Hemelvaart (1)

door lievendebrouwere

  

Verleden week was het Hemelvaartsdag, Ons-Heer-Hemelvaart zoals het vroeger in Vlaanderen werd genoemd. Terwijl de ramadan met alle mogelijke egards wordt behandeld, is het bon ton geworden om de draak te steken met de christelijke feestdagen: hoe stom en onnozel waren de mensen vroeger toch! Bij het lezen van die spottende commentaren – op Facebook wemelt het ervan – moet ik mezelf geweld aandoen om niet denken: hoe stom en onnozel zijn de mensen vandaag toch! Wees blij, zeg ik dan tegen mezelf, dat je de antroposofie hebt leren kennen, anders zou je wellicht net zo stom en onnozel zijn. Maar dat is toch een brug te ver. Ook zonder de antroposofie zou ik niet de spot hebben gedreven met de christelijke feestdagen. Wel zou ik er de schouders voor hebben opgehaald omdat ik niet begreep hoe mensen geloof kunnen hechten aan dergelijke dingen. Maar ik zou nooit vergeten zijn wat het christendom betekend heeft voor de kunst. Hoe zou dat ook kunnen! De hedendaagse kunst herinnert me dagelijks aan de gevolgen van het verdwijnen van de christelijke inspiratie. Nee, ik ben me te zeer bewust van de leegte en de geestloosheid van onze moderne tijd, dan dat ik ooit het koor der spotters-met-het-christendom zou vervoegd hebben. 

Dat neemt niet weg dat de christelijke feestdagen langzaam maar zeker uit mijn bewustzijn verdwenen zouden zijn. Zonder de antroposofie zou ik bijvoorbeeld nooit nagedacht hebben over Hemelvaartsdag. Toch volstaat de antroposofie alleen niet om me daartoe te bewegen. Ik mag graag lezen wat antroposofen (Emil Bock bijvoorbeeld) schrijven over het christendom. Maar er zelf over nadenken, op eigen initiatief? Nee, daarvoor is de kloof te groot. Gelukkig bestaat er een tussenstap die de afstand tussen de christelijke feesten en moderne tijd kleiner maakt, en dat is de beeldtaal van de natuur, vooral dan de gang van de vier seizoenen. Hoe ouder ik word, des te sterker beleef ik de kunstzinnigheid van het vierledige jaarverloop. Die wonderlijke metamorfose, dat jaarlijkse Stirb und Werde in slow motion: ik vind het mateloos fascinerend. Mijn jongste dochter zit regelmatig in Afrika – ze heeft daar een liefje – en wat ze ginder het meest mist, zijn de seizoenen. In Ghana kennen ze geen lente, zomer, herfst of winter. Ze weten ook niet wat een zonsondergang is. ’s Avonds wordt het opeens donker, alsof iemand het licht uitdoet. En ’s morgens gaat het weer aan. Dat is het enige (natuurlijke) ritme dat ze kennen: aan/uit, aan/uit, het hele jaar door. Zonder overgangen, zonder tussenstappen. 

In Europa kent de dag geen twee maar vier bedrijven, net als het jaar. Er is de ochtend (lente), de middag (zomer), de avond (herfst) en de nacht (winter). Die vier dagdelen hebben, net als de vier seizoenen, hun eigen karakter. Zelf hou ik het meest van de avond, zoals ik ook het meest van de herfst hou. Nochtans kan ik ook de andere drie heel erg appreciëren. Stel je voor dat er geen nacht was! Wat een nachtmerrie (sic) zou dat niet zijn! En de ochtendstond heeft nog altijd goud in de mond. Maar de avond blijft toch mijn favoriet. Misschien komt dat wel omdat hij er in onze tijd het meest bij inschiet. ’s Ochtends staan we op en gaan aan de slag, ’s middags draaien we op volle toeren, en ’s nachts slapen we. Net als de zon. Maar ’s avonds komen we niet tot rust, zoals de natuur dat doet. We gaan gewoon door, ook als de zon reeds aan het zakken is. Stoppen we ten slotte met werken, dan staat ons vaak nog een trein- of autorit in de moordende drukte van het spitsuur te wachten. Thuisgekomen duurt het nog een hele poos voor ons adrenalinepeil weer gezakt is en de natuurlijke avond is grotendeels voorbij wanneer we aan onze persoonlijke avond beginnen. Nee, het moderne leven staat nergens haakser op het kunstzinnige ritme van de natuur dan tijdens de avonduren, wanneer de zon ondergaat. 

