Antroposofie en karmabewustzijn (3)

door lievendebrouwere

  

Het falen van Karl Julius Schröer was het spreekwoordelijke domino-blokje dat omviel en een hele reeks andere blokjes in zijn val meesleurde. Rudolf Steiner werd er om te beginnen door gedwongen de ontwikkeling van de antroposofie op zich te nemen en zijn eigen levenstaak – de studie van karma en reïncarnatie – uit te stellen. Toen hij daar eindelijk kon mee beginnen, werd hij opeens zwaar ziek en zag zich gedwongen om in 9 maanden samen te persen waar hij anders een heel leven had kunnen aan wijden. De enorme inspanningen die hij in dat laatste jaar van zijn leven leverde, waren echter niet voldoende. Hij slaagde er wel in het thema van de oude en de jonge zielen te onthullen, maar het drong niet door tot het antroposofische bewustzijn. Tot op heden blijft Rudolf Steiners (dringende) oproep om dit zaadje verder te ontwikkelen onbeantwoord. Het gevolg is een ‘halve’ antroposofie, een antroposofie zonder karmabewustzijn.

Deze gehalveerde antroposofie leeft nog wel, maar ze leidt een kwijnend bestaan: boekhandels verdwijnen, initiatieven sluiten de deuren, het ledenaantal loopt terug, de gemiddelde leeftijd stijgt, antroposofische leraars zijn nauwelijks nog te vinden, artsen evenmin. Het vuur brandt niet meer, zoveel is duidelijk. Vlugger dan verwacht gaat Rudolf Steiners voorspelling over het eind van de 20ste eeuw in vervulling: de (Europese) beschaving gaat ten onder en ze sleept de antroposofie in haar val mee. Wat begon met de mislukking van Karl Julius Schröer lijkt te eindigen met het mislukken van de samenwerking tussen platonici en aristotelici. Ook daartussen stapelen de mislukkingen zich op: de brand van het Goetheanum, de voortijdige dood van Rudolf Steiner, de scheuring van de antroposofische beweging. Het is eigenlijk één lange aaneenschakeling van mislukkingen en de meeste antroposofen kiezen er dan ook voor de ogen te sluiten voor de keerzijde van de antroposofische medaille.  

Desondanks komt deze pijnlijke geschiedenis langzaam maar zeker aan het licht. Stap voor stap raken de onverkwikkelijke feiten bekend en ontstaat een beeld waarin het zielenthema zich duidelijk aftekent. Rudolf Steiner wordt belet zijn levenstaak uit te voeren omdat Julius Schröer zodanig faalt dat er tussen deze oude en deze jonge ziel geen samenwerking tot stand kan komen. Het Goetheanum gaat in de vlammen op als gevolg – of toch minstens als uitdrukking – van de wrijvingen tussen oude en jonge zielen die er maar niet in slagen met elkaar samen te werken. Vervolgens wordt Rudolf Steiner dodelijk ziek omdat hij het karma van deze ruziënde zielengroepen op zich neemt. Na zijn dood spat de antroposofische beweging uit elkaar omdat oude en jonge zielen elkaar minder dan ooit kunnen luchten. En als kers op de tragische taart volgt dan de ultieme mislukking aan het eind van de 20ste eeuw: platonici en aristotelici komen niet tot samenwerking. Het is de zoveelste variatie op hetzelfde thema.

De samenwerking tussen oude en jonge zielen is de kracht maar ook de zwakheid van de antroposofie. Het is de achillespees waar de tegenmachten steeds weer hun pijlen op richten en de wonde is intussen zo lelijk en pijnlijk geworden dat we er niet meer durven naar kijken. Toch is dat de enige manier om de zwaargewonde antroposofie te helen. Op fysiek vlak is dat echter niet meer mogelijk. De oude antroposofie en de oude beschaving vallen niet meer te redden. Rudolf Steiner heeft het geprobeerd, en ook zijn leerlingen hebben het geprobeerd, maar het heeft niet mogen zijn. De tegenmachten vieren vandaag hun overwinning en ons rest niets anders meer dan het voorbeeld van Rudolf Steiner te volgen. Toen hij na de brand van het Goetheanum inzag dat de oude vereniging een verloren zaak was, concentreerde hij de hele antroposofie in de Grondsteenspreuk die hij als een zaadje ‘in de harten van de aanwezigen’ plantte, dat wil zeggen in de harten van degenen die wakker waren.

