Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: augustus, 2017

Vakantielectuur (3)

  

Een tijdje geleden trof ik op de keukentafel ‘De Bekeerlinge’ aan, het jongste boek van Stefan Hertmans. An had het cadeau gekregen bij een of andere gelegenheid en aangezien ze geen aanstalten maakte om het te lezen, besloot ik het eens in te kijken. Op de achterflap las ik dat het om ‘een meesterwerk’ ging, een ‘cruciaal boek’, ‘de bevestiging van een gigatalent’. Kijk eens aan, dacht ik, nog maar eens een meesterwerk! Als je achterflappen mag geloven, verschijnt er iedere week wel ergens een meesterwerk. Niet te geloven hoeveel genieën er tegenwoordig rondlopen! Jammer genoeg blijken ze meestal saaie en vervelende boeken te schrijven waar ik niet doorheen raak en die me de zin ontnemen ooit nog een moderne roman te lezen. Dat was deze keer gelukkig niet het geval. Tot mijn verbazing las ik ‘De Bekeerlinge’ helemaal uit. Stefan Hertmans kan dus schrijven, daar valt niet op af te dingen. Maar een meesterwerk? Een cruciaal boek? De bevestiging van een gigatalent? Kom, kom, kom. 

Waarover gaat het? Een christenmeisje uit de 11de eeuw wordt verliefd op een joodse jongen, loopt weg van huis, bekeert zich, moet vluchten voor de christenen en eindigt ten slotte half krankzinnig in een afgelegen dorp in de Provence. In dat dorp heeft de schrijver toevallig een buitenverblijf en hij komt zijn onderwerp op het spoor, niet door een oud manuscript dat hij op zolder ontdekt, maar door een buurman die hem een tijdschriftartikel over de streek bezorgt. Het recept dat hij vervolgens gebruikt, is bekend: twee verhalen worden door elkaar gevlochten. Het ene speelt zich af in de Middeleeuwen, het andere in onze tijd. De lezer volgt het meisje Hamoutal op haar tocht dwars door Europa, en tegelijk volgt hij ook Stefan Hertmans die research doet voor zijn boek en zijn hoofdpersonage achterna reist, zij het dan met de auto. Het duurt niet lang voor de lezer de boodschap van het boek doorheeft: de geschiedenis herhaalt zich – zoals Hamoutal destijds werd opgejaagd, zo worden ook vandaag weer vluchtelingen opgejaagd. 

Stefan Hertmans brengt deze boodschap niet alleen over door het twee-verhalenprocédé maar ook door de manier waarop hij de wereld van joden en moslims tegenover die van de christenen plaatst. Door de eersten wordt Hamoutal met liefde opgevangen en verzorgd, door de laatsten wordt ze ongenadig achtervolgd. De joodse en islamitische wereld wordt in poëtische en positieve termen beschreven, de christelijke wereld in ruwe en negatieve bewoordingen. De tegenstelling is zo groot dat het bij momenten karikaturaal wordt. Moslims en joden zijn zowat synoniem met beschaving, menselijkheid en verfijning, christenen met barbaarsheid en primitiviteit. Als deze laatsten in ‘De Bekeerlinge’ op het toneel verschijnen, spat het bloed in het rond. Met name die bloederige passages doen de lezer het voorhoofd fronsen. Ze contrasteren zo fel met de dichterlijke, peinzende atmosfeer die Stefan Hertmans weet op te roepen dat duidelijk is dat de schrijver zich eens goed heeft laten gaan. Zijn afkeer voor het christendom is blijkbaar sterker dan hemzelf.

Het doet me denken aan wat mijn leraar ooit zei over een collega: ‘hij heeft onmiskenbaar talent, maar de vraag is wat hij ermee doet!’ Stefan Hertmans kan schrijven, dat staat buiten kijf, maar hij stelt zijn talent ten dienste van een boodschap. Daarom is ‘De Bekeerlinge’ geen goed boek. Het is, om de terminologie van Rudolf Steiner te gebruiken, geen poging om de zintuiglijke werkelijkheid in de vorm van de idee te gieten, het is een poging om een idee in een zintuiglijk kleedje te steken. Dat is op zich al onkunstzinnig, maar de idee (of de boodschap) die Stefan Hertmans aanschouwelijk wil maken, is ook nog eens zo onpersoonlijk, zo dubieus en zo politiek-correct dat zijn dienstbaarheid een vorm van slaafsheid wordt. Hij laat zich ‘knechten’ door de boodschap die hij wil brengen. En die onderdanigheid wordt goed beloond: ‘De Bekeerlinge’ wordt een meesterwerk genoemd, het boek is al in de prijzen gevallen, en de auteur wordt door sommigen zelfs al voorgedragen voor de Nobelprijs.

Je zou voor minder door de knieën gaan. Moderne schrijvers en kunstenaars doen dat dan ook in groten getale. Allemaal verkondigen ze dezelfde politiek-correcte boodschap, allemaal zijn ze zo slaafs en onderdanig dat je je schaamt in hun plaats, en allemaal zijn ze zich van geen kwaad bewust. Maar dat laatste klopt toch niet helemaal. In de kunst kun je niet liegen, je kunt je niet verbergen, de waarheid komt hoe dan ook aan het licht. Kunstenaars weten dat. Wie hun kunst als kunst benadert en dus niet alleen oog heeft voor de inhoud maar ook – en vooral – voor de vorm, kan niet om de tuin geleid worden. In dat opzicht is ‘De Bekeerlinge’ een voorbeeld van wat er gebeurt als een schrijver dat toch probeert, als hij zijn talent gebruikt om de lezer een boodschap in de maag te splitsen. Aan dat (zelf)bedrog wijdt Stefan Hertmans zijn beste krachten, maar de vorm van zijn boek verraadt hem. En aangezien hij die vorm zelf geschapen heeft, is het alsof hij stiekem hoopt dat de lezer hem zal ontmaskeren.

