Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: december, 2017

Antroposofie en karmabewustzijn (3)

  

Het falen van Karl Julius Schröer was het spreekwoordelijke domino-blokje dat omviel en een hele reeks andere blokjes in zijn val meesleurde. Rudolf Steiner werd er om te beginnen door gedwongen de ontwikkeling van de antroposofie op zich te nemen en zijn eigen levenstaak – de studie van karma en reïncarnatie – uit te stellen. Toen hij daar eindelijk kon mee beginnen, werd hij opeens zwaar ziek en zag zich gedwongen om in 9 maanden samen te persen waar hij anders een heel leven had kunnen aan wijden. De enorme inspanningen die hij in dat laatste jaar van zijn leven leverde, waren echter niet voldoende. Hij slaagde er wel in het thema van de oude en de jonge zielen te onthullen, maar het drong niet door tot het antroposofische bewustzijn. Tot op heden blijft Rudolf Steiners (dringende) oproep om dit zaadje verder te ontwikkelen onbeantwoord. Het gevolg is een ‘halve’ antroposofie, een antroposofie zonder karmabewustzijn.

Deze gehalveerde antroposofie leeft nog wel, maar ze leidt een kwijnend bestaan: boekhandels verdwijnen, initiatieven sluiten de deuren, het ledenaantal loopt terug, de gemiddelde leeftijd stijgt, antroposofische leraars zijn nauwelijks nog te vinden, artsen evenmin. Het vuur brandt niet meer, zoveel is duidelijk. Vlugger dan verwacht gaat Rudolf Steiners voorspelling over het eind van de 20ste eeuw in vervulling: de (Europese) beschaving gaat ten onder en ze sleept de antroposofie in haar val mee. Wat begon met de mislukking van Karl Julius Schröer lijkt te eindigen met het mislukken van de samenwerking tussen platonici en aristotelici. Ook daartussen stapelen de mislukkingen zich op: de brand van het Goetheanum, de voortijdige dood van Rudolf Steiner, de scheuring van de antroposofische beweging. Het is eigenlijk één lange aaneenschakeling van mislukkingen en de meeste antroposofen kiezen er dan ook voor de ogen te sluiten voor de keerzijde van de antroposofische medaille.  

Desondanks komt deze pijnlijke geschiedenis langzaam maar zeker aan het licht. Stap voor stap raken de onverkwikkelijke feiten bekend en ontstaat een beeld waarin het zielenthema zich duidelijk aftekent. Rudolf Steiner wordt belet zijn levenstaak uit te voeren omdat Julius Schröer zodanig faalt dat er tussen deze oude en deze jonge ziel geen samenwerking tot stand kan komen. Het Goetheanum gaat in de vlammen op als gevolg – of toch minstens als uitdrukking – van de wrijvingen tussen oude en jonge zielen die er maar niet in slagen met elkaar samen te werken. Vervolgens wordt Rudolf Steiner dodelijk ziek omdat hij het karma van deze ruziënde zielengroepen op zich neemt. Na zijn dood spat de antroposofische beweging uit elkaar omdat oude en jonge zielen elkaar minder dan ooit kunnen luchten. En als kers op de tragische taart volgt dan de ultieme mislukking aan het eind van de 20ste eeuw: platonici en aristotelici komen niet tot samenwerking. Het is de zoveelste variatie op hetzelfde thema.

De samenwerking tussen oude en jonge zielen is de kracht maar ook de zwakheid van de antroposofie. Het is de achillespees waar de tegenmachten steeds weer hun pijlen op richten en de wonde is intussen zo lelijk en pijnlijk geworden dat we er niet meer durven naar kijken. Toch is dat de enige manier om de zwaargewonde antroposofie te helen. Op fysiek vlak is dat echter niet meer mogelijk. De oude antroposofie en de oude beschaving vallen niet meer te redden. Rudolf Steiner heeft het geprobeerd, en ook zijn leerlingen hebben het geprobeerd, maar het heeft niet mogen zijn. De tegenmachten vieren vandaag hun overwinning en ons rest niets anders meer dan het voorbeeld van Rudolf Steiner te volgen. Toen hij na de brand van het Goetheanum inzag dat de oude vereniging een verloren zaak was, concentreerde hij de hele antroposofie in de Grondsteenspreuk die hij als een zaadje ‘in de harten van de aanwezigen’ plantte, dat wil zeggen in de harten van degenen die wakker waren.

