Vakantielectuur (5)

door lievendebrouwere

  

Kunst weerspiegelt de wereld waarin we leven, letterlijk maar vooral figuurlijk. Vandaag staat die wereld in het teken van de drempeloverschrijding: de mensheid maakt opnieuw contact met de geestelijke wereld waarvan ze zich eerst met veel moeite heeft losgemaakt om haar vrijheid te veroveren. Die vrijheid staat nu op het spel. Gaat de moderne mens over de drempel mét of zonder behoud van zijn vrijheid? Dat is de vraag. Hij moet kiezen tussen twee manieren om over de drempel te gaan, en juist die twee manieren worden zichtbaar in de kunst. Het duidelijkst gebeurt dat in de beeldende kunst. Daar wordt de moderne mens geconfronteerd met twee totaal verschillende kunsten – een oude en een nieuwe – die staan voor de twee manieren waarop hij vandaag over de drempel kan gaan. Hij ondervindt er ook hoe moeilijk de keuze is: er wordt ontzettend grote druk op hem uitgeoefend opdat hij niet zou kiezen, opdat hij geen onderscheid zou maken tussen beide mogelijkheden.

Niet kiezen betekent onbewust kiezen voor de nieuwe kunst, die zich nadrukkelijk als ‘drempeloverschrijdend’ presenteert en iedere kritiek afdoet als conservatief, dom en bekrompen. Deze kunst trekt een scherpe grens door de kunstwereld en verdeelt hem in (vooruitstrevende) kunstliefhebbers en (achterlijke) cultuurbarbaren. Ze scheidt de geesten en laat er geen twijfel over bestaan welke de goede en welke de slechte zijn. Wie voor de nieuwe kunst kiest, maakt de goede keuze, wie dat niet doet, valt uit de boot en maakt niet langer deel uit van het beschaafde deel van de mensheid. Zo expliciet wordt het natuurlijk niet gezegd, want dat zou de kritische kunstliefhebber wantrouwig maken. Nee, de scheiding wordt ontkend, het onderscheid tussen oud en nieuw uitgewist, de keuze weggemoffeld. De kunstliefhebber wordt in de waan gebracht dat hij juist niet moet kiezen, dat hij oud én nieuw moet omarmen, dat hij inclusief, verbindend, verdraagzaam, niet-polariserend, ruimdenkend, enzovoort moet zijn. 

Je moet het de tegenmachten nageven: ze gaan uiterst geraffineerd te werk, ze weten wat ze doen. Ze moeten over een diep inzicht in de drempeloverschrijding beschikken, anders zouden ze de moderne mens niet zo verregaand kunnen manipuleren. Want hun misleidingspogingen zijn een doorslaand succes. Niemand maakt nog onderscheid tussen de oude en de nieuwe kunst, niemand spreekt nog over de diepe kloof die de kunstwereld in twee splijt. Niemand maakt een keuze, niemand oordeelt. Men gaat blindelings over de drempel zonder te beseffen dat men daardoor (onbewust) de scheiding der geesten doorvoert waar men zich (bewust) tegen verzet. Men doet met andere woorden precies het tegenovergestelde van wat men denkt en beweert te doen. In de stellige overtuiging aan de goede kant te staan, laten kunstliefhebbers zich leiden als makke schapen en maken geen enkel onderscheid meer, zelfs niet het meest voor de hand liggende. Ze verkwanselen vrolijk hun vrijheid. 

Het is pijnlijk en beschamend om het meest ontwikkelde deel van de mensheid – de intellectuelen, de kunstliefhebbers – zo massaal in de val te zien lopen. Bovendien lopen steeds meer mensen deze keurtroepen blindelings achterna en willen niets liever dan ook tot de ‘hogere’ wereld van deze ingewijden te behoren. Iedereen lijkt in de ban te zijn van de drempeloverschrijding en de scheiding der geesten. Iedereen is als bezeten door de drang om aan ‘de goede kant’ te staan en beseft niet dat hij juist daardoor aan de ‘verkeerde kant’ terechtkomt. Bij alle bewondering die men kan hebben voor het raffinement en het inzicht van de tegenmachten, is het toch vreselijk om te zien hoe ze de ontwikkeling van de mens stopzetten en hem dwingen rechtsomkeer te maken. Daarom is het zaak het hoofd koel te houden en van de gelegenheid gebruik te maken om hun manier van werken te doorgronden en hen aldus het ‘goud’ van hun inzicht in de drempeloverschrijding te ontfutselen. 