Het meest opvallende vormkenmerk van ‘De Bekeerlinge’ is het twee-in-één verhaal. We zijn getuige van het dramatische leven van Hamoutal, maar tegelijk zien we Stefan Hertmans koffie drinken voor het venster van zijn buitenverblijf, en mijmeren over wat zich daar duizend jaar geleden (misschien) heeft afgespeeld. Hij presenteert zichzelf dus als een welgestelde burgerman die, als het hem thuis even teveel wordt, kan wegvluchten naar het Zuiden van Frankrijk. Dit keer doet hij dat omdat hij een boek wil schrijven en daartoe volgt hij per auto de weg die Hamoutal te voet aflegde. Het naast elkaar plaatsen van deze twee vluchtroutes heeft iets potsierlijks: de harde overlevingstocht van het middeleeuwse meisje en de comfortabele autorit van de moderne schrijver. We volgen de auteur op zijn tocht langs de autostrades van Frankrijk, terwijl hij af en toe stopt op een plek waar vroeger een joodse synagoge stond en nu een Aldi. Een enkele keer bezoekt hij ook een archeologische site of een bibliotheek, maar spannender dan dat wordt het niet.

Het raamverhaal is zo banaal en vervelend dat je je gaat afvragen waarom Stefan Hertmans het überhaupt in zijn boek heeft opgenomen. Niet alleen draagt het niets bij tot het andere verhaal, maar het doet er zelfs afbreuk aan. Toen ik het boek voor het eerst las, duurde het zowat 20 bladzijden voor ik begreep waarover het ging. De manier waarop de schrijver beide verhalen met elkaar vermengt, is niet alleen verwarrend maar ook ergerlijk. Hij vertelt het verhaal van Hamoutal op boeiende wijze, maar telkens weer opnieuw verbreekt hij de betovering om de lezer lastig te vallen met zijn eigen besognes. Het is als een film die zoveel gebruik maakt van flash-backs dat de kijker algauw niet meer weet waar hij het heeft. ‘De Bekeerlinge’ zou een beter boek zijn geweest als dat tweede verhaal, het verhaal van de schrijver, gewoon was weggelaten. Maar dan zou het natuurlijk wel een stuk dunner zijn geworden en de link tussen heden en verleden zou minder dik in de verf staan. 

Heeft Stefan Hertmans werkelijk (de kwaliteit van) zijn boek opgeofferd om zijn politiek-correcte boodschap beter te doen overkomen en daar dan de beloning voor op te strijken? Het is in ieder geval een feit dat hij als schrijver pas echt bij het grote publiek is doorgebroken toen hij de Zeitgeist nadrukkelijk eer begon te bewijzen, eerst met ‘Oorlog en Terpentijn’ dat – toevallig – samenviel met de herdenkingen van de eerste wereldoorlog, en nu met ‘De Bekeerlinge’ dat – al even toevallig – samenvalt met de migrantenproblematiek. Hij is trouwens niet de enige die dat doet. Moderne schrijvers en kunstenaars zijn opvallend gevoelig geworden voor wat er van hen verwacht wordt en voor wat hen roem en eer (en een buitenverblijf in Frankrijk) oplevert. Daar zijn ze natuurlijk altijd gevoelig voor geweest – de ‘gewetenloosheid’ van de kunstenaar is bekend – maar dat ze zich zo onderdanig gedragen, uitgerekend op het moment dat ze onafhankelijker zijn dan ooit, geeft toch te denken. 

Nee, ik kan niet geloven dat Stefan Hertmans een platte opportunist is die zijn kunst opoffert voor roem, eer en geldgewin. Hoe krachtig deze motieven ook zijn, ze verklaren toch niet de vernedering die hij en tal van andere kunstenaars vandaag zo bereidwillig ondergaan. Met name de – alle verbeelding tartende – taferelen die zich in de wereld van de beeldende kunst afspelen, vertellen mij dat het iets heel anders is dat er hen toe brengt zichzelf en hun kunst zo naar beneden te halen. En dat ‘iets’ is volgens mij de drempeloverschrijding. In onze tijd gaat de mensheid over de drempel en kunstenaars vormen daar geen uitzondering op. Ze zijn echter wel een speciaal geval, want de drempeloverschrijding is hen vertrouwd. Kunst is altijd een ‘drempeloverschrijdend’ middel geweest. Dat besef is in de loop der eeuwen verdwenen, maar vandaag keert het terug. Het dringt echter niet door tot het bewustzijn van de kunstenaar, het wordt alleen zichtbaar in zijn werk, met name dan in de vorm ervan. 

Advertenties

Zo stil

  

28 augustus, Goethes verjaardag. Het is het volop zomer. Ik snoei de frambozenstruiken in de tuin. Af en toe houd ik op en luister. Maïsbladeren ritselen. Insecten zoemen. In de verte klinkt het truweel van een metselaar. Verder is alles stil. Niets beweegt. Waar is iedereen? Het is alsof mens en dier de adem inhouden om de betovering niet te verbreken. Geen kind dat roept, geen koe die loeit, geen hond die blaft. Niets. Alleen die wonderlijke stilte van Maagd. Het is bekend dat Goethe – notoir vrouwengek en breker van talloze harten – tot zijn 40ste maagd is gebleven, letterlijk dan. In zijn tijd, bijna 300 jaar geleden, zal dat wel iets minder moeilijk zijn geweest dan vandaag, maar toch. Waarom doet iemand dat, en dan nog zo’n levensgenieter als Goethe? Het is geen kwestie die me bezighoudt, maar nu ik, zoals ieder jaar, weer betoverd word door de diepe stilte en vrede van de laat-zomerse Maagd, vraag ik me onwillekeurig af of het één niks met het ander te maken heeft. Bezitten mensen van het formaat van Goethe niet bij uitstek de kwaliteiten van hun sterreteken?

