Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: oktober, 2017

Vakantielectuur (8)

  

De kunst van onze tijd is ziek. Daar kan geen enkel kunstminnend hart nog aan twijfelen. De zogenaamde hedendaagse kunst is het werk van mensen die bezeten zijn door een kwaadaardige geest die het publiek uitlacht, uitdaagt, choqueert en vernedert. Gewone mensen voelen een diepe afkeer voor deze kunst en negeren haar zoveel mogelijk. Ontwikkelde mensen daarentegen prijzen haar de hemel in. Geen enkele wanklank verstoort hun koor van loftuigingen. Op relatief korte tijd is deze elite-kunst uitgegroeid tot een world wide web van kunsttempels, musea, galerieën, tentoonstellingszalen, onderzoekscentra, academies en kunstscholen die gesteund worden door regeringen, machthebbers, rijkelui, financiële instellingen, bedrijven, universiteiten en plaatselijke overheden. Een leger van intellectuelen staat paraat om dit kunstweb te verdedigen en te versterken: schrijvers, academici, filosofen, kunstkenners, kunstcritici, onderwijsmensen en andere ‘soldaten van de kunst’. 

Wat we aldus de afgelopen 50 jaar onder onze ogen hebben zien oprijzen, is het onderaardse rijk van Ahriman, dat volgens Rudolf Steiner de tegenhanger is van de bovenaardse Michaëlschool. Veel leerlingen lijkt deze school echter niet te tellen, want nergens valt een teken van verzet te bespeuren tegen de kunst van Ahriman. Haar machtsontplooiing is verbijsterend, haar invloed op de intelligentsia verpletterend. Hoe het zover is kunnen komen, heb ik nooit echt kunnen begrijpen, tot ik onlangs ‘De Bekeerlinge’ van Stefan Hertmans las. Toen is me een lichtje opgegaan. Ik begin nu in te zien dat kunstenaars geen keuze hebben. Ze kunnen zich niet verzetten tegen Ahriman want dat zou het einde betekenen van hun kunstenaarschap. Deze geest ontmaskeren betekent wakker worden en de waarheid onder ogen zien. Het betekent uit de droom ontwaken en wetenschapper worden. Hedendaagse kunstenaars verkopen hun ziel aan de duivel om kunstenaar te kunnen blijven.

Ik begin ook te begrijpen waarom de ‘neerdaling ter helle’ van de kunst zo unaniem wordt toegejuicht. Kunstenaars zijn de schatbewaarders van de geest. Zij hebben de rol van de religie overgenomen en verzekeren nu het contact met de geestelijke wereld. Zij zijn de enigen die de mensheid ervan weerhouden zichzelf te vernietigen. Dat is namelijk wat gebeurt als het contact met de geestelijke wereld helemaal verloren gaat: er ontstaat dan zo’n diepe zieleangst dat de mens zijn toevlucht zoekt in vernietigend geweld. Het was Rudolf Steiner die erop wees dat de oorzaak van de eerste wereldoorlog gezocht moet worden in de geestelijke uithongering van het proletariaat, dat afgesneden was van zijn oude, spiritueel gedragen, sociale verbanden. Vandaag zijn we allemaal geestelijk uitgehongerd en bezeten van de onbewuste angst om geestelijk te sterven. Daarom leggen we kunstenaars niets in de weg, wat ze ook doen. Ze zijn de enigen die ons kunnen redden van de geestelijke hongerdood.

Ik begin ten slotte ook het tegenstrijdige gedrag van iemand als Stefan Hertmans te begrijpen. In ‘De Bekeerlinge’ spant hij zijn verbeeldingskracht tot het uiterste in opdat de lezer zich zou kunnen inleven in zijn roman. Daar slaagt hij met glans in: het boek is een succes, van kritiek is geen sprake. Nochtans probeert Hertmans de lezer ook te bewegen tot kritische distantie. Hij onderbreekt het (poëtische) verhaal over Hamoutal voortdurend met het (prozaïsche) verhaal over zichzelf, alsof hij de lezer wil beletten om weg te dromen, alsof hij hem wakker wil maken. Maar de lezer merkt zijn schabouwelijke leugen over christendom en islam niet eens op. Hij blijft een (dromende) medeschepper van het boek, hij wordt geen (wakkere) wetenschapper. Het voortdurende heen en weer pendelen tussen beide verhalen in ‘De Bekeerlinge’ brengt hem in de war. Dezelfde verhaaltechniek waarmee Stefan Hertmans probeert de lezer wakker te maken, verdooft hem ook. 

