Hemelvaart (4)

door lievendebrouwere

  

Wat gebeurde er tussen Hemelvaart en Pinksteren? Dat weten we niet, maar we kunnen er ons wel iets bij voorstellen. Na de dood van hun meester moeten de leerlingen diep geschokt zijn geweest. Hij had hen weliswaar voorspeld dat hij zou sterven, maar weten dat iets zal gebeuren is één ding, het zien gebeuren een ander. Toen Christus uit de doden verrees, waren ze ongetwijfeld vervuld van vreugde, maar dat betekende nog niet dat hun ziel geheeld was. Daarvoor was ze te diep ontredderd. Wel deed de aanwezigheid van de Verrezene hen tijdens de 40 dagen tussen Pasen en Hemelvaart boven zichzelf uitstijgen. Ze raakten niet in extase zoals in oude tijden, maar ze werden toch opgetild. 

Toen Christus op Hemelvaart in de wolken verdween, vielen ze weer op zichzelf terug. Hun bewustzijn nam opnieuw zijn normale proporties aan en alle geschoktheid, verbijstering en verdriet kwamen terug. Iets dergelijks gebeurde ook na de dood van Rudolf Steiner. Zijn geweldige geest had zijn leerlingen boven zichzelf doen uitstijgen, hij had hun hoger Ik wakker gemaakt. Maar toen hij stierf, viel het weer in slaap. De gevolgen zijn bekend: er ontstond ruzie en de vereniging werd helemaal lam gelegd. Voor dit beschamende gedrag is maar één acceptabele uitleg: Steiners dood maakte de weg vrij voor de tegenmachten. Zonder zijn beschermende aanwezigheid konden ze een frontale aanval openen op zijn leerlingen.

Zou iets dergelijks ook niet gebeurd zijn tijdens de tien dagen tussen Hemelvaart en Pinksteren? De tegenmachten, die op Goede Vrijdag nog meenden gezegevierd te hebben, bleken met Pasen het pleit verloren te hebben. Dat moet hen woedend hebben gemaakt. Zolang Christus nog bij zijn leerlingen was, konden ze niks doen. Maar daarna hebben ze ongetwijfeld geprobeerd hun slag te slaan. Tussen Hemelvaart en Pinksteren werd het bewustzijn van de leerlingen verduisterd en opende zich in hun ziel een diepe kloof die ze slechts met de grootste inspanning konden overbruggen. Het was de kloof tussen de etherische wereld (waarin Christus verdwenen was) en hun eigen (ontredderde) astrale wereld, een kloof die met demonen was gevuld. 

Is dat ook niet de kloof waarvoor de moderne mens vandaag staat nu Christus spoorloos (uit de samenleving) is verdwenen? Zoder dat hij het beseft, is het leeg geworden in zijn ziel en verlangt hij hevig naar wat hij kwijt is geraakt. Maar hij kan de stille stem van Christus niet onderscheiden van de luide stemmen die uit de afgrond opklinken. Daarvoor ontbreekt het hem aan innerlijke rust en reflectie. Hij is steeds minder in staat om een weloverwogen oordeel te vormen en het kaf van het koren te scheiden. Ahriman bestookt hem met (materialistische) leugens, Lucifer doet hem keer op keer ‘ontploffen’, en samen zorgen ze ervoor dat de mens zijn evenwicht niet vindt en van het ene uiterste in het andere valt. 

Voor eenzelfde kloof kwam ik omstreeks Hemelvaart te staan. Dankzij het uitzonderlijk mooie weer had ik zowat de hele lente in mijn tuin kunnen werken en dat voelde aan als een staat van genade. Vroeger was ik altijd een machteloze toeschouwer bij de lente. Ik zag dan ook heel erg op tegen haar komst en dacht ieder jaar weer: laat deze kelk aan mij voorbijgaan! Maar dit jaar was het anders. Voor het eerst kon ik meewerken aan de ‘bevalling’ van de natuur: ik was niet enkel vader meer, ik was ook moeder geworden. Het deed behoorlijk pijn – met een rug als de mijne is werken in de tuin geen sinecure – maar ik had het er graag voor over. Liever (dit soort) fysieke pijn dan de zielepijn van de onvruchtbaarheid. 

Ik voelde me dus als uit de doden verrezen. Na de kwellingen van het jarenlange vergeefse zoeken naar een huis kwam Scheldewindeke als een verlossing. De maanden die volgden waren één lange paastijd: alles was nieuw. Eindelijk was het ook lente in mezelf! Er was een brug geslagen tussen mijn ziel en de wereld. Maar toen Hemelvaart kwam, stortte ze weer in. De ‘genade’ verdween. De eerste barsten waren reeds ontstaan toen ik netten moest spannen om de vogels te beletten mijn aardbeien en bessen op te eten. Ik gunde die vogels heus wel iets, maar men had me gewaarschuwd: ze laten niet één vrucht hangen! Dat wilde ik niet riskeren en dus begon het geworstel met die akelige plastic netten.