Er gebeurt niet veel meer in de tuin. Wat moest groeien is gegroeid. De appelen, de peren en de pruimen zijn nu aan het rijpen. Ook de laatste tomaten lopen rood aan. Ze hebben de laatste weken weinig zon en veel water gekregen. Daardoor zijn ze te snel te dik geworden en smaken ze nergens naar. Maagd is het seizoen van het rijpen, van het langzaam zacht en zoet worden. Zou het dat zijn wat Goethe de eerste helft van zijn leven gedaan heeft: langzaam rijpen, zacht en zoet worden? Want de vruchten die hij voortbracht zijn nog altijd vol smaak. Ze blijven hun mysterie behouden, zoals deze maand van de Maagd. Het is warm, maar de zon heeft haar scherpte verloren. Ze bijt niet meer. Dat maakt deze overgang naar de herfst, deze aanloop naar Michaël zo aangenaam. Het is een soort stilhouden, een vrede sluiten tussen buiten en binnen. Ja, de natuur krijgt nu een innerlijk karakter, ze wordt langzaam zacht en zoet. Tot ze dan, rijp geworden als de appelen en de peren, met een bons op de grond valt. Dan begint er weer een ander seizoen. 

Villa Hellebosch

  

Villa Hellebosch is de plaats (in het Pajottenland) waar tijdens de zomer twee bekende Vlamingen elkaar bij het aperitief ontmoeten en dan samen de avond doorbrengen. Hun gesprekken worden gefilmd en verwerkt tot een tv-programma en een uitgebreid artikel in de bijlage van De Standaard. Het is al een oud recept. Vroeger werd een villa in Italië gebruikt, maar dat werd waarschijnlijk te duur en het was ook een beetje ver. Bekende Vlamingen ontzien zich geen autorit naar Brussel om op tv te komen, maar Italië? Dat is toch wel een heel eind voor één avond (en een nacht). Maar goed. Deze week waren Vlaams minister-president Geert Bourgeois en actrice-regisseuse-schrijfster Hilde Van Mieghem uitgenodigd in Villa Hellebosch. Hun gesprek werd aangekondigd als een ontmoeting tussen West-Vlaamse nuchterheid en Antwerpse passie, tussen ratio en emotie, tussen rechts en links. Kwestie van de kijker een beetje warm te maken: misschien kwam er wel ruzie van. Dat was niet het geval, het gesprek verliep naar verluidt heel vriendschappelijk. Maar er gebeurde wel iets anders: Hilde Van Mieghem kwam te laat, en geen klein beetje. Ze arriveerde zomaar eventjes vijf uur later dan afgesproken was. Ik heb me van dag vergist, verklaarde ze nederig en ze vond het heel lief dat Geert Bourgeois zolang had gewacht. Ze had zelfs een fles whisky meegebracht als verzoeningsgeschenk. 

Kan iedereen overkomen natuurlijk. Maar la Mieghem had nog maar net in een interview verklaard dat ze – geheel in tegenstelling tot haar nogal ‘wilde’ reputatie – heel stipt was en steeds op tijd verscheen bij afspraken. Misschien had ze er wel aan toegevoegd dat ze dat ook van anderen verwachtte. Zo is het in ieder geval bij mezelf: ik ben altijd stipt op tijd en ik haat het als anderen hun afspraken niet nakomen of een half uur later opdagen alsof er niets aan de hand is. Het was dus een pijnlijk moment voor Hilde Van Mieghem. Hoe ze ermee omging weet ik niet, maar misschien was het een geluk bij een ongeluk en hielp het haar om een beetje in te binden, want op de foto ziet ze eruit alsof ze Bourgeois elk moment kan aanvliegen. In werkelijkheid zal dat ook wel het geval zijn geweest, want zoals al haar collega’s uit de artistieke sector, is ze heel erg links en politiek correct, en vertegenwoordigt Bourgeois alles wat ze verafschuwt: Vlaanderen, de N-VA, extreemrechts (gewoon rechts bestaat niet meer in de ogen van links). Daarom had men die twee ook bij elkaar gebracht: in de hoop dat de vonken eraf zouden vliegen. Maar dat het zo erg zou worden als nu, hadden ze waarschijnlijk toch niet verwacht. Niemand maakt me namelijk wijs dat Van Mieghem ‘per ongeluk’ haar afspraak vergeten was. Iemand die zo stipt is als zij? Nee, volgens mij is haar afschuw voor rechts zo diep dat zelfs haar stipte bewustzijn er niet tegenop kan. 

Ik kan mij vergissen, en ik hoop van harte dat ik dat doe, maar als ik zie hoe de politieke-correctheid de laatste tijd de pan uit swingt, dan denk ik er toch het mijne van. Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat deze (door haar omvang) volstrekt irrationeel geworden afkeer van links voor rechts, langzaam maar zeker een onbewuste drift is geworden die zich onttrekt aan de bewuste controle. Zo verscheen onlangs in de krant een artikel van Maarten Boudry waarin hij beweerde dat de wreedheid van IS groter of gevaarlijker was dan die van de nazi’s. Ik kan er niet over oordelen of hij gelijk had of niet, maar ik ken Boudry als een meer dan gemiddeld intelligent iemand en een meer dan gemiddeld moedig intellectueel. Op Facebook kon ik echter toevallig volgen hoe ‘verbijsterd’ de artistieke wereld reageerde op dat artikel. Ze waren het er roerend over eens: hoe is het in godsnaam mogelijk dat dit anno 2017 nog gebeurt! Ik kreeg sterk de indruk dat je niet moest proberen hen tegen te spreken, want dan zouden ze de rangen sluiten en doen alsof je een of ander vies insect was. Eigenlijk twijfelde ik er niet aan: al die gedeelde verontwaardiging was niets anders dan groepsvorming, het afbakenen van het eigen terrein. En dat allemaal omdat iemand geprobeerd had rustig en weloverwogen na te denken over een netelig probleem. Waarschijnlijk waren ze zich niet eens bewust van het buitensporige van hun reacties: het was sterker dan henzelf.

