La nausée (de walging)

door lievendebrouwere

  

Toen ik een tijdje geleden (op mijn computerscherm) tienduizenden mensen door de straten van Boston zag marcheren om te protesteren tegen de gebeurtenissen in Charlottesville, waar een neo-nazi iemand had omver gereden, sloeg de schrik me om het hart. Niet dat ik er problemen zou mee hebben dat er geprotesteerd wordt tegen iemand die met zijn auto op mensen in rijdt, dat spreekt (hoop ik) vanzelf. Maar dat was niet de reden waarom die mensenmassa op straat was gekomen. Er zijn de afgelopen jaren al zoveel mensen met auto’s op andere mensen in gereden dat niemand daar nog voor op straat komt. Zeker, er worden nog altijd kaarsjes gebrand, bloemen gelegd en liedjes gezongen als terroristen weer eens een aanslag hebben gepleegd, maar dat zijn uitingen van liefde en sereniteit, geen uitbarstingen van woede en verontwaardiging zoals in Boston. Daar werd niet geprotesteerd omdat er een aanslag was gepleegd, er werd geprotesteerd omdat de dader rechts was. 

Mensen komen niet langer op straat om te protesteren tegen terreuraanslagen. De aandacht is verschoven van de misdaad naar het motief. Is dat links of islamitisch is, dan kraait geen haan ernaar. Moslims mogen zoveel aanslagen plegen als ze willen, hun ideologie blijft buiten schot. Ook als zwartgemaskerde antifa’s tekeer gaan, wordt links niet met de vinger gewezen. Maar doet één rechtse neo-nazi precies hetzelfde, dan kent de verontwaardiging geen grenzen. Waarom? Wat maakt een rechtse terrorist zoveel erger dan een linkse terrorist of een moslimterrorist? Alvast niet zijn fanatisme, want rechtse fanatici plegen veel minder aanslagen. Zijn rechtse aanslagen dan misschien zo gruwelijk dat ze de veel talrijker moslimaanslagen doen vergeten? Evenmin. De aanslag in Charlottesville verschilde in niets van soortgelijke moslimaanslagen. Waarschijnlijk was hij niet eens met voorbedachten rade gepleegd, zodat er niet echt van een aanslag kan gesproken worden. En toch brengt die ene rechtse moordenaar tienduizenden mensen op de been. 

Links heeft in het verleden – net als de islam – veel grotere bloedbaden aangericht dan rechts, maar toch blijft men links geweld en moslimgeweld vergoelijken en rechts geweld verketteren. Wee degene die het zou wagen de rollen om te keren! Die wordt beschouwd als de Satan in hoogsteigen persoon. Dat overkwam onder meer Donald Trump. De grote betogingen in Boston en andere Amerikaanse steden waren ook – en misschien zelfs vooral – tegen hem gericht. Hij had het namelijk bestaan om de schuld voor de gebeurtenissen in Charlottesville niet alleen bij rechts te leggen. Hij had de kerk in het midden willen houden en gewezen op het aandeel van de linkse tegenbetogers. Dat volstond om een explosie van verontwaardiging te veroorzaken die tienduizenden mensen op de been bracht. Het was trouwens niet de eerste keer. De betoging in Boston was de zoveelste massamanifestatie tegen Donald Trump in het bijzonder en rechts in het algemeen. 

Met stijgend ongeloof kijk ik naar de wereldwijde reactie die de nieuwe Amerikaanse president teweeg heeft gebracht. Er gaat geen dag voorbij of er verschijnen krantenartikels die Donald Trump door het slijk sleuren, die hem een barbaar noemen, een krankzinnige, een psychopaat, een Hitler. Dat duurt nu al meer dan een half jaar lang, zonder onderbreking. Iedere dag weer opnieuw breekt dat artillerievuur los. Onafgebroken wordt er munitie aangevoerd, het geeft niet wat, als het maar ontploft. Iedere krant, iedere televisiezender, iedere journalist, iedere intellectueel doet eraan mee. De zaak heeft bijna apocalyptische proporties aangenomen, alsof de Antichrist verschenen is en de grote eindstrijd begonnen. Wat Donald Trump overkomt is trouwens niet nieuw. Het overkwam in ons eigenste land ook Bart De Wever. Nog altijd, na al die jaren, kan de man zijn mond niet opendoen of de verontwaardiging barst los. En om precies dezelfde reden: omdat hij rechts is. 