Dat is de keuze waarvoor we staan: ofwel blijven we slapen en proberen we te redden wat niet meer te redden valt, ofwel proberen we de antroposofie in ons hart samen te ballen tot een zaadje dat we kunnen meenemen over de grens van de dood. Want alles wat zich in ons hoofd bevindt, moeten we achterlaten. Alleen wat in ons hart leeft en met ons eigen wezen verbonden is, kunnen we meenemen en bewaren voor de toekomst. Na de Weihnachtstagung toonde Rudolf Steiner ons hoe we de oude antroposofie-van-het-hoofd kunnen transformeren tot een antroposofie-van-het-hart: door onderscheid te maken, door het feit onder ogen te zien dat de antroposofische beweging bestaat uit ‘hoofdzielen’ en ‘hartzielen’. Wie niet naar deze ‘wonde’ wil kijken, zal haar ook niet kunnen of willen genezen. Daarom verwachtte Rudolf Steiner van iedere antroposoof dat hij erachter kwam tot welke zielengroep hij behoorde (of daar minstens over nadacht). Daarmee begint de genezing van de gewonde antroposofie.

Wat er gebeurt wanneer deze stap wordt overgeslagen, hebben we gezien na Steiners dood. Beide zielengroepen botsten frontaal op elkaar, de oude antroposofie werd gerestaureerd, de dragers van de nieuwe antroposofie (Ita Wegman op kop) vlogen aan de deur, en het zielenthema werd taboe. De antroposofische beweging maakte met andere woorden rechtsomkeer en ging daarmee dwars tegen Rudolf Steiner in. Eigenlijk doet ze dat nog altijd, want zolang het zielenthema genegeerd wordt, kan de antroposofie geen hartsaangelegenheid worden en kan ze de stap naar de toekomst niet zetten. Ze blijft opgesloten in haar hoofd en de polariteit van oude en jonge zielen verhardt tot een dualistische tegenstelling waarvan de spanningen vroeg of laat tot een uitbarsting leiden. Niet de zielenpolariteit op zich is het probleem, maar het gebrek aan bewustzijn ervan. Dat (karma)bewustzijn maakt het verschil tussen een hele en een halve antroposofie, en dat is tegelijk het verschil tussen een genezende en een ziekmakende antroposofie. 

Want de problemen van de antroposofie zijn ook de problemen van de wereld. Het is geen toeval dat onmiddellijk na Rudolf Steiners deadline het zielenthema een wereldprobleem wordt. In de karmavoordrachten spreekt Steiner uitvoerig over de intense geestelijke strijd die de aristotelici (waaronder hijzelf, in zijn vorige incarnatie als Thomas van Aquino) in de middeleeuwen uitvochten met de islamitische geleerden. Vandaag laait die strijd weer op en het is pijnlijk om zien hoe machteloos Europa staat tegenover haar oude vijand. Wat Europa ontbeert, is een antroposofie die deze strijd weer opneemt en samen met de platonici beslecht. Maar zo’n antroposofie bestaat helaas niet. Alleen een intens karmabewustzijn had beide zielengroepen kunnen doen samenwerken in de strijd tegen de islam. Sinds de dood van Rudolf Steiner verzet de antroposofische beweging zich echter hevig tegen dit karmabewustzijn. Het heeft nooit de kans gekregen om zich te ontwikkelen, en daar plukken we nu de zure vruchten van.

Dit besef zou ons met verdubbelde ijver moeten doen werken aan dat karmabewustzijn, want kunnen we deze beschaving niet meer redden, we kunnen nog wel de volgende voorbereiden. Dat is en blijft de opgave van de antroposofie. Als we die ernstig nemen, mogen we ons niet verschansen in ons hoofd waar we alles wegrelativeren en ons vastklampen aan de illusie dat het allemaal wel in orde komt. We moeten ons hart openstellen voor de tragedie die vandaag plaatsvindt en wakker worden voor de realiteit van de wereldproblemen die ook onze eigen, antroposofische problemen zijn. We moeten de blik richten op de doodskrachten die nu de overhand nemen en stap voor stap alles afbreken wat we met zoveel moeite hebben opgebouwd. Alleen door de intense dramatiek van deze doodsstrijd mee te beleven, kan in ons de bevrijdende catharsis ontstaan die we nodig hebben om onze ziel te zuiveren en met vereende krachten verder te werken. 