Wat Europa onderscheidt van (onder meer) Afrika zijn de kunstzinnige overgangen: de ochtenden en de avonden. Maar vooral de avonden. ’s Avonds verzamelt de zon de vruchten van de voorbije dag en neemt ze met zich mee, de nacht in, terwijl ze ’s ochtends uitdeelt wat ze tijdens de nacht verzameld heeft. De ondergaande zon is dus vervuld van de kwaliteiten van het wakker-zijn. Misschien noemt men Europa daarom wel het Avondland: de heldere ratio is er tot ontwikkeling gekomen, maar ook het christendom, de religie waarin God sterft. Is Christus niet als de ondergaande zon? Hij verzamelt de ervaringen van het mensenleven en neemt ze mee naar de Vader. Hij is de overgang tussen (aardse) dag en (hemelse) nacht, de brug tussen mens en God, tussen materie en geest. Wat het christendom gemeen heeft met de Europese natuur is zijn kunstzinnigheid, zijn beeldenrijkdom, zijn kleurrijke zintuiglijkheid. Zoals in Europa het eentonige dag- en nachtritme (zoals we dat bijvoorbeeld aantreffen in Afrika) verlevendigd wordt door de ochtenden en de avonden, zo wordt in het christendom de abstracte relatie tussen God en mens (zoals we die bijvoorbeeld vinden in de islam) aanschouwelijk gemaakt door de beelden van het leven van Christus.

Eén van de redenen waarom vandaag zo ongeremd de spot wordt gedreven met het christendom is dat de moderne mens vervreemd is van de natuur. Wie met de natuur leeft, zoals onze voorouders dat deden, gaat slapen met een ziel die vervuld is van natuurbeelden. Als die beelden ook nog eens zo kunstzinnig zijn als in Europa, met zijn vier seizoenen en zijn vierdelige dag, dan vormen ze een vruchtbare bodem voor het christendom. In de christelijke beelden herkenden onze voorouders intuïtief de ‘vermenselijking’ van de natuur die hen zo vertrouwd was. Het is bekend dat het jonge christendom de oude, heidense natuurfeesten niet zomaar aan de kant schoof, maar ze ‘kerstende’. Dat wordt vaak aangevoerd als bewijs dat het christendom niets nieuws bracht maar het oude alleen in een nieuw kleedje stak. Maar als Christus werkelijk was wie hij verondersteld werd te zijn – de schepper van de wereld – dan was die kerstening niets anders dan het zichtbaar maken van het wezen van die natuurfeesten. De christelijke feesten haalden bij wijze van spreken de kunstenaar uit zijn kunstwerk tevoorschijn. Dat ze zo nauw aansloten bij het natuurlijke jaarverloop was geen gevolg van kerkelijke machtspolitiek, maar een uitdrukking van het wezen van het christendom zelf.  

De vier grote christelijke jaarfeesten (zoals de antroposofie ze onderscheidt) komen overeen met de vier seizoenen en de vier delen van de dag. Pasen staat voor de lente (of de ochtend), St.Jan voor de zomer (of de middag), Michaël voor de herfst (of de avond) en kerstmis voor de winter (of de nacht). De overeenkomst tussen feest en natuur is geenszins programmatisch of bedacht, maar wezenlijk en mysterieus. Op het eerste gezicht is er zelfs eerder sprake van een tegenstelling dan van een overeenkomst, want hoe valt bijvoorbeeld de geboorte van een kind (kerstmis) te rijmen met de winter of de nacht? En hoe kan de dood aan het kruis herkend worden in de stralende lente? Daar ben je niet gauw klaar mee. Maar dankzij het pionierswerk van Rudolf Steiner hebben we vandaag een denkkader dat ons in staat stelt aan de slag te gaan met die beelden en een brug te slaan tussen het christendom en de tijd waarin we leven. Dat wil ik hier eens proberen met Hemelvaartsdag. Ik kan nu toch niet in de tuin werken, het hooikoortsseizoen is begonnen. Bovendien past het wel bij Pinksteren om zelf enig licht te werpen op de zaak, in plaats van alleen maar het (weliswaar veel stralender) licht van Rudolf Steiner te weerkaatsen. 

Wat ‘vieren’ we met Hemelvaart? De ten-hemel-opneming van de verrezen Christus. Moeilijk is het niet om daar de spot mee te drijven, want niet alleen gelooft de moderne mens niet meer in het bestaan van een hemel, hij gelooft nog minder in de mogelijkheid dat iemand uit de dood zou kunnen opstaan. Daar komt nog eens bij dat Hemelvaart de vraag doet rijzen waarom Christus pas 40 dagen na zijn dood naar de hemel ging en niet onmiddellijk erna, zoals iedereen? Het lijkt wel alsof hij iets vergeten was en vlug even uit de dood verrees om het in orde te kunnen brengen en daarna voorgoed te verdwijnen. Maar zo banaal kan de betekenis van de verrijzenis natuurlijk niet zijn. De opstanding is de essentie van het christendom. Als Christus niet was verrezen, schrijft Paulus, zou ons geloof geen zin hebben. Daar moeten we rekening mee houden als we denken aan Hemelvaart. Zonder Pasen zou Hemelvaart niks bijzonders zijn, want iederéén wordt ‘ten hemel opgenomen’ na zijn dood. Maar Christus keerde niet terug naar de geestelijke wereld als een dode, dat wil zeggen als een geest-zonder-lichaam, hij keerde terug als een levende, als een geest-met-een-lichaam. Dat is wat Hemelvaart tot Hemelvaart maakt: het was een lichaam dat ten hemel steeg.    