Ondanks de onvoorstelbare gruwelen en onmenselijkheden die het op zijn geweten heeft, wordt links door de intellectuele wereld nog altijd beschouwd als de vertegenwoordiger van alles wat goed, waar en schoon is. Ondanks het feit dat de misdadigheid van Donald Trump en Bart De Wever zich beperkt tot woorden en uitlatingen waarmee links het niet eens is, worden beiden nog altijd beschouwd als het vleesgeworden kwaad. Hoe is zoiets mogelijk? De vraag roept een herinnering op. Ik zit in de grote aula van de Leuvense universiteit en probeer niet in slaap te vallen tijdens de cursus fundamentele wijsbegeerte. Opeens vliegen de deuren open en stormen een aantal langharige figuren de zaal binnen. Ze duwen de docent ruw opzij, rukken de micro uit zijn handen, en beginnen er allerlei slogans in te roepen. Ofschoon ik blij ben dat er eens iets gebeurt tijdens die saaie les, ben ik toch geschokt door de brutaliteit van die linkse ‘revolutionairen’. Zoiets doet een beschaafd mens niet, vind ik.

Maar ik ben blijkbaar de enige, want de aula staat als één man op en applaudisseert luid voor de rustverstoorders. Ik peins er niet over om mee te doen en blijf zitten. Dat gaat niet onopgemerkt voorbij. Een van de langharigen schreeuwt ‘fascist!’ naar me. Ik heb geen idee wat dat woord betekent, maar ik begrijp wel dat het niet veel goeds is. Het raakt echter mijn koude kleren niet, want ik ken de schreeuwer. Iedere maandag wordt hij door de glimmende Mercedes van papa afgeleverd aan zijn kot, waar hij dan samen met een ander rijkeluiszoontje de revolutie van het proletariaat begint te prediken. Dat zijn ze in mijn ogen trouwens allemaal, al die Marxisten, Trotskisten, Leninisten en Maoïsten: rijkeluiszoontjes die op kosten van hun ouders in Leuven voor Che Guevara komen spelen. Acteurs die vergeten dat ze acteurs zijn. Want het is hen bloedige ernst, dat zie je zo. Een glimlach kan er niet af. Je kunt deze grimmige barbaren beter niet tegen de (lange) haren in strijken. 

Dat doe ik ook niet. Ik laat ze links liggen (sic). Alle macht aan de arbeiders? Wat is dat voor onzin! Studenten die staken? Are you kidding me! Met de beste wil van de wereld kan ik die would be revolutionairen niet au serieux nemen. Ik voel een diep wantrouwen voor deze wereldverbeteraars, voor hun bloedige ernst, hun gebrek aan humor, hun onderhuidse agressie. Maar ik ben blijkbaar de enige, want als die agressie aan de oppervlakte komt, zoals tijdens hun optreden in de grote aula, wordt ze op algemeen applaus onthaald. Het zal me later nog wel meer overkomen dat ik zit te kijken naar slechte acteurs, dat de zaal na afloop van hun vertoning opstaat en begint te applaudisseren, en dat ik de enige ben die blijft zitten. Een mens zou voor minder aan zichzelf beginnen twijfelen. Het is dan ook die twijfel die me aan het denken heeft gezet over een fenomeen dat ik meer dan 40 jaar geleden reeds leerde kennen, zowel in de wetenschappelijke wereld als in de kunstwereld.