Dat wil ik eens proberen aan de hand van ‘De Bekeerlinge’, het jongste boek van Stefan Hertmans, een alom gerespecteerd schrijver en intellectueel die niemand ervan zou durven verdenken gemene zaak te maken met de tegenmachten. Zijn boek ziet er op het eerste gezicht bewonderenswaardig uit, zowel in artistiek opzicht (een meesterwerk, een cruciaal boek, de bevestiging van een gigatalent) als in moreel opzicht (maatschappij-kritisch, sociaal bewogen, solidair met vluchtelingen en vervolgden). Het wordt dan ook de hemel in geprezen. Het heeft zijn eerste literaire prijs al binnen en er zullen ongetwijfeld nog volgen. Het internet staat vol met lofzangen. Ze zijn niet alleen lyrisch, maar ook unaniem. Een kritisch woord is vrijwel niet te vinden. Zoveel enthousiaste bewondering maakt ‘De Bekeerlinge’ los dat de kritische lezer wel twee keer zal nadenken voor hij het waagt dit feestje te verstoren. En toch. Zo fraai is het allemaal niet wat Stefan Hertmans in dit boek doet. 

Laat ik beginnen met de inhoud. Die bestaat uit twee verhalen. Het ene speelt zich af in de middeleeuwen, en is gebaseerd op ware feiten. Als een archeoloog heeft Stefan Hertmans het verleden gereconstrueerd aan de hand van schaarse overblijfselen. Dat heeft hij met veel verbeeldingskracht en in levingsvermogen gedaan, maar in het andere verhaal, waarin hij het relaas doet van zijn ‘wetenschappelijk onderzoek’, wijst hij nadrukkelijk op het objectieve karakter van zijn boek. Ik keek er dan ook van op toen ik merkte dat hij de middeleeuwse wereld verdeelt in beschaafde moslims en joden enerzijds en barbaarse christenen anderzijds. Alsof deze laatsten geen kathedralen bouwden, alsof hun kloosters niets voorstelden vergeleken bij de synagogen en de moskeeën. Natuurlijk maakten joden en moslims deel uit van oude, eerbiedwaardige beschavingen en was het christelijke Europa nog jong en wild, maar Stefan Hertmans maakt er een bij momenten groteske karikatuur van. 

Helemaal uit de bocht gaat hij wanneer hij de kruisvaarders voorstelt als een opportunistische troep plunderaars die een spoor van dood en vernieling trekken door de moslimwereld en er zo de oorzaak van zijn dat het islamitische begrip jihad (dat oorspronkelijk ‘innerlijke strijd’ betekende) nu ook de betekenis krijgt van ‘heilige oorlog’. Alsof het Spaanse Al Andalus niet bestond, alsof moslims niet al zowat driekwart van de christelijke wereld – met het zwaard – veroverd hadden en nog eeuwen zouden proberen ook het resterende deel in hun macht te krijgen. Hun heilige oorlog bestond al veel langer en was helemaal niet het gevolg van de kruistochten. Het was net andersom: de kruistochten waren een reactie op de moslimagressie waaronder de christenen al zolang te lijden hadden en die nog zou duren tot in de 18de eeuw. Als christelijk Europa zich niet met hand en tand verzet had tegen deze agressie, dan zou het onder de voet zijn gelopen en zouden we vandaag allemaal moslims zijn. 

Stefan Hertmans keert de waarheid dus zonder meer om, en de nadruk die hij legt op zijn ‘wetenschappelijke’ werkwijze maakt van deze omkering een regelrechte leugen. Het is bovendien een kwaadaardige leugen, want de oude moslimagressie laait vandaag weer op: over de hele wereld worden aanslagen gepleegd, christenen vervolgd en kerken vernield. Overal waar ze komen dringen moslims hun levenswijze en wetten op, om nog maar te zwijgen over het antisemitisme dat ze verspreiden. Stefan Hertmans draagt ertoe bij dit moslimgeweld te verontschuldigen door het in zijn boek voor te stellen als het wanhopige verzet van mensen die al sinds het ontstaan van de islam het slachtoffer zijn van barbaarse christenen. Met dat soort leugens werden in het verleden genocides ontketend en een mens vraagt zich af waarom een beschaafd, onderlegd en kunstzinnig man als Stefan Hertmans zich leent tot dergelijke oorlogspropaganda, want daar komt het uiteindelijk op neer.

Waarom stelt Stefan Hertmans zijn kunst ten dienste van haat, geweld en fanatisme? Waarom gebruikt deze vreedzame man zijn literaire talent om – geraffineerde – oorlogstaal te spreken? Die vragen zijn des te belangrijker omdat Stefan Hertmans geen uitzondering is, wel integendeel. Zowat de gehele artistieke wereld – zeker hier in Vlaanderen – is politiek-correct. Schrijvers, kunstenaars, critici, kunstliefhebbers: allemaal bewijzen ze lippendienst aan de leugenmachine die dag en nacht draait, allemaal steunen ze ‘de enige, echte waarheid’ die geen tegenspraak duldt en de leugen neerslaat. Waarom doen ze dat? Waarom verlagen kunstenaars zich tot zo’n slaafs, onderdanig gedrag? De reden valt niet ver te zoeken: omdat ze er anders niet meer bijhoren, omdat de toegang tot de kunstwereld hen dan wordt ontzegd. En dat is een vreselijke straf, want zonder kunstwereld kunnen kunstenaars niet overleven. Ze zijn dus politiek-correct omdat hun bestaan als kunstenaar ervan afhangt, ze onderwerpen zich om te overleven.