Die techniek heeft Hertmans niet bewust gekozen. Zo gaat dat niet in de kunst. Het wakkere bewustzijn beoordeelt wel het resultaat, maar creëert het niet. De scheppende krachten komen van diep uit het onderbewuste en daar leeft duidelijk iets dat aanstuurt op de waarheid. Want Stefan Hertmans is lang niet de enige kunstenaar die door zijn aanwezigheid de toeschouwer wakker wil schudden. Die aanwezigheid is een van de meest typerende kenmerken van de kunst van onze tijd. Was de kunstenaar vroeger als God – onzichtbaar in zijn schepping – dan treedt hij nu steeds meer voor het voetlicht. En dat heeft een schok-effect. De toeschouwer kan niet langer onbekommerd wegdromen in de fictieve wereld van de kunst, hij wordt geconfronteerd met de reële wereld van het scheppen zelf. Hedendaagse kunst is per definitie een choquerende kunst, een kunst die wakker wil maken, die de lezer, de kijker of de luisteraar aan het denken wil zetten, die van hem een maatschappijcriticus wil maken. 

Dat heeft echter een averechts effect. De aanwezigheid van de kunstenaar in (of naast) zijn werk zet de kijker niet aan om kritisch te zijn en de waarheid te vertellen. Wel integendeel, het brengt hem in de war, het intimideert hem, het belet hem om een oordeel te vellen. ‘De Bekeerlinge’ is daar een voorbeeld van: niemand waagt het Stefan Hertmans op zijn leugens te wijzen. Niemand wijst hem ook op de gebreken van zijn roman, met name op de weinig geslaagde manier waarop hij de twee verhalen met elkaar verbindt. Want zijn aanwezigheid in de roman verlamt niet alleen de oordelende lezer, ze verlamt ook de scheppende schrijver. Ze haalt het niveau van zijn werk naar omlaag. Het ‘wetenschappelijke’, maatschappijkritische, activistische karakter van de kunst doet zwaar afbreuk aan haar kunstzinnigheid, het werkt er vernietigend op in. In zijn streven naar waarheid vernietigt de hedendaagse kunstenaar niet alleen het oordeelsvermogen van de kunstliefhebber, hij vernietigt ook zijn eigen kunst.

Maar ondanks dat zelfvernietigende gedrag blijft die kunst bestaan. Honderd jaar geleden reeds verklaarden kunstenaars de kunst dood – net zoals Nietzsche God dood had verklaard – maar ze bleven wel onverminderd kunst scheppen. En dat tegenstrijdige gedrag hebben ze volgehouden tot op de huidige dag. Nog altijd vernietigen ze wat ze scheppen en scheppen ze om het weer te kunnen vernietigen. Scheppen en vernietigen vallen samen in de moderne kunst. Ondanks haar frenetieke activiteit vertoont ze dan ook geen enkele ontwikkeling. Ze staat gewoon stil. Er verandert niks, behalve dan dat ze steeds zieker wordt en die ziekte steeds nadrukkelijker als kunst presenteert. Ze heeft zichzelf bevroren tot een beeld, tot een raadsel dat opgelost wil worden. Al honderd jaar wacht de kunst als een Prometheus op de held die haar uit haar lijden komt verlossen, op iemand die haar de waarheid vertelt zonder haar te vernietigen. En zolang ze die waarheid niet hoort, blijft ze leven zonder te kunnen sterven en sterven zonder te kunnen leven.