Het is dit sterker-dan-jezelf dat me in toenemende mate verontrust, of beter gezegd: het gebrek aan bewustzijn ervan. Ik weet heel goed wat het is om aanvechtingen te hebben waar je telkens weer het onderspit tegen delft. Maar ik ben me daar heel goed van bewust en ik blijf er de strijd mee aangaan. Het moment dat ik niet meer weet dat ik in de greep zit van een demon die me dingen laat doen waarvan ik me niet bewust ben: ik hoop het nooit mee te maken. Ik herinner me nog hoe diep verontrust ik was toen iemand beweerde dat ik in een artikel een pleidooi voor de vrije liefde had gehouden. Niet dat pleidooi voor de vrije liefde schokte me (er zijn wel erger dingen waar je een pleidooi kunt voor houden) maar het feit dat ik het mij totaal niet herinnerde en me ook niet kon voorstellen dat ik het ooit had gehouden (want ik ben helemaal geen voorstander van vrije liefde). De ander beweerde echter dat hij honderd procent zeker was, ja hij herinnerde het zich maar al te goed. O jee, dacht ik bij mezelf, begin ik nu al dingen te schrijven zonder te beseffen dát ik ze schrijf? Ik liet er geen gras over groeien en zocht het bewuste artikel meteen op. Tot mijn verbazing bleek het niet alleen geen pleidooi voor de vrije liefde te bevatten, het ging zelfs helemaal niet over de liefde.

Dit is gênant, dacht ik bij mezelf, en ik besloot het onderwerp niet meer ter sprake te brengen. Als mij zoiets overkwam, zou ik in de grond zakken van schaamte, maar mijn ‘aanklager’ bleek daar geen last van te hebben. Omdat hij mijn ongeloof had gezien, was hij het gewraakte artikel zelf ook eens gaan opzoeken. Ik heb me blijkbaar vergist, zei hij, en dat was dat. Misschien is het minder erg om anderen valselijk te beschuldigen dan om zelf valselijk beschuldigd te worden. Misschien kun je dan denken: hij heeft het niet gedaan, maar hij had het kunnen doen! Beter één keer teveel beschuldigen dan het kwaad zijn gang laten gaan! Zou dat zijn hoe politiek-correct links denkt? Ze kijken alleszins niet op een beschuldiging meer of minder. Maar erger dan beschuldigd te worden, is het soort onbewuste minachting waarvan Hilde Van Mieghem blijk gaf door vijf uur te laat op haar afspraak te verschijnen. Daar kun je haar namelijk nooit van beschuldigen, want dan beschuldig je jezelf. Dat is wat ik hier riskeer door te beweren dat ze onbewust opzettelijk te laat is gekomen. Wat een slecht mens moet ik niet zijn om haar daarvan te verdenken! Zou het? Wie is er begonnen met al dat beschuldigen? Wie sluit mensen op achter een cordon sanitaire? Wie spreekt niet meer met andersdenkenden? Wie beweert heel stipt te zijn en komt vervolgens vijf uur te laat op een afspraak? Ik alleszins niet. 

Vakantielectuur (2)

  

Wie spreekt over Donna Leon en Venetië, denkt onvermijdelijk ook aan Georges Simenon en Parijs. Commissaire Maigret is de voorganger (en wellicht ook het voorbeeld) van commissario Brunetti. Ik ken alleszins geen andere politieromans waarin een stad zo’n prominente rol speelt. Bij Simenon is dat nog meer het geval dan bij Donna Leon. Maigret bezit het vermogen helemaal op te gaan in zijn omgeving: hij wordt Parijs, hij is Parijs. Brunetti is een stuk afstandelijker. Hij woont in Venetië, hij houdt van Venetië, hij is opgegroeid in Venetië, maar hij is zich daar goed van bewust. Maigret niet. Hij blijft nooit staan kijken naar een gebouw of een bezienswaardigheid. Hij spreekt nooit over Parijs als de stad waar hij van houdt. Maar dat maakt zijn liefde juist sterker voelbaar: ze is niet vermengd met zelfbewustzijn, zoals bij Brunetti. Het is Maigrets onbewuste en onzelfzuchtige liefde die Parijs meer tot leven brengt dan Brunetti’s afstandelijker en zelfbewuster liefde dat doet met Venetië. 

Natuurlijk is de liefde van Maigret die van Simenon, zoals het zelfbewustzijn van Brunetti dat van Donna Leon is. De Amerikaanse vertoont weliswaar geen spoor van het snobisme waarmee Pieter Aspe en Jef Geeraerts de aandacht op zichzelf vestigen, maar dat neemt niet weg dat ook zij in haar boeken aanwezig is. Zij bezit niet het vermogen om er helemaal in te verdwijnen zoals Simenon dat kan. Bij Donna Leon denk je wel eens: dit is knap geschreven. Je wordt je dan bewust van de schrijver en van de weeromstuit ook van jezelf. Bij Simenon is het taalgebruik echter zo eenvoudig dat iedere gedachte aan schrijver, lezer of literatuur verdwijnt. En is dat niet de grootste literaire prestatie: de lezer doen vergeten dat hij aan het lezen is? Wie Maigret leest, waant zich in Parijs. In werkelijkheid bevindt hij zich in het hoofd van Simenon, maar daar is hij zich niet van bewust, want Simenon verstaat als geen ander de kunst om onzichtbaar te worden in zijn werk. 

Onzichtbaar betekent evenwel niet afwezig. Door zijn terughouding is Simenon juist heel sterk aanwezig in zijn boeken. Het woordgebruik, de zinswendingen, de opbouw, de dramatiek, de sfeerschepping, al die zaken waarvan de lezer zich nauwelijks bewust is en die de vorm van het boek uitmaken: daar is Simenon in aanwezig. Hij is er zelfs meer in aanwezig dan wanneer hij over zichzelf zou schrijven. Wat een schrijver (over zichzelf) schrijft, hoeft immers niet waar te zijn. Hoe hij daarentegen schrijft (over om het even wat), kan nooit een leugen zijn, want hij is er zich niet van bewust. Een schrijver weet niet hoe hij schrijft: dat is zijn sterkte en zijn zwakte. Hij kan scheppen, maar hij kan zichzelf daarbij niet waarnemen, want dat zou zijn scheppingskracht verlammen. Dus offert hij zijn zelfbewustzijn op om te kunnen schrijven, en hij moet het van anderen terugkrijgen om weer ‘heel’ te worden. Door te schrijven slaat de schrijver een wonde in zijn ziel, die door de lezer moet genezen worden. 

