Life and science

door lievendebrouwere

  

Sinds kort ben ik tuinier. Ik moet wel, want ik heb nu een tuin, en die kun je niet zomaar zijn gang laten gaan. Gelukkig doe ik het graag, tenminste wanneer de zon schijnt. Dat heeft ze dit jaar reeds volop gedaan en zo ben ik erin geslaagd een stukje van mijn tuin te heroveren op de wildernis. Mijn eerste overwinning behaalde ik op een overwoekerd bed aardbeien. Aardbeien! Daar had ik wel wat rug- en andere pijnen voor over. Na eerst het onkruid verwijderd te hebben, haalde ik de samengegroeide planten uit elkaar. Hingen er (naar mijn mening) nog voldoende wortels aan, dan stak ik ze meteen weer in de grond. Hingen er slechts enkele dunne draadjes aan, dan stak ik ze in potjes met potgrond die ik vervolgens in de serre plaatste om wat aan te sterken. Ik kon het niet over m’n hart krijgen om ze weg te gooien. 

Mijn debuut als tuinier bestond dus uit (1) het vernietigen van de vijand en (2) het verzorgen van zijn slachtoffers. Deze laatste kwamen langzaam weer op krachten en toen ze een beetje te groot werden voor hun potje plantte ik ze weer in volle grond. Als gevolg van die pleegzorg staat (het heroverde deel van) mijn tuin nu vol aardbeiplantjes. Half april verschenen de eerste bloempjes en die vervulden me met trots en verwachting. Maar toen ik voor het eerst sinds lang weer eens ging wandelen, zag ik de aardbeiplanten van mijn overbuurman. Vergeleken bij mijn vondelingen leken het wel reuzen. Ik stond weer met mijn voeten op de grond. Kort daarna zag ik een youtube-filmpje waarin werd uitgelegd hoe ik iets aan die achterstand kon doen: ik moest de bloempjes uitknijpen, dat zou de groei van het plantje ten goede komen. 

Het klonk me niet onlogisch in de oren. Maar moest ik nu echt de bloempjes die me met zoveel vreugde vervulden, verwijderen? Stel je voor dat mijn hele oogst eraan ging! Groot zou ze wel niet zijn, maar aardbeien van eigen kweek – al waren ’t er slechts twee (één voor mijn vrouw en één voor mij) – dat was toch iets om naar uit te kijken! Probeer het eens uit met enkele plantjes, adviseerde An. Een redelijk voorstel. Maar ik wilde niet experimenteren, ik wilde aardbeien! Op Facebook zag ik dat de tuinbouwschool van Melle een lenteverkoop hield en ik besloot daar mijn licht eens te gaan opsteken. Kon ik gelijk ook enkele tomatenplantjes van het ras ‘coeur de boeuf’ kopen. Vorige zomer had ik van iemand zo’n ossenhart-tomaat gekregen en dat was de beste tomaat die ik ooit gegeten had.

Ik was niet de enige die dat vond. Toen ik arriveerde was de coeur de boeuf al uitverkocht. Ik klampte dan maar een leraar aan en vroeg hem of het waar was dat je de eerste aardbeibloempjes moest uitknijpen. Hij keek me verbluft aan en vroeg: wie heeft je dát wijsgemaakt? Het internet, antwoordde ik. Luister eens, zei hij, ik geef hier al 30 jaar les en ik heb nog nooit gehoord dat je de bloemen van aardbeien moet uitknijpen. Hij vond het te gek voor woorden. Er is maar één regel, vervolgde hij, en die geldt voor alle vruchtdragende planten: geen blad, geen vrucht! Ja maar, antwoordde ik, dat is nu net de reden waarom ze die bloemen verwijderen: ze onttrekken energie aan de plant en beletten haar om blad te vormen! Ik dacht aan mijn schriele plantjes, die vaak maar twee blaadjes hadden (en geen honderd zoals die van mijn overbuurman).

Kom eens mee, zei hij en hij bracht me naar een serre waar bloemkolen stonden. De planten waren reusachtig, een ander woord was er niet voor. Kijk, zei hij, dát zijn bladeren en daar zullen mooie bloemkolen aan komen. Maar heb je slechts een paar kleine bladeren, dan zal daar een bloemkool aan komen de grootte van mijn vuist, en misschien zelfs dat niet. Ja maar, probeerde ik nog eens, dat is precies waarom ze zeggen dat je die eerste aardbeibloemen moet verwijderen: omdat de plant eerst bladeren moet vormen en dat kan ze niet als haar energie naar de bloemen gaat! Maar ik had het net zo goed tegen de bloemkolen kunnen zeggen. De brave man schudde alleen maar het hoofd: jongens toch, wat ze allemaal niet op het internet vertelden! 

Opeens kwam de school me, ondanks haar weelde aan bloemen, planten en bomen, een stuk minder aantrekkelijk voor. Was dit de geest die er heerste: een schoolmeestersgeest die niet luisterde en steeds maar weer de eigen waarheid herhaalde? Op weg naar de uitgang zag ik ergens een affiche hangen. Er stond een man in een witte overall op afgebeeld. Op zijn hoofd stond een helm, voor zijn gezicht hing een gasmasker en aan zijn handen zaten grote handschoenen. Die attributen waren rood omcirkeld en ernaast stonden de giftige stoffen vermeld waartegen ze bescherming boden. Er waren ook nog een paar sloganeske waarschuwingen aan toegevoegd. Tuinieren: het was blijkbaar een beroep vol risico’s. Toen ik weer buiten stond las ik op een spandoek: Tuinbouwschool Melle, life and science

Leven en wetenschap: het klonk me in de oren als een contradictie. Hoe kan een wetenschap die alles reduceert tot dode materie nu bijdragen tot het leven? De man-in-het-witte-pak die ik op de affiche had zien staan, zag eruit als een bestrijder van het leven die zich moest beschermen tegen zijn eigen dodelijke wapens. Eigenlijk was de moderne tuinier een karikatuur van mezelf. Wat ik wilde doen door de bloemen van mijn aardbeiplantjes uit te knijpen, deed hij in honderdvoud: doden om meer leven te hebben. Daarom was het ook lachwekkend dat de tuinbouwleraar de ogen ten hemel sloeg toen ik hem vertelde van mijn vernietigingsplan. Hij zag de gelijkenis niet tussen het kleine dat ik (voor het eerst) wilde doen en het grote dat hij (dagelijks) deed. Hij wist met andere woorden niet waar hij mee bezig was. 

Advertenties