingen en zien we geen verschil tussen de Christusgeest en zijn antichristelijke tegenpool. Onze waarneming is dus in toenemende mate een – onbewuste – vermenging van zintuiglijke en bovenzintuiglijke indrukken. Als gevolg daarvan worden ook de werkingen die van Christus en de Antichrist uitgaan met elkaar vermengd. Met name in de politieke correctheid is dat heel goed waar te nemen (sic). We treffen de politiek-correcte geest vooral aan in leidende intellectuele kringen. Dat zijn kringen die uitgesproken atheïstisch zijn, maar toch worden zij bezield door bij uitstek christelijke idealen: vrijheid, gelijkheid, solidariteit, verdraagzaamheid, naastenliefde. De Christusgeest is met andere woorden heel sterk werkzaam in deze mensen. Alleen, zij weten dat niet. En daardoor wordt die Christusgeest vermengd zijn tegenpool, en veranderen al die schitterende christelijke idealen in middelen om terreur te verspreiden. In naam van de liefde wordt haat verspreid, in naam van de vrede wordt oorlog gevoerd, in naam van de kunst wordt afval geproduceerd. 

Als de moderne mens zijn ziel wil redden en niet wil wegzinken in een dierlijke onderwereld, dan moet hij opnieuw contact maken met de geest. Op eigen houtje haalt hij het niet, daarvoor zijn de problemen veel te groot en veel te complex geworden. Maar contact maken met de geest betekent: onderscheid maken tussen de twee grote tegengestelde geesten die momenteel hun werkzaamheid op aarde ontplooien. Als de mens dit onderscheid niet maakt, zal het contact met de geest hem niet redden, het zal hem juist naar de ondergang voeren. Het woordje ‘geest’ heeft vandaag geen enkele betekenis meer. Het kan om het even wat betekenen, zelfs het tegenovergestelde. Daarom gaat het er in onze tijd om levende geesten te leren onderscheiden, heel praktisch en heel concreet. We beleven apocalyptische tijden, niet alleen omdat het Beest uit de afgrond opstijgt, maar ook – en vooral – omdat het eruitziet als een lam, dat wil zeggen als de wedergekomen Christus. Dit beestachtige kwaad zou nooit zo’n enorme greep op de mens kunnen krijgen als het zich niet voordeed als het absoluut goede. Het is deze wolf-in-een-schaapsvacht die de moderne mens compleet in verwarring brengt en een veel groter gevaar voor hem betekent dan het rechttoe-rechtaan materialisme. Vandaag hult het materialisme zich in de vorm van de idee, het vermomt zich als kunst en appelleert daarmee aan het onbewuste weten dat schoonheid de wereld zal redden, zoals Dostojevski reeds wist. 

Als de wereld gered wordt, zal het door de kunst zijn. Maar dan moeten we wel opnieuw leren waarnemen wat kunst is. We moeten de ‘vorm van de idee’ leren onderscheiden van de inhoud, anders zullen we door die inhoud misleid worden. Daar is echter moed voor nodig. Niemand durft zich vandaag nog openlijk te verzetten tegen de Antichrist die zich hult in het kleed van de (hedendaagse) kunst. Zijn macht strekt zich uit van Noord tot Zuid, van Oost tot West. Terwijl in de werkelijkheid nog volop strijd woedt, heerst in de kunstwereld al een halve eeuw vrede. Het is echter de vrede van een mensheid die zich onderworpen heeft, die haar ziel heeft verkocht en trots alles slikt wat haar wordt voorgehouden. Het geeft een idee van het formaat van de vijand waarmee we momenteel geconfronteerd worden, want in de kunst kan niemand gedwongen worden. Al die ontelbare hedendaagse kunstenaars en kunstliefhebbers knielen uit vrije wil in het stof, zonder dat hun leven in gevaar is (zoals buiten de kunst wel het geval is). De oorzaak van deze collectieve onderwerping moet dan ook op geestelijk vlak worden gezocht, en wel in het gebrek aan kunstzinnig onderscheidingsvermogen. Rudolf Steiner zei het al: we hebben geen nood aan Christus (want Hij is er), we hebben nood aan bewustzijn van Christus. Dat is wat we vandaag nodig hebben om onze ziel te redden: het vermogen om Christus te onderscheiden van zijn tegenpool. En waar kunnen dat vermogen beter verwerven dan in de kunst? 

Advertenties