Die genezing vindt plaats wanneer de lezer hetzelfde doet als de schrijver en zijn zelfbewustzijn aan de kant zet, helemaal verdwijnt in het boek en zichzelf vergeet. Hij kan dan de schrijver ontmoeten in zijn eigen wereld en door die ontmoeting worden beiden genezen. Want ook de lezer is ‘gewond’. Zijn zelfbewustzijn heeft een kloof geslagen tussen hemzelf en de wereld, en voor die ‘wonde’ zoekt hij genezing in de kunst. Maar daar vindt hij die steeds minder, want hedendaagse schrijvers bezitten niet meer het vermogen om, zoals Simenon, helemaal onzichtbaar te worden in hun boeken. Ze zijn er steeds nadrukkelijker in aanwezig, niet alleen in de inhoud maar ook – en vooral – in de vorm. De lezer die zich bewust wordt van die vorm, wordt zich ook bewust van zichzelf en kan zich niet meer verliezen in het boek. Lezer en schrijver zijn vandaag geen van beiden nog echt in staat hun zelfbewustzijn opzij te zetten en de ander te ontmoeten. Als gevolg daarvan heeft de literatuur haar genezende kracht verloren. 

Onlangs zag ik in de krant een vakantieverhaal staan van een Vlaamse schrijver. Het speelde zich af aan de kust en daarom wilde ik het wel eens lezen. Het begon echter met de mededeling van de schrijver dat dit het laatste verhaal was dat hij in de hij-vorm zou schrijven. Daarna zou hij definitief overschakelen op de ik-vorm, want ‘dat verdiende hij’. Verder heb ik niet meer gelezen. Wat kon het mij schelen wat de schrijver verdiende en waarom! Ik wilde lezen over zon, zee en vakantie, ik wilde me even aan het strand wanen, niet in een appartementje waar een schrijver zat te schrijven over het schrijven. Ik hou van kunst, niet van de kunstenaar. Hoe onzichtbaarder hij is, des te liever is het mij. Daarom hou ik van Simenon: niemand is zo onzichtbaar als hij in zijn werk. 

Wie een Maigretroman leest, stapt in een andere wereld. Hij waant zich in Parijs en is de bevoorrechte getuige van een moordonderzoek. Hij volgt dat onderzoek op de voet en ziet hoe talloze nietszeggende puzzelstukjes langzaam samenvallen tot één betekenisvol geheel: de dader wordt gevonden, de misdaad opgelost. Dat alles wekt in hem een soort catharsis, een loutering, een genezing. Veel stelt het misschien niet voor, maar het lezen is wel een drempeloverschrijding-in-het-klein. Wat de lezer meemaakt die zichzelf verliest in een boek en er als herboren weer uit opduikt, verschilt niet wezenlijk van wat iemand meemaakte als hij in de tempel werd ingewijd, of wat hij meemaakt wanneer hij sterft of gewoon in slaap valt. Het zijn allemaal variaties op hetzelfde thema. En de literaire ‘inwijding’ van de Maigret-lezer wordt mogelijk gemaakt doordat Simenon zijn zelfbewustzijn opoffert en helemaal verdwijnt in zijn boek. Op die manier geeft hij de lezer alle ruimte om hetzelfde te doen en eveneens ‘over de drempel’ te stappen. 

Schrijvers als Simenon behoren echter tot het verleden. Hedendaagse schrijvers zijn lang niet zo opofferingsgezind meer. Ze zijn niet meer in die mate bereid – of in staat – hun zelfbewustzijn on hold te zetten. Steeds vaker treden ze op het voorplan in hun boeken, niet alleen in de inhoud maar ook in de vorm. Door een opvallende, originele, gewild-kunstzinnige manier van schrijven vestigen ze de aandacht op zichzelf, maken de lezer daardoor ook bewust van zichzelf en beletten hem om ‘over de drempel’ te gaan. Zo sloeg ik kort geleden de nieuwe roman van een (andere) Vlaamse schrijver open. Ik moest de openingszin drie keer lezen voor ik hem begreep en dan nog was ik niet zeker dat ik de betekenis snapte. Vroeger zou ik gedacht hebben: o jee, deze schrijver gaat mijn petje te boven! Nu dacht ik: o jee, deze schrijver kan het niet! Maar net zo goed werd mijn aandacht afgeleid naar de schrijver en dus ook naar mezelf. Daarmee was de kans op een genezende ontmoeting verkeken. 

Maar ook de hedendaagse lezer is niet meer bereid – of in staat – zijn zelfbewustzijn opzij te schuiven en over de drempel van een boek te stappen. Zo las ik ooit een boek van de Japanse schrijver Mishima. De allereerste zin deed me meteen in een andere wereld terechtkomen, een wereld die ik bijna kon zien, voelen en ruiken. De ‘drempeloverschrijding’ was zo plots en zo sterk dat ik ervan schrok. Hoe deed Mishima dat? Ik las de zin opnieuw, maar kon er niks bijzonders aan ontdekken. Het was een heel gewone zin en toch bezat hij een magische kracht die me telkens weer over de drempel trok. Daar deinsde ik voor terug. Ik wilde niet zomaar uit mezelf gerukt worden en mijn zelfbewustzijn verliezen zonder te weten hoe dat kwam. Voor de moderne, zelfbewuste mens is het een schokkende, ontredderende ervaring om over de drempel te gaan in de kunst. De zeldzame keren dat het mij overkwam, kan ik mij nog levendig herinneren. Het zijn ervaringen die zich diep in het geheugen prenten. 

In het verleden moeten dergelijke ervaringen veel talrijker zijn geweest. De mens was nog lang niet zo verhard en kon nog veel gemakkelijker uit zijn lichaam worden gerukt. Van kunstwerken ging een veel grotere kracht uit, die zelfs tot in het fysieke genezend werkte. De Griekse tragediën bijvoorbeeld veroorzaakten bij het publiek een catharsis, een zuivering van de ziel. Ze waren dan ook een openbaarmaking van de mysteriën, die uitverkorenen (onder leiding van ingewijden) over de drempel leidden, waarna ze ‘geheeld’ terugkeerden. De kunst heeft deze inwijdingskracht in de loop der eeuwen langzaam verloren, maar tegelijk is ze voor steeds meer mensen beschikbaar geworden. De democratisering van de kunst was tegelijk een democratisering van de inwijdingsmysteriën. Ze was ook een keerpunt. De kunst verloor niet alleen haar genezende karakter, ze werd een ziekmakende factor. Ze wijdt de moderne mens nog altijd in, maar niet meer in helende, gezondmakende mysteriën. 