In allebei zag ik hetzelfde gebeuren: een kleine groep ‘revolutionairen’ voert een barbaars spektakel op dat ieder beschaafd mens tegen de borst zou moeten stoten, maar dat vreemd genoeg op luid applaus onthaald wordt. Een grappenmaker stelt bij wijze van kunst een pispot tentoon en even later wordt het uitgeroepen tot het grootste kunstwerk van de eeuw. Enkele rijkeluiszoontjes brutaliseren het professorenkorps, en wat later worden ze zelf professor, alsof hun gedrag niet bestraft maar beloond wordt. Ze hebben hun haar geknipt en hun baard afgeschoren, maar hun streken hebben ze niet verleerd. Nog altijd zeggen ze dezelfde dingen en nog altijd worden ze daarvoor beloond en toegejuicht. Er is de afgelopen 100 jaar met andere woorden niks veranderd, behalve dan dat de revolutionaire studenten van toen de bourgeois van vandaag zijn geworden: ze zitten in regeringen, aan universiteiten, in de media, zelfs in het bedrijfsleven. Idem voor de revolutionaire kunstenaars en hun bewonderaars.

Wat is het toch dat die bewonderaars bewonderen? Waarom applaudisseren zoveel (vooral) jonge mensen voor het beschamende vertoon van linkse machthebbers, linkse intellectuelen, linkse kunstenaars? Waarom laten ze zich opruien door hun holle slogans? Waarom komen ze massaal op straat als één neonazi door het lint gaat en blijven ze thuis als honderd moslims hun duivels ontketenen? Waarom gedragen ze zich zo irrationeel? Waarom gebruiken ze hun verstand niet? Het antwoord op al die vragen is volgens mij hetzelfde als het antwoord op de vraag waarom de grote aula van de Leuvense universiteit destijds als één man opstond om te applaudisseren voor het brutale optreden van een paar linkse studenten. Dat antwoord vind ik door in mijn eigen ziel te kijken. Hoewel ik een diepe weerzin voelde voor het gedrag van die linkse barbaren, voelde ik ook nog iets anders: opwinding omdat er eindelijk eens iets gebeurde, vreugde omdat de verveling doorbroken werd. 

Mijn oude tekenleraar was 10 jaar toen de tweede wereldoorlog uitbrak en zijn eerste reactie was: joepie, geen school! Ik maak me sterk dat het applaus in de Leuvense aula, meer dan 40 jaar geleden, in wezen dezelfde kinderlijke reactie was. Men juichte de linkse revolutionairen niet toe omdat men het eens was met hun Marxistische idealen, maar omdat ze de les onderbraken, omdat ze opriepen niet meer naar school te gaan. Wat wisten al die piepjonge studenten van Marx en Lenin en het hele communisme? Ze kwamen recht uit de middelbare school en daar werd toen nog niet gesproken over die linkse helden. De gruwelen van het communisme waren nog niet doorgedrongen tot het algemene bewustzijn, laat staan tot het onderwijs. Al die juichende jongens en meisjes hadden geen flauw idee wat communisme was, net zomin als mijn tekenleraar als kind wist wat oorlog was. Maar ze wisten allebei heel goed wat onderwijs betekende. Het stond voor eindeloze verveling en saaiheid.

Toen ik naar de universiteit ging, haatte ik mijn oude school uit de grond van mijn hart. Ze had me vernederd, ze had me gedwongen dingen te doen die ik niet wilde doen, en daardoor had ik een afkeer van mezelf gekregen. In Leuven ging dat verhaal gewoon verder. Ik moest er voortdurend vechten tegen de weerzin die de dode leerstof, de saaie professoren, de vervelende lessen, de kwellende examens in me wekten. Tegelijk moest ik ook vechten tegen de weerzin die mijn eigen onderworpenheid wekte, want ik bezat niet de moed of de kracht om me aan die vernedering te onttrekken. Hoe groter mijn minachting werd voor de intellectuele fabriek die de universiteit was, des te groter werd ook mijn minachting voor mezelf. Maar de kelk was nog niet leeggedronken. Na het behalen van mijn diploma ging ik in Brussel op het ministerie werken. Daar steeg de ellende ten top. Zeven jaar hield ik het vol, tot de weerzin me aan de lippen kwam. Pas toen vond ik de moed – der wanhoop – om me te verzetten.