Wanneer we ontwaken voor het mysteriedrama dat zich voor onze ogen afspeelt, komen we vroeg of laat terecht bij Karl Julius Schröer. Want met zijn mislukking is alles begonnen. Lang voor de hel van de wereldoorlogen losbarstte, lang voor de oude strijd met de islam weer oplaaide, werd in Wenen de eerste steen gelegd van deze lijdensweg, althans de eerste zichtbare steen. Niemand besefte dat, behalve Rudolf Steiner. Niemand kon bevroeden dat de beschaafde en fijnzinnige Karl Julius Schröer aan de oorsprong lag van een ongeziene katastrofe. Uiterlijk gezien was er niks aan de hand met deze brave professor die les gaf, gedichten schreef en een groot bewonderaar van Goethe was. Maar achter de coulissen speelde zich één van de grootste drama’s aller tijden af: het falen van de gereïncarneerde Plato. Volgens Rudolf Steiner was zijn vader bovendien de gereïncarneerde Socrates, maar ondanks diens steun slaagde Schröer er niet in de antroposofie te ontwikkelen. En als gevolg daarvan sloeg het noodlot toe.

Dit historische falen roept heel wat vragen op. Zoals de joden (lichamelijk) de menswording van Christus moesten voorbereiden, zo moesten de antroposofen (geestelijk) de wederkomst van Christus voorbereiden. Belangwekkender taken kan men zich moeilijk indenken. En toch werd de taak om de antroposofie te grondvesten toevertrouwd aan iemand die daar volkomen ongeschikt voor was. Want het is niet zo dat de man te maken kreeg met zware tegenslagen of felle weerstanden. Nee, hij kon het gewoon niet, hij heeft het zelfs niet geprobeerd. Deze vaststelling laat maar twee mogelijkheden open. Ofwel hebben degenen die het antroposofische karma moesten regelen zich zwaar vergist toen ze Julius Schröer uitkozen voor deze taak. Ze hebben daarna nog geprobeerd hun vergissing recht te zetten door Rudolf Steiner te sturen, maar die kon de meubelen niet meer redden. Ofwel, en dat is de tweede mogelijkheid, moeten we het falen van Karl Julius Schröer op een heel andere manier bekijken.

Volgens Rudolf Steiner is het karma afkomstig uit de allerhoogste regionen van de geestelijke wereld. In het geval van twee wereldhistorische karma’s als het joodse en het antroposofische mogen we zelfs aannemen dat ze gestuurd werden vanuit de Triniteit, en als ze zich daar vergissen, dan valt er voor ons mensen niet veel te herstellen. We hebben als antroposoof dus geen andere keuze dan te vertrouwen op de wijsheid van de karmascheppende goden en ervan uit te gaan dat ze een goede reden hadden om uitgerekend Karl Julius Schröer te kiezen voor een zo belangrijke opdracht. We kunnen derhalve niet zomaar spreken van een ‘mislukking’ van de antroposofie. We zouden dan ook moeten spreken van een mislukking van Christus, want toen hij naar de aarde kwam om de mensheid te redden, kon hij niet eens zichzelf redden: hij werd terechtgesteld als een misdadiger. Groter fiasco kan men zich niet indenken, en toch werd deze ‘mislukte’ geschiedenis een heilsgeschiedenis.

Het wordt langzaam duidelijk dat we de geschiedenis van de antroposofische beweging nog op een geheel andere manier kunnen bekijken. Het is begrijpelijk dat we als antroposoof positief willen blijven en ons concentreren op de goede dingen. Hoe zouden we het anders volhouden! Maar de waarheid heeft haar rechten. Als onze positieve instelling inhoudt dat we de schaduwkanten van het antroposofische karma negeren, dan beperken we ons tot de halve waarheid en die is soms erger dan een hele leugen. Wanneer we ons hart openstellen voor de hele waarheid, dan komt dat in eerste instantie hard aan. Gevoelens van mislukking, onmacht en wanhoop overspoelen ons. Maar als we de verleiding weerstaan om de blik af te wenden en ons in onszelf op te sluiten, dan begint een zaadje te ontkiemen en langzaam wordt een beeld zichtbaar dat ons een blik gunt op een andere, diepere werkelijkheid, een karmische werkelijkheid waar ‘mislukken’ deel uitmaakt van het plan. 