Met name in de beeldende kunsten zien we het mysteriekarakter van de kunst weer opleven. Hedendaagse kunstenaars zijn (of gedragen zich als) ingewijden die een select publiek van uitverkorenen over de drempel van een hogere wereld leiden door middel van een kunst waar het gewone volk niks van begrijpt. Het is echter geen geestelijke bovenwereld waarin ze de kunstliefhebber inwijden, maar een onderwereld waaruit hij niet genezen maar ziek terugkeert. Met name het zelfbewustzijn dat hij bij de drempel moest achterlaten, wordt aangetast. In de mysterietempels werd het ‘zelf’ van de inwijdeling bewaakt door de hogepriester die de hele inwijdingsproces superviseerde. In de kunst werd het bewaakt door de normen waaraan iedere kunstenaar moest voldoen. Maar die artistieke normen zijn afgeschaft. De kunstenaar mag doen wat hij wil, en daardoor staat hij – net als de kunstliefhebber – bloot aan tal van gevaren, waarvan het grootste wel het verlies van zelfbewustzijn is.

Dat klinkt nogal tegenstrijdig, want treft men in de kunst niet juist veel zelfbewuste mensen aan? De vraag is natuurlijk van welk ‘zelf’ ze zich bewust zijn: hun hogere of hun lagere zelf? Wanneer we een roman lezen, een Maigret bijvoorbeeld, dan vergeten we onszelf. We wanen ons in Parijs, in een wereld waar we louter toeschouwer kunnen zijn en waar ons lagere zelf zich niet hoeft te weren tegen andere lagere zelven. Het kan even vrijaf nemen van de struggle for life en met vakantie gaan naar een betere wereld. Parijs is niet alleen een tot de verbeelding sprekende stad, de problemen die er zijn, worden ook altijd opgelost. Dat weten we vooraf: misdaadromans en thrillers eindigen altijd met een bevrijdende ontknoping. Uiteraard bestaat die ‘betere wereld’ alleen in de verbeelding van de schrijver, maar dat vergeten we, omdat Simenon onzichtbaar blijft in zijn werk. Hij is er echter wel in aanwezig, met name in de vorm ervan, de ‘vorm van de idee’ zoals Rudolf Steiner het noemt.

Die ‘idee’ is het zelf van Simenon, maar dan een beter zelf, een lager zelf dat een hogere, ideële vorm heeft aangenomen. Het is deze hogere vorm die we ook als lezer aannemen wanneer we over de drempel van het boek gaan en ons eigen lagere zelf bij de drempel achterlaten. Die drempeloverschrijding maakt ons bijzonder kwetsbaar want we nemen de vorm aan van een ander mens, we worden even een ander mens en beleven de wereld zoals hij die beleeft. Het gevaar dat ons bedreigt, is dat we ons niet meer kunnen losmaken van die ander, dat we onszelf niet meer terugvinden. Dat gevaar herkennen we in een banaal voorbeeld: het gebeurt wel eens dat we met een liedje in ons hoofd zitten dat we het niet meer kwijtraken. We zijn er als het ware van bezeten. Na een tijdje verdwijnt het wel weer, maar het is een (kleine) afspiegeling van het (grote) gevaar dat de inwijdeling bedreigde wanneer hij over de drempel ging: in de greep te raken van de geesten die hij aan gene zijde ontmoette.

Het is dus niet zonder reden dat de moderne mens niet langer bereid is zijn zelfbewustzijn op te geven en over de drempel te stappen. Hij voelt instinctief dat er gevaar dreigt: het gevaar ‘geknecht’ te worden door een idee of geest, het gevaar erdoor bezeten te raken. Daarom deinst hij terug voor de drempel en klampt zich vast aan zijn zelfbewustzijn. Maar dat werkt averechts, zoals we in de literatuur zien. Hedendaagse schrijvers willen hun zelfbewustzijn niet opgeven en onzichtbaar worden in hun werk. Door de inhoud van dat werk (ze schrijven over zichzelf) of door de vorm ervan (ze willen origineel, authentiek en kunstzinnig zijn) vragen ze om aandacht van de lezer. Ze willen dat hij denkt: wow, wat een originele, authentieke en kunstzinnige schrijver! Maar tegelijk denkt die lezer ook: wow, hoe origineel, authentiek en kunstzinnig ben ik zelf niet om dit op te merken en te appreciëren! Hij bewondert de schrijver omdat hij dan ongemerkt – onder het mom van liefde voor de kunst – zichzelf kan bewonderen. 

En zo zien we dat de moderne mens applaudisseert voor alles wat hem als kunst wordt voorgeschoteld. De kunstenaar geeft hem immers een alibi om ongeremd voor zichzelf te kunnen applaudisseren. Het resultaat is een kunstwereld waar de kunst er niet meer toe doet, waar ze gedegradeerd is tot een zelfbevredigingsmiddel. Ze geneest mensen niet meer door ze – even – te bevrijden van hun lager zelf en ze te laten proeven van een hoger zelf. Ze doet net het omgekeerde: ze sluit de mens op in zijn lager zelf, in de overtuiging dat hij het hoger zelf van de ander bewondert. Met andere woorden, de kunstliefhebber die terugdeinst voor de drempel en zijn zelfbewustzijn wil behouden, gaat toch over de drempel, maar dit keer van de onderwereld. Hij verliest toch zijn zelfbewustzijn, want hij merkt niet dat hij de gevangene wordt van een collectief lager zelf dat hem stap voor stap reduceert tot een (weliswaar zeer intelligent) dier dat precies doet wat zijn baasje van hem verwacht. 

