Antroposofie en karmabewustzijn (2)

door lievendebrouwere

  

Na zowat zijn hele leven besteed te hebben aan Julius Schröers levenstaak – de antroposofie – kon Rudolf Steiner na afloop van de Weihnachtstagung eindelijk aan zijn eigen opgave beginnen: karma en reïncarnatie. Daarvoor restten hem nog slechts 9 luttele maanden en dus moest hij zich beperken tot het meest essentiële. Dat bleek de relatie tussen oude en jonge zielen te zijn. Hij onthulde dit thema, dat als een rode draad door de karmavoordrachten loopt, tijdens de laatste zomer van zijn leven en hij deed dat heel voorzichtig. Hij sprak zelfs van een ‘intermezzo’, want hij had meer dan eens ondervonden hoe onoverkomelijk de weerstanden waren tegen karmabewustzijn. Maar dit keer zette hij door. Hij kon niet langer wachten tot zijn toehoorders er klaar voor waren. Het was nu of nooit. En bijna was het nooit geweest, want Rudolf Steiner had de Weihnachtstagung ternauwernood overleefd. De tegenmachten hadden er werkelijk alles aan gedaan om hem het spreken te beletten. 

Wat was er zo bedreigend aan dit karma-inzicht? Waarom wilden de tegenachten het met alle mogelijke middelen tegenhouden? Want ook na de dood van Rudolf Steiner gingen ze zo te keer dat het thema van de oude en de jonge zielen geen kans kreeg om door te dringen tot het antroposofische bewustzijn. En daar is tot op de huidige dag geen verandering in gekomen. De hardnekkigheid waarmee het zielenthema genegeerd wordt, doet onwillekeurig denken aan het geheim van de twee Jezuskinderen. Ook dat is tot op heden niet boven water gekomen, hoewel het duidelijk op te maken valt uit de twee verschillende geboorteverhalen en de twee verschillende stambomen in de bijbel, nochtans het meest bestudeerde boek ter wereld. Alleen in de antroposofische wereld kent men dit geheim, maar daar wordt het dan weer zorgvuldig gescheiden gehouden van het eigen karma. Het zijn dus geen geringe krachten die zich tegen het zielenthema keren en daar moeten ze een goede reden voor hebben. 

De belangrijkste gebeurtenis in de geschiedenis van de mensheid – de menswording van Christus – werd mogelijk gemaakt door de vereniging van de oude solomonische Jezusziel en de jonge nathanische Jezusziel. In onze tijd vindt de op één na belangrijkste gebeurtenis plaats – de wederkomst van Christus – en die mag volgens Rudolf Steiner onder geen beding verslapen worden. Dat zou het ergste zijn wat de mensheid kan overkomen. Om dat onheil af te wenden is de antroposofie in het leven geroepen en dat werd mogelijk gemaakt door – opnieuw – de vereniging van een oude en een jonge ziel. De antroposofie werd geconcipieerd door Julius Schröer en Rudolf Steiner, een oude en een jonge ziel. Aan de wieg van de beweging stonden Marie von Sivers en Rudolf Steiner, een oude en een jonge ziel. En tijdens de Weihnachtstagung werd de vereniging heropgericht dankzij de samenwerking van Ita Wegman en Rudolf Steiner, andermaal een oude en een jonge ziel.  

Zonder deze samenwerking van een oude en een jonge ziel is de antroposofie eenvoudig niet denkbaar. Hun twee-eenheid is de alfa en de omega van de antroposofie, het oerbeeld, het kloppende hart. Zo kwam het ook tot uitdrukking in de twee (in elkaar schuivende) koepels van het eerste Goetheanum. De tegenmachten konden de antroposofie niet dieper treffen dan door dit oerbeeld te verwoesten, zowel uiterlijk (ze staken het Goetheanum in brand) als innerlijk (ze dreven een wig tussen oude en jonge zielen). Zo verhinderden ze de vereniging van twee complementaire vormen van bewustzijn: het (oude) ‘antroposofische’ bewustzijn en het (jonge) ‘karmabewustzijn’. Daardoor kon echter ook het Christusbewustzijn niet ontstaan. Zonder antroposofie geen karmabewustzijn, zonder karmabewustzijn geen Christusbewustzijn. Op die manier onttrokken de tegenmachten de wederkomst van Christus aan het moderne bewustzijn en riepen ze stap voor stap het grootste onheil over de mensheid af. 

De eerste – en in zekere zin belangrijkste – stap in deze onheilsgeschiedenis was het saboteren van Julius Schröers opdracht: het ontwikkelen van de antroposofie. Als gevolg daarvan zag Rudolf Steiner zich genoodzaakt Schröers levenstaak over te nemen, want zonder antroposofie kon hij ook geen inzicht in karma en reïncarnatie ontwikkelen. Hij moest zijn eigen levensopdracht uitstellen en toen hij er eindelijk kon aan beginnen, sloegen de tegenmachten opnieuw toe. Ze hadden het Goetheanum in de as gelegd en daarmee het lot van de antroposofische vereniging bezegeld. Maar Rudolf Steiner liet zich niet uit het veld slaan en richtte de vereniging opnieuw op. Dus troffen ze hem een tweede keer, onmiddellijk na de Weihnachtstagung. Ook die aanslag overleefde hij, en onmiddellijk na zijn dood sloegen ze een derde keer toe. Ze staken de antroposofische beweging in brand, daarna Duitsland en ten slotte heel Europa. 