Advertenties

Antroposofie en karmabewustzijn (2)

  

Na zowat zijn hele leven besteed te hebben aan Julius Schröers levenstaak – de antroposofie – kon Rudolf Steiner na afloop van de Weihnachtstagung eindelijk aan zijn eigen opgave beginnen: karma en reïncarnatie. Daarvoor restten hem nog slechts 9 luttele maanden en dus moest hij zich beperken tot het meest essentiële. Dat bleek de relatie tussen oude en jonge zielen te zijn. Hij onthulde dit thema, dat als een rode draad door de karmavoordrachten loopt, tijdens de laatste zomer van zijn leven en hij deed dat heel voorzichtig. Hij sprak zelfs van een ‘intermezzo’, want hij had meer dan eens ondervonden hoe onoverkomelijk de weerstanden waren tegen karmabewustzijn. Maar dit keer zette hij door. Hij kon niet langer wachten tot zijn toehoorders er klaar voor waren. Het was nu of nooit. En bijna was het nooit geweest, want Rudolf Steiner had de Weihnachtstagung ternauwernood overleefd. De tegenmachten hadden er werkelijk alles aan gedaan om hem het spreken te beletten. 

Wat was er zo bedreigend aan dit karma-inzicht? Waarom wilden de tegenachten het met alle mogelijke middelen tegenhouden? Want ook na de dood van Rudolf Steiner gingen ze zo te keer dat het thema van de oude en de jonge zielen geen kans kreeg om door te dringen tot het antroposofische bewustzijn. En daar is tot op de huidige dag geen verandering in gekomen. De hardnekkigheid waarmee het zielenthema genegeerd wordt, doet onwillekeurig denken aan het geheim van de twee Jezuskinderen. Ook dat is tot op heden niet boven water gekomen, hoewel het duidelijk op te maken valt uit de twee verschillende geboorteverhalen en de twee verschillende stambomen in de bijbel, nochtans het meest bestudeerde boek ter wereld. Alleen in de antroposofische wereld kent men dit geheim, maar daar wordt het dan weer zorgvuldig gescheiden gehouden van het eigen karma. Het zijn dus geen geringe krachten die zich tegen het zielenthema keren en daar moeten ze een goede reden voor hebben. 

De belangrijkste gebeurtenis in de geschiedenis van de mensheid – de menswording van Christus – werd mogelijk gemaakt door de vereniging van de oude solomonische Jezusziel en de jonge nathanische Jezusziel. In onze tijd vindt de op één na belangrijkste gebeurtenis plaats – de wederkomst van Christus – en die mag volgens Rudolf Steiner onder geen beding verslapen worden. Dat zou het ergste zijn wat de mensheid kan overkomen. Om dat onheil af te wenden is de antroposofie in het leven geroepen en dat werd mogelijk gemaakt door – opnieuw – de vereniging van een oude en een jonge ziel. De antroposofie werd geconcipieerd door Julius Schröer en Rudolf Steiner, een oude en een jonge ziel. Aan de wieg van de beweging stonden Marie von Sivers en Rudolf Steiner, een oude en een jonge ziel. En tijdens de Weihnachtstagung werd de vereniging heropgericht dankzij de samenwerking van Ita Wegman en Rudolf Steiner, andermaal een oude en een jonge ziel.  

Zonder deze samenwerking van een oude en een jonge ziel is de antroposofie eenvoudig niet denkbaar. Hun twee-eenheid is de alfa en de omega van de antroposofie, het oerbeeld, het kloppende hart. Zo kwam het ook tot uitdrukking in de twee (in elkaar schuivende) koepels van het eerste Goetheanum. De tegenmachten konden de antroposofie niet dieper treffen dan door dit oerbeeld te verwoesten, zowel uiterlijk (ze staken het Goetheanum in brand) als innerlijk (ze dreven een wig tussen oude en jonge zielen). Zo verhinderden ze de vereniging van twee complementaire vormen van bewustzijn: het (oude) ‘antroposofische’ bewustzijn en het (jonge) ‘karmabewustzijn’. Daardoor kon echter ook het Christusbewustzijn niet ontstaan. Zonder antroposofie geen karmabewustzijn, zonder karmabewustzijn geen Christusbewustzijn. Op die manier onttrokken de tegenmachten de wederkomst van Christus aan het moderne bewustzijn en riepen ze stap voor stap het grootste onheil over de mensheid af. 

De eerste – en in zekere zin belangrijkste – stap in deze onheilsgeschiedenis was het saboteren van Julius Schröers opdracht: het ontwikkelen van de antroposofie. Als gevolg daarvan zag Rudolf Steiner zich genoodzaakt Schröers levenstaak over te nemen, want zonder antroposofie kon hij ook geen inzicht in karma en reïncarnatie ontwikkelen. Hij moest zijn eigen levensopdracht uitstellen en toen hij er eindelijk kon aan beginnen, sloegen de tegenmachten opnieuw toe. Ze hadden het Goetheanum in de as gelegd en daarmee het lot van de antroposofische vereniging bezegeld. Maar Rudolf Steiner liet zich niet uit het veld slaan en richtte de vereniging opnieuw op. Dus troffen ze hem een tweede keer, onmiddellijk na de Weihnachtstagung. Ook die aanslag overleefde hij, en onmiddellijk na zijn dood sloegen ze een derde keer toe. Ze staken de antroposofische beweging in brand, daarna Duitsland en ten slotte heel Europa. 