Dat is de keuze waarvoor we staan: ofwel blijven we slapen en proberen we te redden wat niet meer te redden valt, ofwel proberen we de antroposofie in ons hart samen te ballen tot een zaadje dat we kunnen meenemen over de grens van de dood. Want alles wat zich in ons hoofd bevindt, moeten we achterlaten. Alleen wat in ons hart leeft en met ons eigen wezen verbonden is, kunnen we meenemen en bewaren voor de toekomst. Na de Weihnachtstagung toonde Rudolf Steiner ons hoe we de oude antroposofie-van-het-hoofd kunnen transformeren tot een antroposofie-van-het-hart: door onderscheid te maken, door het feit onder ogen te zien dat de antroposofische beweging bestaat uit ‘hoofdzielen’ en ‘hartzielen’. Wie niet naar deze ‘wonde’ wil kijken, zal haar ook niet kunnen of willen genezen. Daarom verwachtte Rudolf Steiner van iedere antroposoof dat hij erachter kwam tot welke zielengroep hij behoorde (of daar minstens over nadacht). Daarmee begint de genezing van de gewonde antroposofie.

Wat er gebeurt wanneer deze stap wordt overgeslagen, hebben we gezien na Steiners dood. Beide zielengroepen botsten frontaal op elkaar, de oude antroposofie werd gerestaureerd, de dragers van de nieuwe antroposofie (Ita Wegman op kop) vlogen aan de deur, en het zielenthema werd taboe. De antroposofische beweging maakte met andere woorden rechtsomkeer en ging daarmee dwars tegen Rudolf Steiner in. Eigenlijk doet ze dat nog altijd, want zolang het zielenthema genegeerd wordt, kan de antroposofie geen hartsaangelegenheid worden en kan ze de stap naar de toekomst niet zetten. Ze blijft opgesloten in haar hoofd en de polariteit van oude en jonge zielen verhardt tot een dualistische tegenstelling waarvan de spanningen vroeg of laat tot een uitbarsting leiden. Niet de zielenpolariteit op zich is het probleem, maar het gebrek aan bewustzijn ervan. Dat (karma)bewustzijn maakt het verschil tussen een hele en een halve antroposofie, en dat is tegelijk het verschil tussen een genezende en een ziekmakende antroposofie. 

Want de problemen van de antroposofie zijn ook de problemen van de wereld. Het is geen toeval dat onmiddellijk na Rudolf Steiners deadline het zielenthema een wereldprobleem wordt. In de karmavoordrachten spreekt Steiner uitvoerig over de intense geestelijke strijd die de aristotelici (waaronder hijzelf, in zijn vorige incarnatie als Thomas van Aquino) in de middeleeuwen uitvochten met de islamitische geleerden. Vandaag laait die strijd weer op en het is pijnlijk om zien hoe machteloos Europa staat tegenover haar oude vijand. Wat Europa ontbeert, is een antroposofie die deze strijd weer opneemt en samen met de platonici beslecht. Maar zo’n antroposofie bestaat helaas niet. Alleen een intens karmabewustzijn had beide zielengroepen kunnen doen samenwerken in de strijd tegen de islam. Sinds de dood van Rudolf Steiner verzet de antroposofische beweging zich echter hevig tegen dit karmabewustzijn. Het heeft nooit de kans gekregen om zich te ontwikkelen, en daar plukken we nu de zure vruchten van.

Dit besef zou ons met verdubbelde ijver moeten doen werken aan dat karmabewustzijn, want kunnen we deze beschaving niet meer redden, we kunnen nog wel de volgende voorbereiden. Dat is en blijft de opgave van de antroposofie. Als we die ernstig nemen, mogen we ons niet verschansen in ons hoofd waar we alles wegrelativeren en ons vastklampen aan de illusie dat het allemaal wel in orde komt. We moeten ons hart openstellen voor de tragedie die vandaag plaatsvindt en wakker worden voor de realiteit van de wereldproblemen die ook onze eigen, antroposofische problemen zijn. We moeten de blik richten op de doodskrachten die nu de overhand nemen en stap voor stap alles afbreken wat we met zoveel moeite hebben opgebouwd. Alleen door de intense dramatiek van deze doodsstrijd mee te beleven, kan in ons de bevrijdende catharsis ontstaan die we nodig hebben om onze ziel te zuiveren en met vereende krachten verder te werken. 