De situatie is inderdaad niet nieuw. Ze was al bekend in de Oudheid en we treffen haar ook in de Middeleeuwse graallegende, met name in de scène waar Parsifal de graalburcht betreedt. De jonge ridder wordt daar geconfronteerd met de zieke Visserkoning die hem hartelijk ontvangt en hem zelfs een kostbaar zwaard ten geschenke geeft. Maar wanneer Parsifal de volgende ochtend wakker wordt, treft hij het kasteel verlaten aan. Alle deuren zijn gesloten, behalve de buitendeur. Op het binnenplein staat zijn paard te wachten, helemaal opgetuigd. De boodschap is duidelijk: hij is niet langer welkom. Wanneer hij over de brug rijdt, wordt deze reeds opgehaald en moet hij zich reppen om heelhuids de overkant te bereiken. Kort daarop verneemt hij de reden voor dat tegenstrijdige onthaal. Parsifal was de langverwachte held die de zieke Visserkoning uit zijn lijden moest verlossen door de vraag te stellen naar zijn ziekte en tegelijk ook naar de graal die hem in leven houdt. Maar Parsifal heeft verzuimd die vraag te stellen …  

De legende vertelt dat de Visserkoning ziek is omdat hij door een speer getroffen werd ‘tussen de dijen’, dat wil zeggen in zijn edele delen, in zijn scheppingskracht. We kunnen in hem dus de moderne kunstenaar zien, die niet in staat is om te leven, maar ook niet om te sterven. Net als Prometheus is hij vastgeklonken aan de materie terwijl een arend zijn lever opeet, die ’s nachts weer aangroeit. In Parsifal kunnen we dan weer de moderne wetenschapper herkennen, die zijn moeder – de geestelijke wereld – heeft verlaten om de materiële wereld in te trekken. Daar begaat hij in zijn onwetendheid en naïviteit de ene stommiteit na de andere, maar hij is moedig en verslaat al zijn tegenstanders. Hij lost met andere woorden het ene probleem na het andere op met zijn scherpe geest en verwerft daardoor aanzien. Maar dan komt hij tegenover de zieke kunst te staan en dat probleem kan hij niet oplossen. Het is het begin van een leven vol beproevingen, het begin van de zoektocht naar de graal. 

Het is niet moeilijk om in Parsifal de moderne kunstliefhebber te herkennen die vandaag geconfronteerd wordt met een zwaar zieke kunst. Zijn verstand gebiedt hem zijn mond te houden en de kunst met de gepaste eerbied te benaderen. Zijn hart daarentegen noopt hem om te vragen wat de kunst zo ziek maakt (en tegelijk ook wat haar belet te sterven). Maar dan loopt hij het risico als een cultuurbarbaar beschouwd te worden en de ‘graalburcht’ van de kunst te moeten verlaten. Dus kiest hij voor de veilige, ‘correcte’ houding en legt zijn hart het zwijgen op. Net als Parsifal heeft de kunstliefhebber geleerd geen kritische of ongepaste vragen te stellen aan de ‘koninklijke’ kunst. Ook al wordt ze steeds zieker, hij blijft haar eerbiedigen en bewonderen. Daardoor verzuimt hij de vraag te stellen die haar zou kunnen genezen. Maar tegelijk wordt hij zelf ook ziek. Want door geen vragen te stellen, houdt hij op een kritische waarnemer te zijn, een wetenschapper. Hij legt zijn zwaard neer en buigt de knie als een gelovige.

De ontmoeting tussen kunst en wetenschap is van vrij recente datum. In feite was de kunst het laatste gebied van de materiële werkelijkheid waarop de wetenschap haar oog liet vallen. Dat scherpe, analyserende oog trof de kunst echter als een speer en kwetste haar diep. In de 20ste eeuw werd de wonde duidelijk zichtbaar: de kunst viel nauwelijks nog te herkennen. Maar de wetenschap was niet ontzet over wat ze zelf had aangericht, integendeel, ze juichte. Ze bewonderde zichzelf ongegeneerd in de spiegel van de kunst en was zich van geen kwaad bewust. Daardoor hield ze echter op een wetenschap te zijn. De nuchtere Ahriman vermengde zich met de narcistische Lucifer en samen verlamden ze zowel de scheppingskrachten van de mens als zijn oordeelskrachten. Als gevolg daarvan zit de mens vandaag in de greep van de materie en hij beseft het niet eens want daarvoor is hij te zeer ingenomen met zichzelf. Hij is zowel een dodelijk gewonde Visserkoning als een Parsifal die daar geen oog voor heeft. 