Dat laatste hebben kunstenaars altijd moeten doen, maar ze slaagden er steeds weer in om hun kunst te vrijwaren: ze onderwierpen zich wel uiterlijk, maar niet innerlijk. Vandaag lukt hen dat niet meer. Ze zien zich verplicht hun laatste troef uit te spelen: de kunst zelf. Terwijl ze hun onafhankelijkheid, tegendraadsheid en authenticiteit van de daken schreeuwen, onderwerpen ze zich innerlijk. Ze verkopen hun ziel aan de duivel. Dat leidt tot de paradox dat ze, om kunstenaar te kunnen blijven, hun kunst … vernietigen. Want een onderworpen kunst is geen kunst. Een kunst die dienstbaar gemaakt wordt aan het verkondigen van ideeën, houdt op een kunst te zijn. Als die ideeën ook nog eens grove leugens blijken te zijn, verandert de kunst in haar tegendeel: ze wordt een anti-kunst. Dat doet de vraag rijzen: weten kunstenaars dat? Offeren ze hun kunst bewust en vrijwillig op? Het antwoord ligt voor de hand: geen enkele kunstenaar keert zich willens en wetens tegen zijn kunst. Integendeel, hij heeft er juist alles voor over, tot zelfs zijn leven.

In de kunstwereld heerst vandaag een tragische onbewustheid, het soort onbewustheid waarvan je zegt: vergeef het hen, want ze weten niet wat ze doen! Hedendaagse kunstenaars weten inderdaad niet meer wat ze doen. Ze zouden ontzet zijn als ze het wisten, want de blinde vlek in hun bewustzijn is er de oorzaak van dat ze de kunstwereld in een slagveld hebben herschapen. Honderd jaar reeds voeren ze oorlog tegen de kunst, in naam van de kunst. Zolang ze zich niet bewust worden van die zelfvernietigende oorlog, zal hij blijven voortduren. Uiteindelijk zal hij de menselijke beschaving aan de rand van het graf brengen. De grote vraag luidt dan ook: wat heeft deze ‘blinde vlek’ veroorzaakt? Wat heeft kunstenaars zover gebracht dat ze zich zonder het te beseffen tegen hun kunst keerden? Wat heeft hen het bewustzijn doen verliezen? Het antwoord luidt: de drempeloverschrijding. Daar moet de oorzaak van hun zelfvernietigende onderdanigheid worden gezocht.

Wie over de drempel gaat, laat zijn zelfbewustzijn achter, hij geeft zich over aan de geest en keert ‘verfrist’ of ‘geheeld’ weer terug. Tenminste als alles goed gaat. En dat is in onze tijd zeker niet het geval, want de moderne kunstenaar gaat (net als iedereen) onbewust over de drempel. ‘Onbewust’ betekent hier: zonder het bewust en vrijwillig achterlaten van het zelfbewustzijn, zoals we dat doen bij het inslapen. Iedere avond geven we ons over aan de onbewustheid van de nacht, bij vol bewustzijn, zonder de minste angst of terughouding. Wanneer we echter onbewust over de drempel gaan, laten we ons zelfbewustzijn niet los, we nemen we het mee de geestelijke wereld in. En daar gaat het fout: ons zelfbewustzijn kan (de rijkdom van) die wereld niet verteren, het wordt erdoor verdoofd, zoals wanneer we teveel gegeten hebben en slaperig worden. Met dat verdoofde bewustzijn keren we dan terug in de materiële wereld, zonder te beseffen dat we half slapen. Integendeel, we voelen ons wakkerder dan ooit. 

Op die manier ontstaat het – verbijsterende – verschijnsel van de politiek-correcte mens die meent eindelijk het licht gezien te hebben, die vol enthousiasme en zelfvertrouwen is, maar die niet wakker meer is. Hij maakt geen onderscheid meer tussen geest en materie, beide werelden vermengen zich in zijn slaperige bewustzijn en veroorzaken de chaos die we met de dag zien toenemen. De politiek-correcte mens heeft de zin voor aardse verhoudingen verloren, maar hij heeft evenmin een beeld van de geestelijke verhoudingen. Hij leeft in een ‘schimmenrijk’, een soort tussenwereld waar alles door elkaar loopt en iedereen in een roes verkeert. Het is deze schimmige tussenwereld die gestalte krijgt in de kunst. Want kunstenaars zijn zich weliswaar niet bewust van de drempeloverschrijding zoals ze vandaag plaatsvindt, maar ze brengen hem, ondanks zichzelf, toch in beeld. Ze hebben altijd de geestelijke dimensies van de werkelijkheid zichtbaar gemaakt in hun werk en dat doen ze nog. 

Advertenties