Op die manier ontwikkelde een kleine vonk – het uitschakelen van Julius Schröer – zich tot een uitslaande wereldbrand. Uit de assen is de wereld opnieuw verrezen, maar zijn ruggegraat is gebroken. De antroposofische inzichten zijn na 100 jaar nog altijd niet doorgedrongen in de beschaving. Hetzelfde geldt voor het karmabewustzijn in de antroposofische wereld. En van de samenwerking tussen platonici en aristotelici – die de antroposofie tot bloei had moeten brengen en de beschaving van de ondergang redden – is niets te merken geweest. Rudolf Steiners deadline was dan ook nog maar pas verstreken of Sorat stak zijn monsterachtige kop op. En sindsdien gaat het in sneltreinvaart bergaf. Iedere dag duiken er nieuwe ontbindingsverschijnselen op die duidelijk maken dat de onze beschaving ten onder gaat. Ja, de tegenmachten hebben hun werk grondig gedaan. Ze wisten precies wat ze moesten doen om het Christusbewustzijn te verhinderen en het grootste onheil over de mensheid te brengen. 

Tegen deze tegenmachten had Michaël ‘in de hemel’ strijd geleverd. Aan het eind van de 19de eeuw had hij ze overwonnen en ‘op aarde’ geworpen. Daar ontketenden ze een ongeziene katastrofe die nog altijd voortduurt en de mensheid met verstomming slaat. De opgave van de antroposofische beweging bestaat erin deze verstomming te doorbreken en wakker te worden voor wat zich in deze apocalyps wil openbaren: de wederkomst van Christus. Sinds het aflopen van de 20ste eeuw – de deadline van Rudolf Steiner – heeft die opgave het karakter van een keuze gekregen: zien we de mislukking van de antroposofie onder ogen of doen we verder alsof er niks aan de hand is? De situatie doet onwillekeurig denken aan de Hof van Olijven waar Christus worstelde met de dood en aan zijn leerlingen vroeg om met hem te waken. Maar ze vielen in slaap. Ze waren niet in staat de ‘mislukking’ van hun Meester onder ogen te zien en sloten er hun bewustzijn voor af. 

De Weihnachtstagung van 1923 vormde het begin van het lijden en sterven van Rudolf Steiner. De vertaling van de oude mysteriën (Schröers opdracht) was voltooid en er bleven slechts 9 maanden over om de nieuwe mysteriën (zijn eigen levenstaak) te ontwikkelen. Dus concentreerde hij ze in een Grondsteen die hij ‘in de harten van de aanwezigen’ legde, in de hoop dat dit zaadje zich zou ontwikkelen tot een nieuwe tempel. Die ‘aanwezigen’ bedoelde hij niet enkel in letterlijke zin. Toen hij na afloop van de kerstbijeenkomst verklaarde het jammer te vinden dat een bepaalde leerling er niet bij was geweest, antwoordde men hem: o, maar hij was er wel degelijk, we hebben hem gezien! Rudolf Steiner bleef echter bij zijn eerste verklaring en legde uit dat men wel ergens fysiek kan zijn, maar daarom nog niet ‘aanwezig’ is. Het volstond niet om de Grondsteenspreuk (fysiek) te horen, ze moest in de eerste plaats (geestelijk) opgenomen worden ‘in het hart’. Men moest er wakker voor zijn, men moest er met heel zijn wezen ‘aanwezig’ voor zijn.

Die wakkerheid was er niet, of toch niet in voldoende mate om Rudolf Steiner het leven te redden. Hij slaagde er weliswaar nog in om het zaadje van de Weihnachtstagung tot ontkieming te brengen en het geheim van de oude en de jonge zielen te onthullen, maar toen kon hij niet meer verder. De rest moest hij aan zijn leerlingen overlaten. Hoe dat verliep, is bekend. De woede van de tegenmachten brak over hen uit en ze verloren hun bezinning. De antroposofische beweging werd lam geslagen, eerst door wat zich binnen haar grenzen afspeelde en daarna door wat ook daarbuiten gebeurde. Inmiddels heeft ze zich daarvan hersteld, althans uiterlijk, want innerlijk ligt er een cordon sanitaire van angst en schaamte rond het pas ontkiemde zaadje: schaamte over het falen van de beweging en angst dat het opnieuw zou kunnen gebeuren. Deze ‘doornhaag’ houdt het antroposofische bewustzijn sindsdien op veilige afstand van het zielenthema en belet de verdere ontwikkeling ervan.  