Uitgerekend in de ontmoeting tussen beide tegenpolen vieren de tegenmachten hun grootste triomf. Kunst en wetenschap zijn in hun greep geraakt doordat de grens tussen beide overschreden werd en ze zich met elkaar vermengden. Maar in de graallegende wordt van Parsifal juist verwacht dat hij de grens overschrijdt, dat hij de Visserkoning niet vanop eerbiedige afstand bewondert, maar hem als een gelijke beschouwt, als een mens die ziek is en hulp nodig heeft. Hoe moeten we dat begrijpen? Stelt de graallegende de zaken misschien verkeerd voor? Of is het onzin de hedendaagse problematiek te willen herkennen in een middeleeuws verhaal? Rudolf Steiner beweerde nochtans dat de graallegende voor onze tijd geschreven is en dat de Parsifalweg de weg van de moderne mens is. Het enorme succes van (moderne) kunstwerken die de zoektocht naar de graal tot onderwerp hebben, bevestigt dat. We herkennen onszelf onbewust in de graallegende, diep vanbinnen weten we dat we allemaal Parsifals zijn. 

Volgens de graallegende moet de speer die de wonde sloeg haar ook genezen. Het ‘grensoverschrijdende’ gedrag van de wetenschap is niet alleen de oorzaak van de ziekte van de moderne mens, het is er ook de remedie voor. De wetenschap mag zich dus niet terugtrekken, ze moet juist doordringen tot de kern van de kunst. Ze moet ‘door het dal’, Per-ce-val. De kunst is inderdaad het Waterloo van de wetenschap: hier lijdt ze haar grote nederlaag. Maar wat een geweldige nederlaag is het niet als de wetenschap zichzelf herkent in het wezen van de kunst, als ze zelf een kunst wordt! Dat is ook waar de kunst op wacht: dat ze gekend wordt in haar diepste wezen. Maar dat kennen kan nooit het scherpe, vernietigende kennen van de moderne wetenschap zijn. Het moet een wetenschap zijn die zich bevrijdt van Ahriman, die zich zuivert van zijn machtswellust. Op die meevoelende, mede-lijdende wetenschap wacht de zieke kunst, de zieke mens, de zieke wereld van onze tijd. 

Er is nog een ander beeld dat hier betrekking op heeft. In de Apocalyps – het bijbelboek dat betrekking heeft op onze tijd – lezen we dat er een teken in de hemel wordt gezien, dat er met andere woorden een oerbeeld zichtbaar wordt: een vrouw schreeuwt in barensnood en voor haar staat de draak die het kind wil verslinden zodra het geboren wordt. Dat kind is een zoon, ‘van het mannelijk geslacht’ wordt er ten overvloede aan toegevoegd. In moderne oren klinkt dat waarschijnlijk sexistisch, maar mythische, religieuze, kunstzinnige beelden als deze mogen nooit letterlijk worden genomen. Ze verwijzen naar geestelijke realiteiten. De mannelijkheid waar hier de nadruk wordt op gelegd, is mijns inziens die van de Logos, van het heldere, rationele kennen dat de ‘remedie’ is voor het lijden van de zwangere vrouw, een kosmisch wezen dat de hele schepping lijkt voor te stellen. De nieuwe wetenschap moet met andere woorden geboren worden uit de kunst. De oude wetenschap moet doordringen in de kunst, sterven in de kunst en er weer uit opstaan als een wetenschap die tegelijk een kunst is. 

Met dit apocalyptische oerbeeld kom ik aan een grens. Mijn rationele denken kan zich niet langer staande houden in deze ‘vrouwelijke’ sfeer van de oerbeelden. Er komt te veel samen, er duiken te veel verbanden op. Deze geestelijke sfeer opent tal van nieuwe mogelijkheden, maar vormt tegelijk ook een reële bedreiging voor het bewustzijn. Daarvan getuigt eigenlijk alles wat vandaag gebeurt. Er worden inderdaad ‘tekens in de hemel’ gezien, dat wil zeggen: de moderne mens neemt geestelijke beelden waar. Maar hij kan ze niet verbinden met zijn wakkere bewustzijn en daardoor hebben ze een onbewuste, instinctieve uitwerking. Ze vermengen zich met alles wat nog onzuiver is in de mens, met alle gevolgen van dien. Doordringen in deze geestelijke sfeer betek ent dan ook doordringen in de duistere gebieden van de eigen ziel. Het plaatst de mens voor de Parsifal-opgave om zijn ziel te zuiveren, om haar te slijpen tot een edelsteen, tot een graal die in staat is de geest op te nemen zonder eronder te bezwijken. En dat is niet het werk van één dag …

