Vakantielectuur (8)

door lievendebrouwere

  

De kunst van onze tijd is ziek. Daar kan geen enkel kunstminnend hart nog aan twijfelen. De zogenaamde hedendaagse kunst is het werk van mensen die bezeten zijn door een kwaadaardige geest die het publiek uitlacht, uitdaagt, choqueert en vernedert. Gewone mensen voelen een diepe afkeer voor deze kunst en negeren haar zoveel mogelijk. Ontwikkelde mensen daarentegen prijzen haar de hemel in. Geen enkele wanklank verstoort hun koor van loftuigingen. Op relatief korte tijd is deze elite-kunst uitgegroeid tot een world wide web van kunsttempels, musea, galerieën, tentoonstellingszalen, onderzoekscentra, academies en kunstscholen die gesteund worden door regeringen, machthebbers, rijkelui, financiële instellingen, bedrijven, universiteiten en plaatselijke overheden. Een leger van intellectuelen staat paraat om dit kunstweb te verdedigen en te versterken: schrijvers, academici, filosofen, kunstkenners, kunstcritici, onderwijsmensen en andere ‘soldaten van de kunst’. 

Wat we aldus de afgelopen 50 jaar onder onze ogen hebben zien oprijzen, is het onderaardse rijk van Ahriman, dat volgens Rudolf Steiner de tegenhanger is van de bovenaardse Michaëlschool. Veel leerlingen lijkt deze school echter niet te tellen, want nergens valt een teken van verzet te bespeuren tegen de kunst van Ahriman. Haar machtsontplooiing is verbijsterend, haar invloed op de intelligentsia verpletterend. Hoe het zover is kunnen komen, heb ik nooit echt kunnen begrijpen, tot ik onlangs ‘De Bekeerlinge’ van Stefan Hertmans las. Toen is me een lichtje opgegaan. Ik begin nu in te zien dat kunstenaars geen keuze hebben. Ze kunnen zich niet verzetten tegen Ahriman want dat zou het einde betekenen van hun kunstenaarschap. Deze geest ontmaskeren betekent wakker worden en de waarheid onder ogen zien. Het betekent uit de droom ontwaken en wetenschapper worden. Hedendaagse kunstenaars verkopen hun ziel aan de duivel om kunstenaar te kunnen blijven.

Ik begin ook te begrijpen waarom de ‘neerdaling ter helle’ van de kunst zo unaniem wordt toegejuicht. Kunstenaars zijn de schatbewaarders van de geest. Zij hebben de rol van de religie overgenomen en verzekeren nu het contact met de geestelijke wereld. Zij zijn de enigen die de mensheid ervan weerhouden zichzelf te vernietigen. Dat is namelijk wat gebeurt als het contact met de geestelijke wereld helemaal verloren gaat: er ontstaat dan zo’n diepe zieleangst dat de mens zijn toevlucht zoekt in vernietigend geweld. Het was Rudolf Steiner die erop wees dat de oorzaak van de eerste wereldoorlog gezocht moet worden in de geestelijke uithongering van het proletariaat, dat afgesneden was van zijn oude, spiritueel gedragen, sociale verbanden. Vandaag zijn we allemaal geestelijk uitgehongerd en bezeten van de onbewuste angst om geestelijk te sterven. Daarom leggen we kunstenaars niets in de weg, wat ze ook doen. Ze zijn de enigen die ons kunnen redden van de geestelijke hongerdood.

Ik begin ten slotte ook het tegenstrijdige gedrag van iemand als Stefan Hertmans te begrijpen. In ‘De Bekeerlinge’ spant hij zijn verbeeldingskracht tot het uiterste in opdat de lezer zich zou kunnen inleven in zijn roman. Daar slaagt hij met glans in: het boek is een succes, van kritiek is geen sprake. Nochtans probeert Hertmans de lezer ook te bewegen tot kritische distantie. Hij onderbreekt het (poëtische) verhaal over Hamoutal voortdurend met het (prozaïsche) verhaal over zichzelf, alsof hij de lezer wil beletten om weg te dromen, alsof hij hem wakker wil maken. Maar de lezer merkt zijn schabouwelijke leugen over christendom en islam niet eens op. Hij blijft een (dromende) medeschepper van het boek, hij wordt geen (wakkere) wetenschapper. Het voortdurende heen en weer pendelen tussen beide verhalen in ‘De Bekeerlinge’ brengt hem in de war. Dezelfde verhaaltechniek waarmee Stefan Hertmans probeert de lezer wakker te maken, verdooft hem ook. 