Toen Rudolf Steiner stierf, is de antroposofische beweging in slaap gevallen. Vandaag, bijna 100 jaar later, bestaat ze nog altijd en wordt er veel gedacht en hard gewerkt. Maar men is niet echt wakker, men is niet echt aanwezig. De tegenwoordigheid van geest ontbreekt. Dat kan men aflezen aan het kwijnende bestaan dat de antroposofie leidt, aan haar onvermogen om de brug te slaan naar de moderne wereld, naar de moderne jeugd. Men kan het ook opmaken uit de blinde vlek in het antroposofische bewustzijn. Na al die jaren – het is bijna een eeuw geleden – blijft men nog altijd doof voor de laatste, dringende oproep van Rudolf Steiner om na te denken over het zielenthema, om deze kiem van karmabewustzijn verder te ontwikkelen. Zolang men daar geen gevolg aan geeft en innerlijk ontwaakt, kan de antroposofie ook uiterlijk niet in beweging komen. Ze blijft de gevangene van de tegenmachten die als in slagorde rond haar opgesteld staan. Want zij willen niet dat deze schone slaapster wakker wordt. 

Antroposofie en karmabewustzijn (1)

  

Wie de geschiedenis van de antroposofische beweging een beetje kent, weet wat er gebeurde na de dood van Rudolf Steiner. Zijn twee belangrijkste leerlingen – Marie von Sivers en Ita Wegman kregen ruzie over de assen van hun leraar: de zogenaamde Urnenstreit. Het is niet meteen iets wat men verwacht van spirituele mensen: bekvechten over iemands stoffelijke resten. Of toch wel? Naar verluidt wilde Rudolf Steiner niet verast maar begraven worden. Voorzag hij dat de urne met zijn assen de inzet zouden worden van een ruzie die de hele beweging in twee kampen zou verdelen? Hoe dan ook, het vuur dat zijn lichaam verteerde leek over te slaan op de antroposofische beweging, ook zij werd in de as gelegd. Het doet onwillekeurig denken aan de brand die het Goetheanum verwoestte en waarvan Rudolf Steiner zei dat het vuur weliswaar van buitenaf werd aangestoken maar zijn werkelijke oorzaak vond in de ruzies en spanningen binnen de antroposofische wereld zelf. 

De Urnenstreit was de vonk die de uitslaande brand deed ontstaan waarvan Ita Wegman later zou zeggen dat, als hij niet geblust werd, Hitler aan de macht zou komen. Wat ook gebeurde. Maar Ita Wegman zei nog iets anders over die ruzie. De felle haat waar (vooral) zij het slachtoffer van werd, was volgens haar in de eerste plaats gericht tegen de ontwikkeling van het karmabewustzijn. Dat was wat de tegenmachten in de kiem wilden smoren, en zij slaagden daar voortreffelijk in. Vandaag, bijna 100 jaar later, is karmabewustzijn zo goed als onbestaande. Vrijwel geen enkele antroposoof weet tot welke karmische groep hij behoort: die van de oude of die van de jonge zielen. Nochtans is dat de basiskennis die Rudolf Steiner van iedere antroposoof verwachtte. En hij had daar een goede reden voor. De antroposofie was volgens hem niets anders dan een voorbereiding op wat aan het eind van de 20ste eeuw moest plaatsvinden: de samenwerking van platonici en aristotelici, de leidende figuren van beide zielengroepen. 

Nooit heeft Rudolf Steiner met meer nadruk gesproken dan over deze samenwerking. Hij verbond er zelfs een deadline aan: ze moest plaatsvinden vóór het eind van de 20ste eeuw, anders zou de mensheid ‘aan het graf van alle beschaving staan’. Zo drukte hij het uit, en deze apocalyptische voorspelling herhaalde hij liefst vijf keer. Het was in zekere zin zijn testament, zijn laatste wilsbeschikking, want kort daarop moest hij het werk staken en een half jaar later was hij dood. Niets was voor hem belangrijker dan deze toekomstige samenwerking van platonici en aristotelici. Zij was het grote doel van de antroposofische arbeid, datgene waarop alle inspanningen gericht moesten zijn. Maar dat wisten de tegenmachten ook, en ze zetten alles op alles om de ontwikkeling te verhinderen van het karmabewustzijn dat deze samenwerking mogelijk moest maken. Onder geen beding mocht van de antroposofie de geestelijke impuls uitgaan die de beschaving uit het slop van het materialisme zou halen. 

