Lichtbaken (14)

door lievendebrouwere

  

Het heeft me altijd verbaasd hoe nauw het luistert om een gelijkend portret te maken. Meer dan eens is het me overkomen dat ik iemand volgens de regelen der kunst had getekend en dat hij er desondanks niet op leek. Dan begon de zoektocht naar de ‘fout’ en ik stond er telkens weer van te kijken hoe klein die kon zijn. Het volstond soms om een lijntje een fractie van een millimeter te verplaatsen of een accent wat zwaarder (of lichter) te maken en het niet-gelijkende portret veranderde als bij toverslag in een gelijkend portret. Hoe zoiets mogelijk was, begreep ik niet. Ik kon het alleen maar vaststellen. Blijkbaar moet alles kloppen opdat een getekend gezicht herkenbaar zou zijn. 

Dat geldt trouwens ook voor een echt gezicht. Toen ik nog in Brussel werkte, kwam er op een dag een onbekende het kantoor binnengewandeld. Dat was op zich al vreemd, want er kwamen nooit onbekenden op kantoor. Maar nog vreemder was dat de man deed alsof hij thuis was en ons allemaal kende. Het was een onwezenlijke ervaring die al vlug onaangenaam werd. Dat voelde de onbekende ook, want hij zette zijn bril af en trok voorzichtig een dun, vrijwel onzichtbaar laagje rubber van zijn neus. Opeens herkenden we Jean, een collega die het tegendeel van een onbekende was. De dag tevoren was hij in een speciaalzaak voor feestartikelen een – heel gesofisticeerde – fopneus gaan kopen. Eens aangebracht, kon je er niks meer van zien. En die valse neus, dat onooglijke laagje rubber volstond om hem volkomen onherkenbaar te maken. 

Ik weet nog dat ik behoorlijk van slag was door de hele zaak. Hoe was het mogelijk dat ik Jean niet herkend had? Doorgaans heb ik er geen enkele moeite mee om mensen te herkennen, wel integendeel. Maar één kleine verandering had van een bekende een onbekende gemaakt en dat ontredderde me. De idee dat er zo weinig nodig was om mensen onherkenbaar te maken, raakte me heel diep. Het confronteerde me met de kwetsbaarheid van de ‘vorm van de idee’. 

Stel je voor dat je jarig bent en je vrouw organiseert een groot feest waarop ze iedereen uitnodigt die je kent. Eén ding vertelt ze je evenwel niet: ze heeft voor iedereen een valse neus gekocht. En dus betreed je vol verwachting de feestzaal en wordt daar enthousiast begroet door … louter vreemden. Je denkt: we hebben ons van zaal vergist. Maar je blijkt de enige te zijn die dat denkt, want alle anderen doen alsof er niks aan de hand is. Kun je in zo’n geval anders dan concluderen dat je gek bent geworden? Als je andere mensen niet meer herkent, ga je twijfelen aan jezelf, je verliest de grond onder je voeten. Is dat niet wat gebeurt als iemand dementeert? Wie anderen niet meer herkent, wordt ook zelf onherkenbaar. Hij verliest de greep op zijn leven, hij is er hulpeloos aan overgeleverd. 

Dat was wat me zo diep schokte toen Jean zijn valse neus van zijn gezicht trok. Ik realiseerde me opeens hoe kwetsbaar het leven was, hoe weinig er nodig was om het in een nachtmerrie te veranderen: één klein detail. Nu moet wel gezegd worden dat het niet zomaar een detail was. De neus is cruciaal voor het herkennen van mensen, meer dan de ogen, meer dan gelijk welk ander onderdeel van het gezicht. Clowns weten dat heel goed: ze zetten een rood bolletje op hun neus en worden op slag onherkenbaar. Dat ene kleine attribuut stelt hen in staat iemand anders te worden. De neus vertegenwoordigt het Ik in iemands gezicht, hij is er het centrum van. Geen enkel ander lichaamsdeel brengt het individuele van een mens zo sprekend tot uitdrukking. 

Nu rijst er natuurlijk een vraag. Volgens Rudolf Steiner lezen we iemands Ik niet af aan zijn fysieke verschijning. We nemen het rechtstreeks waar, op bovenzintuiglijke wijze. Maar als dat zo is, hoe komt het dan dat één kleine verandering in die fysieke verschijning volstaat om het Ik onherkenbaar te maken? Hoe kan iemands zintuiglijke verschijning zo’n grote rol spelen in de waarneming van zijn Ik, als dat Ik op niet-zintuiglijke manier wordt waargenomen? De relatie tussen beide is blijkbaar heel complex. 

Eén ding is alvast zeker: materie en geest, fysieke verschijning en Ik zijn zeer verschillende zaken. Dat kun je gewaarworden wanneer je naar iemand begint te ‘staren’, wanneer je hem dus ziet zonder hem te zien. De wilsactiviteit verdwijnt dan uit de waarneming en je komt terecht in een vreemde en bevreemdende wereld van louter vlees en huid en haar. De ander is verdwenen, je hebt geen enkel contact meer met hem, ook al staat hij vlak voor je neus. Een aangename ervaring is dat niet, maar ze maakt je wel bewust van het feit dat we een mens alleen echt kunnen zien wanneer we hem zintuiglijk én bovenzintuiglijk waarnemen. 