Het werd nog erger toen ik mij realiseerde dat ik, als ik wilde plukken, die netten telkens weer moest verwijderen en opnieuw aanbrengen. Daar had ik niet aan gedacht. Wat een hoogtepunt had moeten worden, werd daardoor een dieptepunt. En dat was slechts één aspect van de omslag die plaatsvond omstreeks Hemelvaart. Er steeg een soort weerzin tegen al dat tuinieren in me op. Opeens had ik er genoeg van. Het leek me dat er een cyclus afgelopen was, dat alles nu moest groeien en rijpen, en dat ik me moest beperken tot algemeen onderhoud. Als om dat te bevestigen, begon het onkruid overal wild op te schieten. De natuur gaf dus zelf aan wat er gedaan moest worden. Maar ik luisterde niet.

De oorzaak was een combinatie van enthousiasme en onwetendheid. Ik had me laten meeslepen door zaai- en kweekgenot. Als gevolg daarvan stond mijn serre vol met plantjes die ik wekenlang met moederlijke zorg omringd had. Die kon ik toch niet allemaal op de composthoop gooien? En dus ging ik in tegen het gevoel dat ik los moest laten, dat ik afstand moest nemen. Het veroorzaakte chaos in mijn ziel: ook daar begon het onkruid nu wild te woekeren en algauw zag ik er geen gat meer aan. Ik had de zaken niet langer onder controle. Ik begon me te ergeren aan het lawaai van spelende kinderen, van krassende kauwen, van ronkende landbouwmachines. Nee, dit was geen hemel op aarde meer. 

Tijdens dat omslagmoment nam ik de zomer-in-de-lente waar. Merkwaardig genoeg gebeurde dat tijdens een autorit op weg naar mijn ouders, die in zekere zin een ‘terugkeer naar de Vader’ was. Voor het eerst in mijn leven kon ik met mijn vader – een hartstochtelijk tuinier – een gesprek voeren over tomaten en aardbeien. In extremis raakten onze interesses elkaar. Als om die terugkeer te bekrachtigen, bleef de ‘zomer’ aanhouden. De hele week was het verstikkend warm. Geen weer om buiten te werken. En dus maakte ik van de gelegenheid gebruik om na te denken over mijn Hemelvaartwaarneming, want hoe onaanzielijk ze op het eerste gezicht ook leek, ze bleef in mijn bewustzijn hangen. 

Aanvankelijk ging het vrij vlot. Ik maakte een korte schets van christelijke en antroposofische opvattingen over Hemelvaart en vergeleek die met de gang van de seizoenen. Maar toen ik de zaak wilde omdraaien en niet van abstracte ideeën uitgaan maar van (de waarneming van) de natuur zelf, keerde het tij. De moed zonk me opeens in de schoenen. Het werd donker in mijn ziel en voor mij opende zich een afgrond waarvan ik dacht: hier kom ik nooit overheen! Het was een soort herhaling van wat ik net in de tuin had meegemaakt. Tot overmaat van ramp viel ook nog eens mijn iPad uit, mijn electronisch schrijfinstrument. Wat ik ook deed, op welk knopje ik ook drukte, het scherm bleef zwart.

Intussen was het Pinksteren geworden, maar van verlichting was geen sprake. Wel integendeel, de zomer veranderde opeens in herfst. Er stak een storm op. Als een bezetene rukte de wind aan alles wat boven de grond uitstak. De plastic serre die ik in de gauwte geïmproviseerd had voor mijn wachtende tomatenplantjes, werd in een oogwenk gesloopt. De onderdelen lagen over de tuin verspreid, samen met afgerukte takken en vruchten. Wat een tempeest! Zoals de ‘zomer’ een week had geduurd, zo bleef ook de wind dagenlang razen, zonder ook maar één moment te gaan liggen. Verbaasd keek ik naar al dat natuurgeweld. Wat was hier aan de hand? Dit was echt geen (Schelde)windeke meer.

Extreme hitte, stormwinden, hooikoortsaanvallen, iPad in panne, chaos in mijn ziel. Nadat ik (bij wijze van spreken) maandenlang één was geweest met de wereld om me heen, werd ik er nu helemaal van afgesloten. Ik viel als het ware terug in mijn vorig leven. Maar tegelijk ontstond in mezelf de verbeten wil om mijn beschouwingen over Hemelvaart voort te zetten. Vanuit de chaos – zowel buiten als binnenin mezelf – baande ik mij weer een weg naar boven, stap voor stap, dag na dag. Met veel moeite klom ik uit de kloof waarin ik zo onverwacht gevallen was. En toch had ik het gevoel dat ik ‘gedragen’ werd, dit keer niet door de natuur maar door de geest. Ik beleefde als het ware mijn eigen kleine Pinksteren. 

Daarmee ben ik aan het eind van deze beschouwingen gekomen. Ik heb ze geschreven op mijn oude iPad, die het nog altijd prima doet (en alleen de WordPress-app niet meer kan draaien). Toen hij me door het moeilijkste heen had geholpen, begon mijn nieuwe iPad als bij wonder opnieuw te werken én hield het buiten op met stormen. Alles keerde weer terug naar het oude, maar niet helemaal. Ik had Hemelvaart en Pinksteren, twee feesten die ik – net als de meeste mensen – al lang niet meer vier, op een nieuwe manier beleefd. Dat was deels een geschenk, deels het resultaat van mijn eigen inspanningen. En dat ervaar ik als een oerbeeld. Onze tijd heeft meer dan ooit nood aan de Heilige Geest. Maar hij komt niet vanzelf, toen niet en nu niet. 

Advertenties