Het was natuurlijk niet allemaal kommer en kwel aan de universiteit. Ik hield er ook goede herinneringen aan over. Voor het eerst op eigen benen staan bijvoorbeeld, niet langer gecontroleerd worden, proeven van de vrijheid, doen wat ik wilde, ja daar lustte ik wel pap van. Ook het samenleven met andere studenten was een openbaring. Zo heb ik trouwens mijn vrouw leren kennen en via haar de antroposofie. Dat is niet niks. Maar toch werd ik telkens weer misselijk als ik later Leuven nog eens bezocht. Hoe mooi ik de stad ook vond en hoe groot de opluchting ook was dat ik er niet langer hoefde te studeren, Leuven wekte braakneigingen in me op. Al die jaren had ik mijn weerzin met zoveel kracht moeten onderdrukken dat ze als het ware samengeperst zat in mijn ziel (of was het mijn lichaam?) en het volstond de plaats delict weer te zien om de samengeperste weerzin los te maken in golven die me overspoelden zonder dat ik er iets kon aan doen. 

Ik was dan misschien niet de meest representatieve student, maar zou het verschil tussen mezelf en de anderen werkelijk zo groot zijn geweest dat alleen ik die onderdrukte weerzin ontwikkelde? Het applaus in de Leuvense aula (en elders) leek dat alleszins tegen te spreken. Ligt het niet voor de hand dat het moderne, intellectualistische onderwijs bij iedereen een stijgende weerzin opwekt die jarenlang moet onderdrukt worden? Is die weerzin niet des te groter naarmate men langer studeert en treft men hem bijgevolg niet vooral aan onder intellectuelen, die zowat een derde van hun leven op de schoolbanken doorbrengen? En bieden linkse ideeën geen gedroomd alibi om die weerzin te ventileren? Tenslotte is ieder mens een geestelijk wezen dat kreunt onder het gewicht van het ahrimaanse intellectualisme en verheugd opspringt wanneer het enige spiritualiteit bespeurt. De linkse ideeën mogen dan utopisch en luciferisch zijn, het blijven spirituele ideeën, grote mensheidsidealen. Alle Menschen werden Brüder: wie zou daartegen kunnen zijn! 

Het probleem met het linkse idealisme is niet alleen zijn luciferische wereldvreemdheid maar ook, en vooral, zijn verbinding met de onderdrukte ahrimaanse weerzin in de menselijke ziel. Dat idealisme werkt als een lucifer (sic) die aan een vat vol buskruit wordt gestoken. Het resultaat is een explosie van woede, verontwaardiging, beschuldigingen, haat en geweld. Opvallend is dat de ‘exploderenden’ zich totaal niet bewust zijn van dat linkse geweld. De idealistische roes maakt hen blind voor hun eigen woede en haat: ze wanen zich vervuld van louter liefde en verdraagzaamheid. De revolutionaire studenten die ik destijds in Leuven aan het werk zag, hadden de grootste moeite om hun weerzin te verbergen: ze stond als het ware op hun gezicht geschreven. Maar ze verklaarden wel voortdurend hun liefde aan de onderdrukte arbeidersklasse. Hoe luciferisch die schijnliefde was, blijkt vandaag: niemand is zo van weerzin voor die arbeidersklasse vervuld als juist de linkse intellectueel. 

Die linkse intellectueel (het is bijna een pleonasme want links is intellectueel en de intellectueel is links) heeft twee gezichten – een liefdevol en een haatdragend – die hij voortdurend verwisselt, al naargelang van de omstandigheden. Het kwaad schuilt in het feit dat hij zich van die innerlijke gespletenheid niet bewust is. De afwisseling van Lucifer en Ahriman is niet zijn werk, ze is het werk van een geest die in zijn ziel voortdurend het vuur aan de lont steekt en een kettingreactie van explosies veroorzaakt, explosies van weerzin en walging, van woede en haat. Toen Rudolf Steiner voorspelde dat het intellect kwaadaardig zou worden, had hij het over deze geest, een geest waar de moderne mens zich totaal niet van bewust is. Het was deze geest die mij de schrik rond het hart deed slaan toen ik die mensenmassa door de straten van Boston zag schuiven, overwegend jonge mensen die achter het linkse gepijp van de hedendaagse rattenvanger van Hamelen aanliepen, en zich niet bewust waren van de weerzin die hen dreef.  

Advertenties