Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: februari, 2018

Antroposofie en karmabewustzijn (8)

  

Alle goede dingen bestaan uit drie. Geen antroposoof die het zal ontkennen, want de antroposofie is een tot in de details uitgewerkte driegelede wereldbeschouwing. Het kostte Rudolf Steiner naar eigen zeggen meer dan 30 jaar om die driegeleding op punt te stellen en hij kwam er voor het eerst mee naar buiten in 1917, op het moment dat Europa in twee werd gescheurd door de scherpste tegenstellingen. Met name de sociale driegeleding presenteerde hij als alternatief voor het (in zijn ogen verderfelijke) zelfbeschikkingsrecht der volkeren dat door de Amerikaanse president Woodrow Wilson als ideaal werd gepropageerd. Rudolf Steiner spande zich tot het uiterste in om de Midden-Europese leiders te overtuigen van zijn driegelede maatschappijmodel, maar ofschoon hij (via enkele leden van de antroposofische vereniging) toegang kreeg tot de hoogste regeringskringen, leverde dat niets op. De kloof tussen de sociale driegeleding en het Europese bewustzijn bleek al even groot als de kloof tussen de strijdende partijen.

Inmiddels zijn we honderd jaar verder en in wezen is er niets veranderd. Europa is nog altijd in een (voorlopig nog politieke) loopgravenoorlog verwikkeld en nog altijd gaat de strijd tussen links en rechts. Die interne verdeeldheid heeft Europa tot een Amerikaans wingewest gemaakt en van een Europese cultuur is geen sprake meer. Alleen de antroposofie komt daar nog voor in aanmerking, maar ze leidt een kwijnend bestaan. Ze is er niet in geslaagd de driegeleding ingang te doen vinden, noch in Europa noch in eigen gelederen. Er wordt in antroposofische kringen veel gedacht en er wordt ook hard gewerkt, maar tussen beide gebieden is nauwelijks contact. Een levendig middengebied waar denken en doen elkaar ontmoeten en bevruchten, is onbestaande. Verre van driegeleed te zijn, is de antroposofische beweging – net als de rest van de wereld – uitgesproken tweegeleed. Maar dat is niet haar grootste probleem, haar grootste probleem is dat ze het niet weet. Ze is zich niet bewust van haar eigen dualisme. 

Het roept een herinnering op. Ik zit in een aula van de Gentse universiteit en woon een van mijn allereerste antroposofische voordrachten bij. Ik heb me nog niet ‘bekeerd’, ik verken het terrein. De spreker is Mouringh Boeke, een vreemde snuiter die eruitziet als een kabouter, compleet met baard en pinnemuts. Vreemd is ook het onderwerp waarover hij spreekt: het gewaarborgd basisinkomen. Op dat moment weet ik nog niet dat Mouringh Boeke een van de leidende (of toch markante) figuren is van de driegeledingsbeweging. Met stijgende verbazing luister ik naar zijn uiteenzetting. Het is mijn eerste kennismaking met het in mijn oren utopisch klinkende idee van het basisinkomen. Na afloop van de voordracht doe ik iets wat ik anders nooit doe: ik steek mijn hand op. Meneer Boeke, vraag ik, mag ik u een persoonlijke vraag stellen? Gelooft u zelf dat dit mogelijk is? Het is een welgemeende vraag, maar hij reageert gepikeerd. Mogelijk, mogelijk, gromt hij, daar trek ik me niks van aan! Ik geloof in de zaak en dus zet ik me ervoor in!

Met dat kortaffe antwoord moet ik het doen. Maar het volstaat, het bevredigt me volkomen. De man heeft gelijk. Als iedereen zich zou afvragen of iets mogelijk is alvorens in actie te komen, dan leefden we vandaag nog in grotten. Wat ik echter niet begrijp is zijn ergernis. Misschien was mijn vraag wat persoonlijk, maar ik voel me dan ook persoonlijk geraakt door het onderwerp. Het gewaarborgd basisinkomen is de oplossing voor het prangendste probleem in mijn leven: de noodzaak om geld te verdienen. Die noodzaak is een kwelling voor mij, niet omdat ik niet wil werken, maar omdat ik alleen werk wil – en kan – verrichten waarvoor ik geschikt ben. Naar dat soort werk is echter geen vraag, dus is er ook geen geld voor, en dat betekent dat ik in feite geen recht van leven heb. Ik moet dat recht verdienen door slavenarbeid te verrichten. Vandaar mijn primaire levensgevoel: er is voor mij geen plaats op deze wereld. Voorwaar, het gewaarborgd basisinkomen raakt een gevoelige snaar in mijn ziel. 