De tegenwerking begon al nog voor er van antroposofie sprake was. Julius Schröer, de man die geroepen was om de antroposofie te ontwikkelen, bleek daar niet toe in staat. Rudolf Steiner had geen andere keuze dan zijn taak over te nemen, want zonder antroposofie kon hij zijn eigen levensopdracht – de bewustwording van karma en reïncarnatie – niet vervullen. Hij heeft nog geprobeerd beide taken te combineren, maar zijn pogingen om over karma en reïncarnatie te spreken liepen op niets uit. De weerstanden waren te groot. Pas na het voltooien van de antroposofie, dat wil zeggen na de Weihnachtstagung, slaagde hij erin die weerstanden te overwinnen. Maar de prijs lag bijzonder hoog. De brand van het Goetheanum was reeds een zware klap voor hem geweest en een jaar later volgde nog een tweede: hij werd vergiftigd. Ook deze aanslag wist hij te overleven, maar hij was ten dode opgeschreven. Er restten hem nog slechts 9 maanden om te doen waarvoor hij op aarde was gekomen. 

Na de dood van Rudolf Steiner sloegen de tegenmachten een derde maal toe: de Urnenstreit scheurde de antroposofische beweging in twee en de breuklijn liep grotendeels tussen de oude en de jonge zielen waarover hij in het laatste jaar van zijn leven had gesproken. Dit elementaire karma-inzicht had echter niet de kans gekregen door te dringen tot het antroposofische bewustzijn en de beweging had dan ook geen verhaal tegen deze vernietigende aanval van de draak. Dertig jaar later werd de breuk geheeld, maar tegelijk werd ook het zielenthema begraven. Het grondleggende werk van Hans Peter van Manen, Christussucher und Michaeldiener, dat in 1980 verscheen, vond nauwelijks weerklank. Latere publicaties deden hun best om het onderwerp te relativeren en te minimaliseren. Sommigen vonden het zelfs ongepast om erover na te denken. En intussen naderde het einde van de eeuw zonder dat iemand zich afvroeg waar die platonici en aristotelici wel mochten zijn.

Vandaag ligt het eind van de 20ste eeuw al een hele tijd achter ons en meer dan ooit wordt er in alle talen gezwegen over wat toen had moeten gebeuren. Het is nochtans duidelijk dat Rudolf Steiners waarschuwing geen loos alarm was. Vrijwel onmiddellijk na het aflopen van zijn deadline brak de War on Terror uit. De twin towers werden in de as gelegd, het Midden-Oosten vloog in brand, grote migrantenstromen kwamen op gang en de ‘islamisering’ van Europa begon. Deze ‘derde wereldoorlog’ is – net als beide vorige – onmiskenbaar gericht tegen Europa, waarbij Europa niet alleen gezien moet worden als het geografische continent, maar ook – en vooral – als de beschaving van onze tijd. De islam, het meest in het oog springende wapen dat tegen deze beschaving wordt gericht, lijkt eindelijk te zullen slagen in wat hij reeds sinds zijn ontstaan nastreeft: de verovering van Europa. Die overwinning zal echter niet te danken hebben aan de sterkte van de islam, maar aan de zwakte van een hopeloos verdeeld Europa.

Die verdeling begon reeds met de wig die de tegenmachten tussen Julius Schröer en Rudolf Steiner dreven, want op die manier verhinderden ze de verbinding van antroposofie en karmabewustzijn die uiteindelijk had moeten leiden tot de beschavingsreddende samenwerking van platonici en aristotelici. De microcosmos van de antroposofische wereld werd weerspiegeld in de macrocosmos van het wereldgebeuren. Zonder de tegenwerking die het Goetheanum van meet af aan ondervond, had, aldus Rudolf Steiner, de eerste wereldoorlog kunnen voorkomen worden. Volgens Ita Wegman was er dan weer een verband tussen de Urnenstreit enerzijds en de machtsovername van Hitler en de tweede wereldoorlog anderzijds. Dat het aflopen van Rudolf Steiners deadline tenslotte het sein was tot het uitbreken van de War on Terror, daar heb je geen helderziende vermogens voor nodig. Ook al klinken deze parallellen voor een buitenstaander vergezocht of zelfs grotesk, als antroposoof kun je ze niet zomaar aan de kant schuiven. 