Dat merk je ook in het geval van een dode mens. Eigenlijk is dat een contradictio in terminis: een dode is geen mens meer. Dat ondervond ik toen destijds mijn gestorven leraar ging ‘groeten’. Hij was de eerste dode die ik ooit van dichtbij zou zien en ik keek er wel een beetje tegenop. Als kind weigerde ik naar gestorven mensen te gaan kijken. Ik wilde met de dood niets te maken hebben. Dit keer kon ik er echter niet onderuit. Op weg naar het ziekenhuis waar de dode opgebaard lag, passeerde ik een café dat ‘In de zevende hemel’ heette. Daar moest ik om lachen. Zou hij daar reeds zijn? Even later werd ik binnengelaten in een klein kamertje waar hij in een veel te groot kostuum lag. Ja, dat was hem! Hoewel hij fel veranderd was, herkende ik hem meteen. Maar veel sterker was de indruk: dat is hem niet! Dat bleke lijk had niets meer te maken met de man die ik zo goed gekend had. Ik voelde me opgelucht. Hij was hier helemaal niet meer. Als om dat te bevestigen klonk uit een verborgen luidspreker de titelsong van Titanic: my heart will go on …  

Ik maakte van de gelegenheid gebruik om dat ontzielde lichaam eens goed te bekijken en ging er met mijn neus op staan. Ik raakte het zelfs even aan: het voelde als rauwe kip. Op hetzelfde moment dacht ik: zo zou ik nooit naar een levend mens kunnen of durven kijken! De aanwezigheid van een geest in een lichaam dwingt je tot eerbied en afstand. Die eerbied is er niet wanneer je naar een dood, ontzield lichaam kijkt. Vandaar ook het gebrek aan eerbied van de materialist voor al wat leeft: voor hem is er geen geest die hem tot eerbied en afstand dwingt. Hij benadert de wereld alsof hij dood was en dat maakt het hem mogelijk om ongegeneerd door te dringen in de geheimen van die (fysieke) wereld en daar een geweldige macht over te verwerven. 

Het is datzelfde gebrek aan eerbied dat de kunstenaar in staat stelt een gelijkend portret te maken, want om dat te kunnen moet hij de geportretteerde eerst … doden. Dat is de uitdrukking die Rudolf Steiner gebruikt. Wie een mens wil tekenen of schilderen, moet hem als het ware in twee hakken en diens Ik opzij schuiven zodat hij ongestoord – en oneerbiedig – het lichaam kan bestuderen zoals ik dat deed met het lijk van mijn tekenleraar. Hij moet het namelijk ‘dissecteren’ tot hij louter abstracte vormen overhoudt: bollen, cilinders, kubussen, kegels, enzovoort. Met die dode vormen kan hij dan aan de slag, iets wat hij met levende vormen niet kan, want daar heeft hij geen greep op. Wanneer hij zijn model helemaal ‘gedood’ heeft en (bij wijze van spreken) alleen nog de losse onderdelen voor hem liggen, kan hij beginnen met het ‘reassembleren’ van al die dode, abstracte vormen. Het is een soort geestelijke spijsvertering: het ‘voedsel’ moet eerst helemaal worden afgebroken voor het gebruikt kan worden om het lichaam weer op te bouwen. En bij het opbouwen van dat (getekende) lichaam laat de portrettist zich leiden door het Ik van zijn model, het Ik dat als het ware vrij is gekomen doordat zijn gevangenis – het fysieke lichaam – werd afgebroken, en dat daardoor (bovenzintuiglijk) een stuk beter waarneembaar is geworden. 

Wanneer je een mens tekent, neem je zijn Ik inderdaad duidelijker waar. Je kijkt dan als het ware met je handen en dat levert verrassende vaststellingen op. Mensen die qua karakter heel open en sociaal zijn, blijken hun Ik verschanst te hebben in een versterkte burcht die je (al tekenend) moet belegeren. Uiterlijk gezien zijn ze één en al bereidwilligheid, maar innerlijk verzetten ze zich uit alle macht tegen een ontmoeting en moet je hun weerstanden overwinnen. Het portretteren van dergelijke mensen wordt dan een echt gevecht. Uiterlijk is daar overigens niks van te merken, want alles speelt zich af op Ik-niveau. Maar ook het omgekeerde gebeurt. Verlegen, teruggetrokken en zelfs norse mensen, die anderen op afstand lijken te houden, blijken, wanneer je ze tekent, onverwacht open en toegankelijk te zijn. Hun Ik werkt vol overgave mee, zelfs in die mate dat het portret vanzelf lijkt te ontstaan. Het is wonderlijk om dat te ervaren, want je kan het nooit voorspellen. Wat je al tekenend ziet, kun je op geen enkele andere manier zien. 

Advertenties