Wanneer we ontwaken voor het mysteriedrama dat zich voor onze ogen afspeelt, komen we vroeg of laat terecht bij Karl Julius Schröer. Want met zijn mislukking is alles begonnen. Lang voor de hel van de wereldoorlogen losbarstte, lang voor de oude strijd met de islam weer oplaaide, werd in Wenen de eerste steen gelegd van deze lijdensweg, althans de eerste zichtbare steen. Niemand besefte dat, behalve Rudolf Steiner. Niemand kon bevroeden dat de beschaafde en fijnzinnige Karl Julius Schröer aan de oorsprong lag van een ongeziene katastrofe. Uiterlijk gezien was er niks aan de hand met deze brave professor die les gaf, gedichten schreef en een groot bewonderaar van Goethe was. Maar achter de coulissen speelde zich één van de grootste drama’s aller tijden af: het falen van de gereïncarneerde Plato. Volgens Rudolf Steiner was zijn vader bovendien de gereïncarneerde Socrates, maar ondanks diens steun slaagde Schröer er niet in de antroposofie te ontwikkelen. En als gevolg daarvan sloeg het noodlot toe.

Dit historische falen roept heel wat vragen op. Zoals de joden (lichamelijk) de menswording van Christus moesten voorbereiden, zo moesten de antroposofen (geestelijk) de wederkomst van Christus voorbereiden. Belangwekkender taken kan men zich moeilijk indenken. En toch werd de taak om de antroposofie te grondvesten toevertrouwd aan iemand die daar volkomen ongeschikt voor was. Want het is niet zo dat de man te maken kreeg met zware tegenslagen of felle weerstanden. Nee, hij kon het gewoon niet, hij heeft het zelfs niet geprobeerd. Deze vaststelling laat maar twee mogelijkheden open. Ofwel hebben degenen die het antroposofische karma moesten regelen zich zwaar vergist toen ze Julius Schröer uitkozen voor deze taak. Ze hebben daarna nog geprobeerd hun vergissing recht te zetten door Rudolf Steiner te sturen, maar die kon de meubelen niet meer redden. Ofwel, en dat is de tweede mogelijkheid, moeten we het falen van Karl Julius Schröer op een heel andere manier bekijken.

Volgens Rudolf Steiner is het karma afkomstig uit de allerhoogste regionen van de geestelijke wereld. In het geval van twee wereldhistorische karma’s als het joodse en het antroposofische mogen we zelfs aannemen dat ze gestuurd werden vanuit de Triniteit, en als ze zich daar vergissen, dan valt er voor ons mensen niet veel te herstellen. We hebben als antroposoof dus geen andere keuze dan te vertrouwen op de wijsheid van de karmascheppende goden en ervan uit te gaan dat ze een goede reden hadden om uitgerekend Karl Julius Schröer te kiezen voor een zo belangrijke opdracht. We kunnen derhalve niet zomaar spreken van een ‘mislukking’ van de antroposofie. We zouden dan ook moeten spreken van een mislukking van Christus, want toen hij naar de aarde kwam om de mensheid te redden, kon hij niet eens zichzelf redden: hij werd terechtgesteld als een misdadiger. Groter fiasco kan men zich niet indenken, en toch werd deze ‘mislukte’ geschiedenis een heilsgeschiedenis.

Het wordt langzaam duidelijk dat we de geschiedenis van de antroposofische beweging nog op een geheel andere manier kunnen bekijken. Het is begrijpelijk dat we als antroposoof positief willen blijven en ons concentreren op de goede dingen. Hoe zouden we het anders volhouden! Maar de waarheid heeft haar rechten. Als onze positieve instelling inhoudt dat we de schaduwkanten van het antroposofische karma negeren, dan beperken we ons tot de halve waarheid en die is soms erger dan een hele leugen. Wanneer we ons hart openstellen voor de hele waarheid, dan komt dat in eerste instantie hard aan. Gevoelens van mislukking, onmacht en wanhoop overspoelen ons. Maar als we de verleiding weerstaan om de blik af te wenden en ons in onszelf op te sluiten, dan begint een zaadje te ontkiemen en langzaam wordt een beeld zichtbaar dat ons een blik gunt op een andere, diepere werkelijkheid, een karmische werkelijkheid waar ‘mislukken’ deel uitmaakt van het plan. 

Advertenties