Maar doet het dat alleen bij mij? Al sinds de zondeval moet de mens zijn brood verdienen ‘in het zweet zijns aanschijns’. Die plicht is zijn grootste kruis, de bron van eindeloos veel ellende. En nu zou daar opeens een eind kunnen aan komen? Een mens zou voor minder vragen gaan stellen. Toch reageert Mouringh Boeke geërgerd. Waarom? Ik begrijp het niet. Als je dergelijke revolutionaire ideeën verkondigt, kun je toch vragen verwachten, verbaasde vragen, kritische vragen, persoonlijke vragen. De vraag die ik hem stel, komt recht uit mijn hart en is ook direct aan zijn hart gericht. Ze komt voort uit een intense betrokkenheid bij het onderwerp en ik verwacht dat hij die betrokkenheid (h)erkent. Tenslotte ligt ze ook aan de basis van zijn streven: waarom zou je ijveren voor een gewaarborgd basisinkomen als het niet was om menselijk leed te lenigen! Maar Mouringh Boeke schuift mijn ‘hartekreet’ geërgerd aan de kant, alsof mijn hart er niet toe doet, alsof ik er niet toe doe. 

Nu ben ik op mijn beurt gepikeerd. Ik voel me miskend en afgewezen. Onbewust treft mij de contradictie: in theorie erkent Mouringh Boeke (door het basisinkomen te verdedigen) mijn recht op bestaan: ja, je hoort erbij! Maar in de praktijk ontkent hij het (door zijn geërgerd gedrag): nee, zoiets vraag je niet! Wie zijn hart laat spreken, hoort hier niet thuis! Die tegenstrijdigheid zal later typerend blijken voor veel antroposofen. Voortdurend vragen ze zich af: hoe kunnen we de buitenwereld bereiken, hoe kunnen we mensen warm maken voor de antroposofie? Maar wie het waagt een ‘fout’ antwoord te geven, wordt streng terechtgewezen: zoiets zeg je niet! Hoe vaak zal ik die woorden – uitgesproken of onuitgesproken – niet moeten horen uit de mond van antroposofen! En telkens gaat het om zaken die mij nauw aan het hart liggen en die mij diep raken, zoals het basisinkomen. Ik lijk als antroposoof alleen aanvaard te worden wanneer ik mijn hart het zwijgen opleg en mezelf aan de kant schuif.

In mijn kleine aanvaring met Mouringh Boeke manifesteert zich een oerbeeld waar ik later talloze keren mee geconfronteerd zal worden en dat als een onzichtbare muur is waar ik telkens weer tegenaan bots. Er wordt tegenwoordig veel gesproken over ‘fort Europa’, maar er bestaat ook zoiets als ‘fort Antroposofie’. Zoals er vandaag miljoenen migranten richting Europa stromen, zo zijn er volgens Rudolf Steiner ook ontelbare mensen die de antroposofie zoeken. Maar ze vinden geen toegang, ze botsen op de muur die ik zo goed ken. Zo herinner ik me nog een ouderavond die de Gentse steinerschool speciaal had ingericht om nieuwe ouders te verwelkomen en wegwijs te maken. Verbaasd zag ik hoe de oude bekenden elkaar uitgebreid begroetten, terwijl de nieuwe ouders er verweesd bij zaten. Niemand keek naar hen om, niemand begroette hen, niemand heette hen welkom. Daar was de muur weer, en de antroposofen hadden er geen idee van, ze waren er volkomen blind voor. 

Ik kon mijn ogen nauwelijks geloven: deze mensen deden precies het tegenovergestelde van wat ze beweerden te doen! Het zou lachwekkend zijn geweest als het niet zo pijnlijk was. En die ouderavond was geen uitzondering. Precies hetzelfde zou ik jaren later meemaken op een nieuwjaarsreceptie van de Antroposofische Vereniging. Ook daar verkeerde men in de mening nieuwe mensen gastvrij te onthalen, en ook daar werden ze aan hun lot overgelaten. Toen ik de organisatoren erover aansprak, verzekerden ze me er iets te zullen aan doen. Maar het drong niet tot hen door dat dit voorval slechts het topje van een ijsberg was, het symptoom van een dieperliggende kwaal. Antroposofen bouwen een onzichtbare muur om zich heen, ze trekken een scherpe grens waarmee ze de wereld in twee delen en mensen uitsluiten, maar ze beseffen het niet, ze zijn ervan overtuigd precies het tegenovergestelde te doen. Het is alsof ze uit twee verschillende personen bestaan die van elkaar niet afweten, alsof er zwei Seelen in hun borst wonen.

Maar is dat niet bij iedereen het geval? Maakt deze innerlijke gespletenheid geen deel uit van la condition humaine, het menselijk gebrek dat vandaag zo pijnlijk zichtbaar wordt? De hele wereld is verdeeld, overal worden grenzen getrokken, overal worden mensen uitgesloten. En toch is iedereen ervan overtuigd naar verbinding te streven, verdraagzaam te zijn en solidair. Het zijn ‘de anderen’ die polariseren, die haat zaaien en onverdraagzaam zijn. Bij niemand komt de gedachte op dat deze verdelende, dualistische krachten ook in zijn eigen ziel leven en dat hij zonder het te weten een onzichtbare muur om zich heen bouwt die hem belet te zien dat buitenwereld een spiegel is. Zolang de mens zich daar niet bewust van wordt, kan hij noch zichzelf noch de wereld leren kennen. En juist dit gebrek aan zelfkennis is het grootste probleem van onze tijd. Het wordt trouwens alsmaar groter, want we zien steeds duidelijker de verdeeldheid in de wereld om ons heen, maar we worden steeds blinder voor de verdeeldheid in onze eigen ziel. 