De mensheid gaat vandaag over de drempel van de geestelijke wereld en dat plaatst haar voor een dilemma. Ofwel gaat ze onbewust over die drempel en dreigt ze ‘geknecht’ te worden door de geest of de idee, zoals Rudolf Steiner het uitdrukt. Eén blik op de actualiteit leert ons hoe groot dat gevaar is. Ofwel behoudt ze haar zelfbewustzijn en verzet ze zich tegen de drempeloverschrijding. Maar ook dan wordt ze geknecht, dat kunnen we waarnemen in de kunst. De oplossing van dit dilemma ligt in het ontwikkelen van een nieuw zelfbewustzijn, een bewustzijn dat de mens niet verhindert over de drempel te gaan, en dat hem niet opsluit in zijn lager zelf. Het ontwikkelen van dit hogere zelfbewustzijn – dit bewustzijn van zijn hoger zelf – kan de mens oefenen in de kunst. En eigenlijk doet hij dat voortdurend, want art is everywhere tegenwoordig. Zonder het te weten gaat de moderne mens hier voortdurend over de drempel, ten goede en ten kwade. Daar moet, of beter gezegd: daar kan hij zich bewust van worden. Want anders dan in de werkelijkheid is hij hier vrij. 

Vragen

  

Terreur

  

Gezocht: moraal

  

Een werknemer van Google schreef onlangs in een memo dat het lage percentage vrouwen in de technologiesector te wijten is aan de biologische verschillen tussen man en vrouw. Hij werd prompt ontslagen. ‘Dit is niet het standpunt van het bedrijf’ verklaarde de diversiteitsverantwoordelijke bij de technologiereus. Het is de typische politiek-correcte reactie: iedereen die er andere opvattingen op nahoudt, wordt monddood gemaakt, uitgesloten, ontslagen, gebroodroofd, karakterieel vermoord, enzovoort. En dat gebeurt allemaal in naam van de vrijheid van meningsuiting, de verdraagzaamheid, de gelijkheid, de menselijkheid, de liefde. Anders gezegd, de linkerhand heeft geen idee wat de rechterhand uitspookt. Deze onbewuste contradictie – een klassiek gegeven – is door de politieke-correctheid tot een kunst verheven waarvan we het laatste nog niet gezien hebben. Dat bewijst de Google-affaire. Want wat is hier aan de hand? Een groot technologiebedrijf discrimineert vrouwen, en nog geen klein beetje. In de technologiesector werken namelijk dubbel zoveel mannen als vrouwen, en volgens het politiek-correcte dogma kan dat alleen te wijten zijn aan discriminatie. Google is dus absoluut niet politiek-correct bezig. Nu werkt er bij Google een ingenieur die dat tegenspreekt. Hij vindt dat Google helemaal niet discrimineert en dus wel politiek-correct is. Reactie van Google: de man wordt ontslagen. De vraag rijst wat er gebeurd zou zijn als hij Google had aangeklaagd wegens discriminatie. Waarschijnlijk zou hij promotie hebben gekregen. Moraal van het verhaal: geen. 

Vakantielectuur

  

Ieder jaar verschijnt in juni de nieuwe Donna Leon. Al 25 jaar houdt de in Venetië wonende Amerikaanse schrijfster – Donna Leon is merkwaardig genoeg haar echte naam – dat vol. Ik ben haar daar dankbaar voor, want de avonturen van commissario Brunetti behoren tot mijn favoriete vakantielectuur. Avonturen is een groot woord, veel actie of spanning valt er in haar boeken niet te bespeuren. Eigenlijk zijn ze één lang bezoek aan Venetië, onder leiding van iemand die al zowat een halve eeuw in de stad woont en er geen geheim van maakt dat ze dat een voorrecht vindt. Dat laatste kan ik me overigens levendig voorstellen: ik zou het ook een voorrecht vinden om in dat andere Venetië – Brugge – te wonen. Voortdurend omringd te zijn door schoonheid, wat een droom! De toeristen moet je er natuurlijk bijnemen. Dat doet Donna Leon ook, al sakkert ze er bij monde van haar hoofdpersonage wel eens op. Maar ze is te verstandig om niet te beseffen dat die toeristen een soort levensverzekering vormen voor de stad. 

De inwoners van Brugge zijn zo verstandig niet. Het is me meer dan eens opgevallen hoe kregelig ze reageren op de toeristen. Ik kan begrijpen dat de drukte hen wel eens teveel wordt, maar ik had meer van hen verwacht. Uit de les vaderlandse geschiedenis herinner ik me nog dat Jacques de Chatillon, de Franse landvoogd van Vlaanderen, tijdens zijn intocht groen zag van nijd omdat de Brugse vrouwen rijker uitgedost waren dan de adellijke dames in zijn gevolg. De Bruggelingen uit de 14de eeuw wisten hoe ze een buitenlander op zijn nummer moesten zetten. Bovendien paarden ze kracht aan schoonheid: een paar maanden later zou de Chatillon sneuvelen tijdens de Guldensporenslag, toen de Vlamingen de Franse adel in de pan hakten. Dat waren nog eens tijden! Vandaag blijft van ‘der vaadren fierheid’ alleen nog een soort verongelijkte kregeligheid over die noch van kracht noch van schoonheid getuigt. Alleen de rijkdom is er nog – of beter gezegd opnieuw – want het toerisme heeft Brugge geen windeiereren gelegd. 

In de boeken van Donna Leon gaat het er gelukkig een stuk beschaafder aan toe. Commissario Brunetti getuigt zonder schaamte van zijn liefde voor Venetië en neemt de schaduwkanten op de koop toe. Hij is dan ook een ontwikkeld man, met oog voor schoonheid. Regelmatig staat hij stil om een kerkgevel te bewonderen, een palazzo, of het uitzicht op het Canal Grande. In zijn keuken (!) hangt zelfs een echte Canaletto, een huwelijksgeschenk van zijn adellijke schoonouders. Over de biënnale van Venetië, de wereldberoemde hoogmis van de hedendaagse kunst, rept hij dan weer met geen woord. Ook dat getuigt van beschaving. Toch sluit Donna Leon zich niet op in het verleden. Hedendaagse problemen komen in haar boeken wel degelijk aan bod, zowel tijdens de onderzoeken van Brunetti als tijdens de tafelgesprekken die hij voert met zijn kritische kinderen en zijn sociaal bewogen vrouw. Toch is het Venetië dat Donna Leon schetst in de eerste plaats een oase van schoonheid en cultuur. 