Zoals na de oorlog de breuk binnen de antroposofische beweging werd hersteld, zo werd even later ook Europa weer herenigd. Sindsdien heerst er vrede, maar die vrede werd zwaar betaald. Europa is een soort tweede Sovjet-Unie geworden waar een centralistisch bestuur de lidstaten de wet voorschrijft. Onder deze opgelegde (schijn)eenheid gaapt een diepe kloof tussen links en rechts, een kloof die de van haat vervulde ziel van de moderne mens weerspiegelt. Die kloof gaapt ook in de antroposofische wereld. Bij conflicten komen steeds weer dezelfde twee zielengroepen tegenover elkaar te staan, zonder dat daar enig (karma)bewustzijn uit ontstaat. Er wordt veel nagedacht en er wordt hard gewerkt, maar tussen beide is nauwelijks contact. Het hart ontbreekt, het levende midden, de bezieling. De antroposofie leidt een kwijnend bestaan, ze wordt van binnen uitgehold, slaagt er niet meer in de jongere generaties warm te maken. Winter is coming

Het hoofd doet alsof er niets aan de hand is, maar het hart laat zich niet bedriegen. Het weet dat we ‘aan het graf van alle beschaving’ staan. Dat is een huiveringwekkend besef en het valt te begrijpen dat de antroposofische wereld zich afsluit voor alles wat met deze voorspelling van Rudolf Steiner te maken heeft. Immers, hoe kunnen we nog verder werken als de zaak toch verloren is? Maar juist hier wordt zichtbaar hoe cruciaal karmabewustzijn is. Niet alleen mensen reïncarneren, ook beschavingen doen dat. Onze beschaving gaat ten onder, maar dat betekent niet dat het einde van de wereld aangebroken is. Rudolf Steiner heeft vaak genoeg gesproken over toekomstige tijdperken. En juist die toekomst moet nu voorbereid worden. Toen het Goetheanum afbrandde stierf de antroposofische vereniging. De vlammen laaiden hoog op, maar Rudolf Steiner drukte zijn leerlingen op het hart om goed te kijken en deze katastrofe diep in hun ziel te prenten. Want het beleven van dit sterven moest de kiem worden voor de wedergeboorte. 

Als het Goetheanum niet in de as was gelegd, zou de Weihnachtstagung niet hebben plaatsgevonden. Het jaar dat die twee grote gebeurtenissen van elkaar scheidde, vormde het dieptepunt van de antroposofische beweging en Rudolf Steiner speelde met de gedachte om het allemaal op te geven. Maar hij deed het niet. Hij ging dwars-door-het-dal en uit dat lijden ontstond de Grondsteen die hij tijdens de Weihnachtstagung ‘in de harten’ van de aanwezigen legde. Die ‘aanwezigheid’ moet hier niet alleen in de letterlijke betekenis van het woord worden begrepen. Alleen wie het sterven van de oude vereniging bewust had meegemaakt, was in staat het zaad van de nieuwe vereniging in zich op te nemen. Dat beeld is ook van toepassing op onze tijd, nu de hele beschaving ten onder gaat en in het bewuste en vrijwillige beleven van dat sterven het zaad van de toekomstige beschaving gevormd wordt. Dat is vandaag de opgave van de antroposofie, de opgave waar – nog altijd en zelfs meer dan ooit – de toekomst van afhangt. 

Maar dat betekent dat het karma van de antroposofische beweging onder ogen moet worden gezien, en dat is een zure appel om in te bijten. Het is geen pretje om geconfronteerd te worden met het falen van de antroposofie. De verleiding is groot om ‘positief te blijven’ en ‘de moed erin te houden’. Maar daarmee ontwijkt men de waarheid en zonder waarheid kan vandaag niets meer bereikt worden. Echte positiviteit bestaat erin dat men het negatieve onder ogen ziet en er, zoals Rudolf Steiner, dwars doorheen gaat. Men merkt dan pas goed hoeveel er de tegenmachten aan gelegen is om de antroposofie te scheiden van het karmabewustzijn. Deze scheiding weer ongedaan te maken, betekent een strijd met de draak in zijn meest afschuwelijke vorm. In die strijd kan Ita Wegman ons tot voorbeeld zijn. De golf van haat die haar overspoelde, heeft ze gelaten ondergaan. Aan het eind van haar leven schreef ze zelfs een verzoenende brief aan Marie von Sivers en maakte op die manier de weg vrij voor een samenwerking in een volgend leven.