Zoiets was natuurlijk alleen mogelijk omdat het lichaam van Christus vergeestelijkt was. Juist die vergeestelijking van het (fysieke) lichaam is de kern van het christendom. Ook in andere religies keert de mens na de dood terug naar zijn geestelijke oorsprong, maar zijn lichaam moet hij achterlaten: de kloof tussen geest en materie blijft bestaan. Christus overbrugt die kloof. Hij schept een lichaam dat zowel geestelijk als fysiek is. Van de Verrezene wordt gezegd dat hij at en dronk, en hij gaf de ongelovige Thomas zelfs toestemming om zijn wonden te betasten. Toch stijgt Christus met dat lichaam ten hemel en voegt daarmee een nieuw element toe aan de geestelijke wereld. Tegelijk doet hij dat ook met de aardse, fysieke wereld: hij plant er de kiem van een toekomstige wereld, van een vergeestelijkte aarde. Want zijn opstandingslichaam stelt hem in staat in twee werelden tegelijk te leven. En dat is wat hij doet op Hemelvaartsdag: hij keert terug naar de geestelijke wereld en verbindt zich tegelijk met de aarde. Daarom kan hij zeggen: zie, ik blijf bij u, alle dagen tot het einde van de wereld. Hemelvaart betekent dus geen scheiding maar een verbinding. Het wordt door de leerlingen alleen als een afscheid ervaren omdat ze nog niet in staat zijn die verbinding waar te nemen. Dat gebeurt pas met Pinksteren.

Het leven van Christus is een oerbeeld. We kunnen het overal in herkennen. Zo kunnen we de voorbije 2000 jaar zien als een uitvergroting van de 40 dagen tussen Pasen en Hemelvaart. Zoals Christus zijn leerlingen onderrichtte, zo heeft ook de kerk (die het lichaam van Christus wordt genoemd) dat gedaan. Vandaag is haar onderricht afgelopen, ze heeft de mensheid niks meer te vertellen. We beleven dan ook een soort Hemelvaart: het christendom lijkt te verdwijnen, maar in feite is het aanweziger dan ooit. Dezelfde mensen die de spot drijven met het christendom worden sterker dan ooit bezield door de christelijke idealen. Christus is weliswaar uit hun bewustzijn verdwenen, maar hij is deel geworden van hun lichaam, met name dan hun etherische lichaam, hun gewoontelichaam. Ze gedragen zich christelijk zonder zich daar bewust van te zijn. Hoe kwalijk dat gebrek aan bewustzijn is, toont de politieke-correctheid iedere dag. Rudolf Steiner noemt het verslapen van de wederkomst van Christus (in de etherische wereld) het ergste wat de mensheid kan overkomen. Er is dus nood aan een tweede Pinksteren: de mens moet zich bewust worden van de werkzaamheid van Christus in zijn etherische gewoontelichaam, anders zal dat tot rampen leiden. 

Pinksteren vieren betekent Hemelvaart begrijpen. Het betekent bewust worden van de etherische levenssfeer, waar het fysieke tegelijk geestelijk is en omgekeerd. Om een dergelijk Pinksterbewustzijn te verwerven moeten we ons verzetten tegen twee diepgewortelde gewoonten: de (ahrimaans-wetenschappelijk) gewoonte om alles te verklaren vanuit de dode materie, en de (luciferisch-religieuze) gewoonte om de geest te zoeken in dode abstracties. Met name in onze tijd worden die twee ‘gewoonten’ door Lucifer en Ahriman opgezweept tot driften die de mens niet meer onder controle heeft en die hem verhinderen een (christelijk-kunstzinnig) bewustzijn te ontwikkelen van de levenssfeer. Dat komt zowel tot uiting in de kunstwereld, die ten prooi lijkt aan krankzinnigheid, als in de gewone wereld waar we in the clash of civilisations twee driften frontaal op elkaar zien botsen. Door al dat geweld verliest de mens zijn bezinning en is niet meer in staat de nodige afstand te bewaren om beelden te kunnen lezen die nu ontstaan. Gelukkig is er altijd nog de natuur waar de tegenpolen op harmonische wijze in elkaar overgaan. Met name door de aandacht te richten op de overgangen in die natuur kunnen we iets opvangen van de ‘heilige’ geest die daar werkzaam in is en waar we in onze tijd zo’n nood aan hebben. 

Advertenties