Ik vind het zalig om die oase te kunnen bezoeken zonder uit mijn luie zetel te komen. Ik wilde dat ik hetzelfde kon met Brugge, maar Pieter Aspe, de Vlaamse tegenhanger van Donna Leon, laat me in de steek. Zijn boeken spelen zich wel af in Brugge, maar afgezien van enkele bekende straatnamen en gebouwen, zou je je in gelijk welke andere Vlaamse provinciestad kunnen wanen. Commissaris Van In heeft helemaal geen oog voor de schoonheid van Brugge. Hij denkt alleen maar aan de borsten en billen van zijn vrouw, en aan zijn Duvel. Pieter Aspe maakt van hem een soort Pallieter, een Lamme Goedzak, een karikaturale Vlaming die wel slim is maar wiens geestloosheid blijkt uit zijn snobisme: exclusieve wijnen, exclusieve restaurants, exclusief design en andere peperdure dingen-met-een-naam moeten de lezer duidelijk maken dat hij met een man van de wereld te maken heeft en niet met een kneuterige kerktoren-Vlaming die van Brugge en Bokrijk houdt.  

Natuurlijk is juist die geblaseerde onverschilligheid voor de schoonheid van Brugge een uiting van provincialisme. En Pieter Aspe is helaas niet de enige Vlaming die zich zo klein betoont. Ook Jef Geeraerts besteedt in zijn politieromans nauwelijks aandacht aan Antwerpen, toch ook een stad met een groot verleden. De verfilming van zijn boeken lijdt aan hetzelfde euvel. Ik zag ooit ‘De zaak Alzheimer’, een best genietbare film, maar van Antwerpen: geen spoor. Idem voor ‘Aspe’, de op de boeken van Pieter Aspe gebaseerde tv-serie. Niet één keer komt de Rozenhoedkaai in beeld, niet één keer de Halletoren, niet één keer het begijnhof. Niets krijgt de kijker te zien van het typische Brugge, zelfs geen zwaan. Nu zou men kunnen zeggen: filmen in steden als Antwerpen en Brugge is geen sinecure, het vergt een groot budget en dat heeft de Vlaamse televisie niet. Maar wat kosten enkele sfeerbeelden? En waarom kon het bijvoorbeeld wel in ‘Flikken’, de tv-serie die zich in Gent afspeelt?

Wat ‘Flikken’ zo geslaagd maakte, was juist het feit dat Gent mocht meespelen, als decor, als sfeer, als taal, als … geest. Daar! Het grote woord is eruit! Het provincialisme van de Vlaming die zich schaamt voor Vlaanderen is een vorm van geestelijke armoede, een uiting van materialisme. Waar hij zich voor schaamt, is de Vlaamse geest. Niet de dode, abstracte geest die iedereen in hetzelfde keurslijf dwingt, maar de levende geest die zich uitdrukt in talloze vormen: Franse, Duitse, Engelse, Vlaamse, Brugse, Antwerpse, Gentse, enzovoort. Door neer te kijken op de Vlaamse geest denkt de snobistische Vlaming – de Vlaming zonder geestelijke adel – deel te hebben aan een hogere, Europese of zelfs universele geest. Maar ook hier geldt het spreekwoord: wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd. De geest is één, het grote spreekt door het kleine, God verbergt zich in de details. Wie de Vlaamse geest versmaadt, versmaadt ook de Europese geest en de wereldgeest.

‘Flikken’ was goed zolang het volks, Vlaams en Gents bleef. In de eerste afleveringen spraken de acteurs ‘keurig’ Nederlands maar daar stapten ze gelukkig gauw vanaf. In de latere seizoenen ging de serie de internationale toer op en dat betekende het begin van het einde. Het was pijnlijk om te zien hoe de Gentse flikken krampachtig probeerden wereldburgers te zijn en precies daardoor hun provincialisme in de verf zetten. Vergelijk dat met Inspector Morse, een serie van wereldklasse, en toch very British. Ze pakte als vanzelfsprekend uit met de toeristische aantrekkelijkheden van Oxford, iets waar Vlaamse filmmakers de neus voor ophalen. Je ziet het telkens weer: internationale successen gaan hand in hand met liefde voor het eigen volk, de eigen taal, de eigen stad. Niets is zo universeel als het eigene. Succes is weliswaar niet hetzelfde als kwaliteit, maar het is zeker geen toeval dat Donna Leon, met haar onverholen liefde voor Venetië, een betere schrijfster is dan Pieter Aspe, met zijn verholen minachting voor Brugge. 

In Flanders fields

  

Helen Mirren schittert bij herdenking van Slag bij Passendale. Zo stond het gisteren in de krant. Vreemde titel vond ik dat. Alsof het bij de herdenking van een van de bloedigste veldslagen uit de geschiedenis vooral ging om de acteerprestaties van de herdenkenden. Ik besloot de bijgaande video eens te bekijken en zag hoe een ravissante Helen Mirren het beroemde oorlogsgedicht In Fanders Fields op bijna triomfantelijke toon voordroeg. Wat ik verder nog zag of las bevestigde die indruk: de herdenking was vooral een viering van de overwinning. Ieper werd overstroomd door Engelsen. Van Duitsers was er geen spoor te bekennen. Nochtans waren zij de grote verliezers, die door het perfide Albion in deze verschrikkelijke oorlog werden gelokt.

In een tijd waarin men de mond vol heeft van gelijkheid, solidariteit, de Europese gedachte en ‘nooit meer oorlog’, zou je toch denken dat de herdenking van de Slag bij Passendale een gelegenheid was om vrede te sluiten, fouten te erkennen en stil te staan bij het lijden dat het nationalisme veroorzaakt heeft. Maar neen, de Britten maakten er een Britse vertoning van, met als hoogtepunt een Britse actrice die een Brits gedicht voordroeg. Je zou denken dat Helen Mirren, een actrice, iemand met invoelingsvermogen dus, een beetje terughoudendheid en ingetogenheid aan de dag zou leggen. Maar neen, ze gaf uiting aan het Britse triomfantalisme alsof 1917 gisteren was. En dat is tegelijk beschamend en verontrustend.