Advertenties

Skopiumschuivers

  

In de Zwarte Zaal van het Gentse KASK (Koninklijke Academie voor Schone Kunsten) loopt momenteel een tentoonstelling over de ontstaansgeschiedenis van Studio Skoop, de alternatieve filmzaal waar je de ‘betere’ film kan gaan zien, de zogenaamde arthouse-film. Studio Skoop vormt in Gent de tegenhanger van de Decascoop, het grote bioscoopcomplex waar bijna uitsluitend Hollywoodfilms gedraaid worden. Het verschil tussen die twee is enorm. De Decascoop telt 12 zalen waarvan de kleinste groter is dan de grootste van Studio Skoop. Het is een ultramodern complex waar je in het weekend over de koppen kunt lopen. Vanuit alle richtingen stromen de – meestal jonge – mensen dan toe en het is drummen geblazen om binnen te raken. Op hetzelfde moment staat voor de ouderwetse kassa van Studio Skoop een mager rijtje – vaak oudere – mensen aan te schuiven om even later in een groezelig zaaltje naar een Europese of Aziatische film te gaan kijken. 

Beide bioscopen belichamen de tegenstelling tussen Amerika en Europa, tussen jong en oud, tussen commercie en kunst, tussen mainstream en alternatief, tussen conservatief en progressief, tussen ontspanningszoeker en meerwaardezoeker, tussen rechts en links zeg maar. Mijn voorkeur is altijd ondubbelzinnig uitgegaan naar de Decascoop. Daar kreeg je namelijk meer waar voor je geld. Je kon er niet alleen parkeren, de zalen waren ook ruimer, de zetels comfortabeler, het scherm groter, de geluidsinstallatie beter, en last but not least: er waren volop ijspralines, cornetto’s en popcorn voorhanden. Kortom, de filmbeleving was er veel intenser. Daar stond dan weer tegenover dat je er alleen maar oppervlakkig maakwerk te zien kreeg en geen diepgravende kunst zoals in de Skoop. Hollywood, dat was louter entertainment, voer voor de massa! Wie meer wilde dan wat goedkoop amusement, die moest in Studio Skoop zijn. Tenminste, zo werd daar in beschaafde kringen over gedacht.

Aangezien ik mezelf tot die beschaafde kringen rekende, nam ik die overtuiging gewoon over. Ik ging zelfs nog een stap verder: ik ging helemaal niet meer naar de film. Als student had ik dat nochtans heel graag gedaan: eerst een goeie film zien en er daarna op café over napraten: wat kon een jongmens zich meer wensen (of permitteren)! Maar langzamerhand kreeg ik mijn buik vol van de moderne cinema. Die leek me steeds meer om sex en geweld te draaien. Dus bleef ik liever thuis met een boekje in een hoekje. Radio en televisie had ik al vroeger buitengezwierd. Die waren in hetzelfde bedje ziek als de film. En zo werd ik ouder en wijzer, bedaagder en beschaafder. Tenminste dat dacht ik. Want toen ik op een keer toevallig in de Decascoop terechtkwam, op zoek naar iets om mijn gedachten stop te zetten, gingen mijn ogen open. Ik had me vergist. Hollywood was niet (enkel) de geestdodende filmfabriek, het was heel wat meer dan dat, en dat ‘meer’ zag ik nu heel duidelijk.