Die techniek heeft Hertmans niet bewust gekozen. Zo gaat dat niet in de kunst. Het wakkere bewustzijn beoordeelt wel het resultaat, maar creëert het niet. De scheppende krachten komen van diep uit het onderbewuste en daar leeft duidelijk iets dat aanstuurt op de waarheid. Want Stefan Hertmans is lang niet de enige kunstenaar die door zijn aanwezigheid de toeschouwer wakker wil schudden. Die aanwezigheid is een van de meest typerende kenmerken van de kunst van onze tijd. Was de kunstenaar vroeger als God – onzichtbaar in zijn schepping – dan treedt hij nu steeds meer voor het voetlicht. En dat heeft een schok-effect. De toeschouwer kan niet langer onbekommerd wegdromen in de fictieve wereld van de kunst, hij wordt geconfronteerd met de reële wereld van het scheppen zelf. Hedendaagse kunst is per definitie een choquerende kunst, een kunst die wakker wil maken, die de lezer, de kijker of de luisteraar aan het denken wil zetten, die van hem een maatschappijcriticus wil maken. 

Dat heeft echter een averechts effect. De aanwezigheid van de kunstenaar in (of naast) zijn werk zet de kijker niet aan om kritisch te zijn en de waarheid te vertellen. Wel integendeel, het brengt hem in de war, het intimideert hem, het belet hem om een oordeel te vellen. ‘De Bekeerlinge’ is daar een voorbeeld van: niemand waagt het Stefan Hertmans op zijn leugens te wijzen. Niemand wijst hem ook op de gebreken van zijn roman, met name op de weinig geslaagde manier waarop hij de twee verhalen met elkaar verbindt. Want zijn aanwezigheid in de roman verlamt niet alleen de oordelende lezer, ze verlamt ook de scheppende schrijver. Ze haalt het niveau van zijn werk naar omlaag. Het ‘wetenschappelijke’, maatschappijkritische, activistische karakter van de kunst doet zwaar afbreuk aan haar kunstzinnigheid, het werkt er vernietigend op in. In zijn streven naar waarheid vernietigt de hedendaagse kunstenaar niet alleen het oordeelsvermogen van de kunstliefhebber, hij vernietigt ook zijn eigen kunst.

Maar ondanks dat zelfvernietigende gedrag blijft die kunst bestaan. Honderd jaar geleden reeds verklaarden kunstenaars de kunst dood – net zoals Nietzsche God dood had verklaard – maar ze bleven wel onverminderd kunst scheppen. En dat tegenstrijdige gedrag hebben ze volgehouden tot op de huidige dag. Nog altijd vernietigen ze wat ze scheppen en scheppen ze om het weer te kunnen vernietigen. Scheppen en vernietigen vallen samen in de moderne kunst. Ondanks haar frenetieke activiteit vertoont ze dan ook geen enkele ontwikkeling. Ze staat gewoon stil. Er verandert niks, behalve dan dat ze steeds zieker wordt en die ziekte steeds nadrukkelijker als kunst presenteert. Ze heeft zichzelf bevroren tot een beeld, tot een raadsel dat opgelost wil worden. Al honderd jaar wacht de kunst als een Prometheus op de held die haar uit haar lijden komt verlossen, op iemand die haar de waarheid vertelt zonder haar te vernietigen. En zolang ze die waarheid niet hoort, blijft ze leven zonder te kunnen sterven en sterven zonder te kunnen leven.