Op die manier ontwikkelde een kleine vonk – het uitschakelen van Julius Schröer – zich tot een uitslaande wereldbrand. Uit de assen is de wereld opnieuw verrezen, maar zijn ruggegraat is gebroken. De antroposofische inzichten zijn na 100 jaar nog altijd niet doorgedrongen in de beschaving. Hetzelfde geldt voor het karmabewustzijn in de antroposofische wereld. En van de samenwerking tussen platonici en aristotelici – die de antroposofie tot bloei had moeten brengen en de beschaving van de ondergang redden – is niets te merken geweest. Rudolf Steiners deadline was dan ook nog maar pas verstreken of Sorat stak zijn monsterachtige kop op. En sindsdien gaat het in sneltreinvaart bergaf. Iedere dag duiken er nieuwe ontbindingsverschijnselen op die duidelijk maken dat de onze beschaving ten onder gaat. Ja, de tegenmachten hebben hun werk grondig gedaan. Ze wisten precies wat ze moesten doen om het Christusbewustzijn te verhinderen en het grootste onheil over de mensheid te brengen. 

Tegen deze tegenmachten had Michaël ‘in de hemel’ strijd geleverd. Aan het eind van de 19de eeuw had hij ze overwonnen en ‘op aarde’ geworpen. Daar ontketenden ze een ongeziene katastrofe die nog altijd voortduurt en de mensheid met verstomming slaat. De opgave van de antroposofische beweging bestaat erin deze verstomming te doorbreken en wakker te worden voor wat zich in deze apocalyps wil openbaren: de wederkomst van Christus. Sinds het aflopen van de 20ste eeuw – de deadline van Rudolf Steiner – heeft die opgave het karakter van een keuze gekregen: zien we de mislukking van de antroposofie onder ogen of doen we verder alsof er niks aan de hand is? De situatie doet onwillekeurig denken aan de Hof van Olijven waar Christus worstelde met de dood en aan zijn leerlingen vroeg om met hem te waken. Maar ze vielen in slaap. Ze waren niet in staat de ‘mislukking’ van hun Meester onder ogen te zien en sloten er hun bewustzijn voor af. 

De Weihnachtstagung van 1923 vormde het begin van het lijden en sterven van Rudolf Steiner. De vertaling van de oude mysteriën (Schröers opdracht) was voltooid en er bleven slechts 9 maanden over om de nieuwe mysteriën (zijn eigen levenstaak) te ontwikkelen. Dus concentreerde hij ze in een Grondsteen die hij ‘in de harten van de aanwezigen’ legde, in de hoop dat dit zaadje zich zou ontwikkelen tot een nieuwe tempel. Die ‘aanwezigen’ bedoelde hij niet enkel in letterlijke zin. Toen hij na afloop van de kerstbijeenkomst verklaarde het jammer te vinden dat een bepaalde leerling er niet bij was geweest, antwoordde men hem: o, maar hij was er wel degelijk, we hebben hem gezien! Rudolf Steiner bleef echter bij zijn eerste verklaring en legde uit dat men wel ergens fysiek kan zijn, maar daarom nog niet ‘aanwezig’ is. Het volstond niet om de Grondsteenspreuk (fysiek) te horen, ze moest in de eerste plaats (geestelijk) opgenomen worden ‘in het hart’. Men moest er wakker voor zijn, men moest er met heel zijn wezen ‘aanwezig’ voor zijn.

Die wakkerheid was er niet, of toch niet in voldoende mate om Rudolf Steiner het leven te redden. Hij slaagde er weliswaar nog in om het zaadje van de Weihnachtstagung tot ontkieming te brengen en het geheim van de oude en de jonge zielen te onthullen, maar toen kon hij niet meer verder. De rest moest hij aan zijn leerlingen overlaten. Hoe dat verliep, is bekend. De woede van de tegenmachten brak over hen uit en ze verloren hun bezinning. De antroposofische beweging werd lam geslagen, eerst door wat zich binnen haar grenzen afspeelde en daarna door wat ook daarbuiten gebeurde. Inmiddels heeft ze zich daarvan hersteld, althans uiterlijk, want innerlijk ligt er een cordon sanitaire van angst en schaamte rond het pas ontkiemde zaadje: schaamte over het falen van de beweging en angst dat het opnieuw zou kunnen gebeuren. Deze ‘doornhaag’ houdt het antroposofische bewustzijn sindsdien op veilige afstand van het zielenthema en belet de verdere ontwikkeling ervan.  

Toen Rudolf Steiner stierf, is de antroposofische beweging in slaap gevallen. Vandaag, bijna 100 jaar later, bestaat ze nog altijd en wordt er veel gedacht en hard gewerkt. Maar men is niet echt wakker, men is niet echt aanwezig. De tegenwoordigheid van geest ontbreekt. Dat kan men aflezen aan het kwijnende bestaan dat de antroposofie leidt, aan haar onvermogen om de brug te slaan naar de moderne wereld, naar de moderne jeugd. Men kan het ook opmaken uit de blinde vlek in het antroposofische bewustzijn. Na al die jaren – het is bijna een eeuw geleden – blijft men nog altijd doof voor de laatste, dringende oproep van Rudolf Steiner om na te denken over het zielenthema, om deze kiem van karmabewustzijn verder te ontwikkelen. Zolang men daar geen gevolg aan geeft en innerlijk ontwaakt, kan de antroposofie ook uiterlijk niet in beweging komen. Ze blijft de gevangene van de tegenmachten die als in slagorde rond haar opgesteld staan. Want zij willen niet dat deze schone slaapster wakker wordt. 

Advertenties