Ik begon weer naar de cinema te gaan, en ik ging zowel naar de Decascoop als naar Studio Skoop. Want ik zag geen reden waarom het ‘meer’ dat ik in de Amerikaanse film had ontdekt, niet ook in de Europese film te vinden zou zijn. Maar ik vergiste me. De zogenaamde ‘betere’ film die ze in Studio Skoop draaiden, bleek in werkelijkheid de slechtere film te zijn. Aanvankelijk weigerde ik dat te geloven. Maar ik kwam steeds weer van een kale reis thuis. Enkele uitzonderingen niet te nagesproken was de zogenaamde arthouse-film gewoon een minderwaardige film, vergeleken met de commerciële blockbusters van Hollywood. Ze waren niet alleen slechter gemaakt, ze gingen vaak ook helemaal nergens over. Het oude, verwaarloosde huis aan het Sint-Annaplein waarin Studio Skoop gevestigd was, weerspiegelde de films die er werden gedraaid: ze waren uitgeleefd, ze waren niet meer van deze tijd. Ze beschouwden zichzelf als progressief en vernieuwend, maar in werkelijkheid waren ze precies het omgekeerde: verleden tijd.

Maar wat is het dan dat Amerika wel heeft, en de Europese film niet (meer)? In één woord: geest. Uiteraard produceert Hollywood veel ongeïnspireerd maakwerk, dat hoeft geen betoog. Maar is het ooit anders geweest? Echte, geïnspireerde kunst is altijd zeldzaam geweest, en dat is ze ook in de Amerikaanse filmindustrie. Maar ze is er wel. Hollywood heeft verbluffende meesterwerken voortgebracht. Je moet al ver in het verleden teruggaan om dat soort inspiratie aan te treffen in de kunst. Hoe vreemd het ook moge klinken, in Hollywood is een kunstzinnige geest werkzaam die in Europa al lang niet meer te vinden is. En het is dezelfde geest die Europa groot heeft gemaakt, een door en door christelijke geest. In Europa is hij gestorven, maar in de Amerikaanse filmkunst, in het beste van Hollywood, is hij opnieuw verschenen, in een geheel nieuwe, eigentijdse gedaante. Dat was wat ik 25 jaar geleden, tot mijn eigen stomme verbazing ontdekte in de Gentse Decascoop. 

Het betekende voor mij een enorme bevrijding, want ik hield hartstochtelijk van de Europese kunst. In mijn ogen was ze met geen andere te vergelijken en dat kwam door haar christelijke karakter. Toen ik die zo kunstzinnige geest in de 20ste eeuw zag verdwijnen was ik daar het hart van in. Waar ik ook zocht, ik kon hem niet meer vinden. Ik zag de Europese kunst voor mijn ogen in elkaar storten, en alsof dat nog niet erg genoeg was, werd het ook nog eens op gejuich onthaald. De dood van de Europese kunst werd beschouwd als de geboorte van een nieuwe, universele kunst. Hoe meer de oude kunst verminkt, vernederd en vernietigd werd, des te luider klonk het applaus. Pas veel later zou ik begrijpen dat het een manier was om de dood van Europa niet onder ogen te hoeven zien. Het was een soort neo-Egyptisch ritueel: het lijk werd gemummificeerd, in een praalgraf gestoken en vereerd alsof er niks veranderd was. Maar er was wel degelijk iets veranderd, iets heel ingrijpends: in plaats van het leven vereerde men nu de dood.

Eén blik op de actualiteit volstaat om vast te stellen dat die verandering niet alleen in de kunst plaatsvond. De dood van Europa wordt vandaag toegejuicht als was het een nieuwe religie. Men kan zich niets spirituelers voorstellen dan het vernietigen van het oude Europa. Van overal stromen de doodskrachten toe om deel te nemen aan deze nieuwe wereldgodsdienst. Het is een demonisch spektakel dat een mens doet verstijven. De Europese cultuur, die in de loop der eeuwen richtinggevend is geworden voor de hele wereld, wordt momenteel afgebroken in de overtuiging dat dit afbreken het nieuwe opbouwen is. En in zekere zin is dat ook zo: er wordt met man en macht gebouwd aan een antichristelijk, anti-kunstzinnig wereldrijk. Simpel gezegd: Christus wordt vervangen door de Antichrist. En dat allemaal omdat men de dood van Christus, de dood van de geest die de Europese kunst en cultuur groot heeft gemaakt, niet onder ogen kan zien. Men kan zich eenvoudig niet voorstellen dat hij kan sterven.