De situatie is inderdaad niet nieuw. Ze was al bekend in de Oudheid en we treffen haar ook in de Middeleeuwse graallegende, met name in de scène waar Parsifal de graalburcht betreedt. De jonge ridder wordt daar geconfronteerd met de zieke Visserkoning die hem hartelijk ontvangt en hem zelfs een kostbaar zwaard ten geschenke geeft. Maar wanneer Parsifal de volgende ochtend wakker wordt, treft hij het kasteel verlaten aan. Alle deuren zijn gesloten, behalve de buitendeur. Op het binnenplein staat zijn paard te wachten, helemaal opgetuigd. De boodschap is duidelijk: hij is niet langer welkom. Wanneer hij over de brug rijdt, wordt deze reeds opgehaald en moet hij zich reppen om heelhuids de overkant te bereiken. Kort daarop verneemt hij de reden voor dat tegenstrijdige onthaal. Parsifal was de langverwachte held die de zieke Visserkoning uit zijn lijden moest verlossen door de vraag te stellen naar zijn ziekte en tegelijk ook naar de graal die hem in leven houdt. Maar Parsifal heeft verzuimd die vraag te stellen …  

De legende vertelt dat de Visserkoning ziek is omdat hij door een speer getroffen werd ‘tussen de dijen’, dat wil zeggen in zijn edele delen, in zijn scheppingskracht. We kunnen in hem dus de moderne kunstenaar zien, die niet in staat is om te leven, maar ook niet om te sterven. Net als Prometheus is hij vastgeklonken aan de materie terwijl een arend zijn lever opeet, die ’s nachts weer aangroeit. In Parsifal kunnen we dan weer de moderne wetenschapper herkennen, die zijn moeder – de geestelijke wereld – heeft verlaten om de materiële wereld in te trekken. Daar begaat hij in zijn onwetendheid en naïviteit de ene stommiteit na de andere, maar hij is moedig en verslaat al zijn tegenstanders. Hij lost met andere woorden het ene probleem na het andere op met zijn scherpe geest en verwerft daardoor aanzien. Maar dan komt hij tegenover de zieke kunst te staan en dat probleem kan hij niet oplossen. Het is het begin van een leven vol beproevingen, het begin van de zoektocht naar de graal. 

Het is niet moeilijk om in Parsifal de moderne kunstliefhebber te herkennen die vandaag geconfronteerd wordt met een zwaar zieke kunst. Zijn verstand gebiedt hem zijn mond te houden en de kunst met de gepaste eerbied te benaderen. Zijn hart daarentegen noopt hem om te vragen wat de kunst zo ziek maakt (en tegelijk ook wat haar belet te sterven). Maar dan loopt hij het risico als een cultuurbarbaar beschouwd te worden en de ‘graalburcht’ van de kunst te moeten verlaten. Dus kiest hij voor de veilige, ‘correcte’ houding en legt zijn hart het zwijgen op. Net als Parsifal heeft de kunstliefhebber geleerd geen kritische of ongepaste vragen te stellen aan de ‘koninklijke’ kunst. Ook al wordt ze steeds zieker, hij blijft haar eerbiedigen en bewonderen. Daardoor verzuimt hij de vraag te stellen die haar zou kunnen genezen. Maar tegelijk wordt hij zelf ook ziek. Want door geen vragen te stellen, houdt hij op een kritische waarnemer te zijn, een wetenschapper. Hij legt zijn zwaard neer en buigt de knie als een gelovige.

De ontmoeting tussen kunst en wetenschap is van vrij recente datum. In feite was de kunst het laatste gebied van de materiële werkelijkheid waarop de wetenschap haar oog liet vallen. Dat scherpe, analyserende oog trof de kunst echter als een speer en kwetste haar diep. In de 20ste eeuw werd de wonde duidelijk zichtbaar: de kunst viel nauwelijks nog te herkennen. Maar de wetenschap was niet ontzet over wat ze zelf had aangericht, integendeel, ze juichte. Ze bewonderde zichzelf ongegeneerd in de spiegel van de kunst en was zich van geen kwaad bewust. Daardoor hield ze echter op een wetenschap te zijn. De nuchtere Ahriman vermengde zich met de narcistische Lucifer en samen verlamden ze zowel de scheppingskrachten van de mens als zijn oordeelskrachten. Als gevolg daarvan zit de mens vandaag in de greep van de materie en hij beseft het niet eens want daarvoor is hij te zeer ingenomen met zichzelf. Hij is zowel een dodelijk gewonde Visserkoning als een Parsifal die daar geen oog voor heeft. 