Toen ik de christelijke geest aantrof waar ik hem nooit had verwacht – in Hollywood – begreep ik ook dat men de dood van deze geest niet onder ogen kan zien omdat men niet gelooft in zijn wederopstanding, in zijn vermogen om de dood te overwinnen. Ik geloofde daar zelf ook niet in. Wat ik beleefde als de dood van de kunst was in mijn ogen zo verschrikkelijk dat de gedachte aan een wederopstanding niet in me opkwam. Bovendien werd ik omringd door mensen die geen verschil zagen tussen leven en dood, die toejuichten wat ik verafschuwde. Hoe kon er uit zoveel ellende ooit nog iets goeds voortkomen! Nee, ik geloofde er niet meer in. Ik leefde in een wereld die ten onder ging, terwijl iedereen ervan overtuigd was dat we fantastische tijden beleefden. Dat laatste is ook de teneur van de tentoonstelling annex boek over de geschiedenis van Studio Skoop: wat een geweldige tijd was dat toch! Hier ontstond iets nieuws, hier ‘werden de bakens verzet in het door conservatieve krachten gedomineerde Vlaanderen.’

Het conservatieve Vlaanderen? Toen ik de Skoop bezocht, bestond dat Vlaanderen al lang niet meer, toch zeker niet in de kunst. Het was dood en verslagen. Maar men bleef hetzelfde plaatje draaien: de progressieve krachten moeten zich bundelen tegen het verstikkende conservatisme. Diep van binnen beseften de ‘progressieven’ nochtans dat ze tegen een imaginaire vijand vochten. Dat blijkt onder meer uit de geuzennaam die de oprichter van Studio Skoop bedacht voor zijn publiek (en die vandaag de titel van de tentoonstelling is): Skopiumschuivers. Wat kwam men zoeken in deze alternatieve arthouse-cinema? Niet de kunst van onze tijd, want die werd in de Decascoop gedraaid. Nee, men zocht er vergetelheid, verdoving, bedwelming, men zocht er opium-van-de-elite, want men kon de pijn van de stervende Europese geest niet verdragen. Men gaf er zich over aan zoete dromen over de superioriteit van de Europese geest en de inferioriteit van alles wat uit Amerika kwam. 

En dat doet men vandaag nog altijd, meer dan ooit zelfs. Want de Skopiumschuivers van weleer hebben het nu voor het zeggen, in de filmwereld, in de kunstwereld, in de wereld tout court. We worden (om de tuin) geleid door verslaafden, door druggebruikers die steeds weer nieuwe bedwelmende middelen creëren om de pijn te verdoven die veroorzaakt wordt door het sterven van de Europese geest, de geest van onze beschaving. Dat is een diepe en blijvende pijn die alleen genezen kan worden door het geloof in de opstanding. Dat geloof heb ik gevonden waar ik het nooit verwacht had: in de Decascoop. Maar daar zul je zelden een Skopiumschuiver tegenkomen, en zelfs als dat gebeurt, blijft hij blind voor wat daar te zien is. Hij is immers beneveld, bedwelmd door zijn eigen superioriteitswaan die hem belet om de pijn, de angst en de vernedering te voelen die diep in zijn ziel leven, waar hij deel heeft aan dat verschrikkelijke sterven van de Europese geest

Daar moest ik dus aan denken toen ik las over de ‘Skopiumschuivers’. Het is al een eeuwigheid geleden dat ik nog in Studio Skoop ben geweest, maar er is sindsdien niks veranderd. De beschaafden, de intellectuelen, de kunstliefhebbers zijn nog altijd even zelfgenoegzaam, even bedwelmd, even verslaafd. Nee, Europa gaat niet ten onder aan het sterven van de Europese geest, maar aan het onvermogen om dat sterven onder ogen te zien. Uiteindelijk is dat onvermogen niets anders dan een gebrek aan liefde. Wie de Europese, christelijke geest werkelijk liefheeft, lijdt en sterft samen met hem. Wat we vandaag overal zien, is de Petrus-reactie: ik ken die man niet, ik ben nooit zijn leerling geweest! Het is de reactie van de gewone man, de angstige mens die zijn wereld uiteen ziet vallen en in paniek raakt. Daarom is het zo tragisch dat we deze reactie aantreffen bij de elite, bij de intelligentsia, bij degenen die de Europese geest zouden moeten verdedigen. Wat een droevig schouwspel, die Skopiumschuivers!