Uitgerekend in de ontmoeting tussen beide tegenpolen vieren de tegenmachten hun grootste triomf. Kunst en wetenschap zijn in hun greep geraakt doordat de grens tussen beide overschreden werd en ze zich met elkaar vermengden. Maar in de graallegende wordt van Parsifal juist verwacht dat hij de grens overschrijdt, dat hij de Visserkoning niet vanop eerbiedige afstand bewondert, maar hem als een gelijke beschouwt, als een mens die ziek is en hulp nodig heeft. Hoe moeten we dat begrijpen? Stelt de graallegende de zaken misschien verkeerd voor? Of is het onzin de hedendaagse problematiek te willen herkennen in een middeleeuws verhaal? Rudolf Steiner beweerde nochtans dat de graallegende voor onze tijd geschreven is en dat de Parsifalweg de weg van de moderne mens is. Het enorme succes van (moderne) kunstwerken die de zoektocht naar de graal tot onderwerp hebben, bevestigt dat. We herkennen onszelf onbewust in de graallegende, diep vanbinnen weten we dat we allemaal Parsifals zijn. 

Volgens de graallegende moet de speer die de wonde sloeg haar ook genezen. Het ‘grensoverschrijdende’ gedrag van de wetenschap is niet alleen de oorzaak van de ziekte van de moderne mens, het is er ook de remedie voor. De wetenschap mag zich dus niet terugtrekken, ze moet juist doordringen tot de kern van de kunst. Ze moet ‘door het dal’, Per-ce-val. De kunst is inderdaad het Waterloo van de wetenschap: hier lijdt ze haar grote nederlaag. Maar wat een geweldige nederlaag is het niet als de wetenschap zichzelf herkent in het wezen van de kunst, als ze zelf een kunst wordt! Dat is ook waar de kunst op wacht: dat ze gekend wordt in haar diepste wezen. Maar dat kennen kan nooit het scherpe, vernietigende kennen van de moderne wetenschap zijn. Het moet een wetenschap zijn die zich bevrijdt van Ahriman, die zich zuivert van zijn machtswellust. Op die meevoelende, mede-lijdende wetenschap wacht de zieke kunst, de zieke mens, de zieke wereld van onze tijd. 

Er is nog een ander beeld dat hier betrekking op heeft. In de Apocalyps – het bijbelboek dat betrekking heeft op onze tijd – lezen we dat er een teken in de hemel wordt gezien, dat er met andere woorden een oerbeeld zichtbaar wordt: een vrouw schreeuwt in barensnood en voor haar staat de draak die het kind wil verslinden zodra het geboren wordt. Dat kind is een zoon, ‘van het mannelijk geslacht’ wordt er ten overvloede aan toegevoegd. In moderne oren klinkt dat waarschijnlijk sexistisch, maar mythische, religieuze, kunstzinnige beelden als deze mogen nooit letterlijk worden genomen. Ze verwijzen naar geestelijke realiteiten. De mannelijkheid waar hier de nadruk wordt op gelegd, is mijns inziens die van de Logos, van het heldere, rationele kennen dat de ‘remedie’ is voor het lijden van de zwangere vrouw, een kosmisch wezen dat de hele schepping lijkt voor te stellen. De nieuwe wetenschap moet met andere woorden geboren worden uit de kunst. De oude wetenschap moet doordringen in de kunst, sterven in de kunst en er weer uit opstaan als een wetenschap die tegelijk een kunst is. 

Met dit apocalyptische oerbeeld kom ik aan een grens. Mijn rationele denken kan zich niet langer staande houden in deze ‘vrouwelijke’ sfeer van de oerbeelden. Er komt te veel samen, er duiken te veel verbanden op. Deze geestelijke sfeer opent tal van nieuwe mogelijkheden, maar vormt tegelijk ook een reële bedreiging voor het bewustzijn. Daarvan getuigt eigenlijk alles wat vandaag gebeurt. Er worden inderdaad ‘tekens in de hemel’ gezien, dat wil zeggen: de moderne mens neemt geestelijke beelden waar. Maar hij kan ze niet verbinden met zijn wakkere bewustzijn en daardoor hebben ze een onbewuste, instinctieve uitwerking. Ze vermengen zich met alles wat nog onzuiver is in de mens, met alle gevolgen van dien. Doordringen in deze geestelijke sfeer betek ent dan ook doordringen in de duistere gebieden van de eigen ziel. Het plaatst de mens voor de Parsifal-opgave om zijn ziel te zuiveren, om haar te slijpen tot een edelsteen, tot een graal die in staat is de geest op te nemen zonder eronder te bezwijken. En dat is niet het werk van één dag …

Advertenties