Hoe scherper we het kwaad buiten ons waarnemen, des te beter voelen we onszelf. Alsof het zien van andermans zonden onze eigen ziel witwast. Dit fenomeen heeft zelfs een naam gekregen: de politieke correctheid. Door anderen te beschuldigen, worden we zelf onschuldig. Het is een gevaarlijke waan, want onder dekking van onze vermeende morele superioriteit, sluipt een kwade geest onze ziel binnen en neemt het roer van ons over. We zijn ons niet bewust van deze geest, maar anderen reageren er vol afschuw op, wat bij ons dan weer verontwaardiging wekt. En zo vormt zich een vicieuze cirkel waar we niet meer uit raken. De oorzaak van dit verbijsterende verschijnsel is in de antroposofie bekend als ‘de ontmoeting met de dubbelganger’. Wanneer iemand over de drempel van de geestelijke wereld gaat – en dat doen we vandaag allemaal – dan ziet hij zijn schaduwzijde verschijnen in de vorm van een afschrikwekkend wezen waar hij ontzet voor terugdeinst. Maar dat hele gebeuren vindt in zijn onderbewuste plaats, hij heeft er geen weet van.

De moderne (materialistische) mens is niet voorbereid op de confrontatie met zijn (geestelijke) dubbelganger. Het besef dat dit ‘monster’ een spiegelbeeld is van zijn ziel, dreigt zijn nog prille Ik-besef te vernietigen en in een zelfbeschermende reflex ontkent hij iedere relatie tot dit wezen: hij projecteert het naar buiten. Daar betaalt hij echter een hoge prijs voor: dit collectieve projecteren verandert de wereld langzaam maar zeker in een slagveld vol ‘drakenridders’ die verwoed tegen hun spiegelbeeld vechten. Hoe dichter ze de geestelijke wereld naderen, des te heviger wordt hun strijd. Dat is de tragedie van de onbewuste drempeloverschrijding: de idealen die de geestelijke wereld in de mens opwekt, worden door zijn blindheid voor de dubbelganger omgezet in vernietigingskrachten. Antroposofen weten er alles van. Na de dood van Rudolf Steiner werden ze opeens geconfronteerd met hun dubbelganger en gingen elkaar te lijf als zagen ze het vleesgeworden kwaad voor zich.

Dit beschamende hoofdstuk in de antroposofische geschiedenis behoort inmiddels tot het verleden. De wonden zijn geheeld en de plooien gladgestreken. Maar onderhuids woekert de infectie voort. Nog altijd bouwen antroposofen muren, nog altijd sluiten ze mensen uit, nog altijd worden ze slachtoffer van hun dubbelganger. Mijn aanvaring met Mouringh Boeke was daar een (miniatuur)voorbeeld van. Hij was een overtuigd antroposoof, ik was het aan het worden. Hij zette zich in voor het basisinkomen, ik had dat basisinkomen nodig. Ik wees hem (onbewust) op de achillespees van zijn streven en ook hij had dat nodig. We streefden hetzelfde na, we vulden elkaar aan, en we hadden elkaar nodig. Maar toch kwam het niet tot samenwerking, integendeel. We werden gescheiden door ergernis, ergernis die gemakkelijk had kunnen uitgroeien tot een verontwaardigde strijd want de zaak raakte ons allebei diep. Tussen ons in stond – als een muur – het onzichtbare wezen dat al zoveel antroposofen heeft doen vechten in plaats van samenwerken: de dubbelganger. 

Waarom ergerde Mouringh Boeke zich aan mijn vraag? Omdat ze hem confronteerde met zijn onvermogen om de driegeledingsidee in werkelijkheid om te zetten. Alle antroposofische pogingen in die richting zijn mislukt en ze blijven mislukken. Voor een driegeleder is dat buitengewoon pijnlijk en als iemand die zere plek (per ongeluk) aanraakt, volgt er een afweerreactie. Waarom ergerde ik mij op mijn beurt aan Mouringh Boeke? Omdat het inkomensprobleem voor mij eveneens een bijzonder kwetsbare plek is. Zonder het te beseffen, hadden we dus elkaars ‘wonde’ aangeraakt, en in de grond was het dezelfde wonde, hetzelfde menselijk gebrek: het onvermogen om idee en werkelijkheid met elkaar te verzoenen. Sommige mensen voelen zich (meer) thuis in de wereld van de geest, maar weten niet hoe ze in de wereld van de materie kunnen leven zonder die geest op te geven. Anderen voelen zich (meer) thuis in de materie, en hebben geen idee hoe ze die wereld met de geest moeten verzoenen. Maar allebei lijden ze aan hetzelfde probleem. 

Het heeft me 40 jaar gekost om in te zien dat Mouringh Boekes ergernis niet mij gold, maar zijn dubbelganger. Hij sloot mij niet uit, hij sloot zijn dubbelganger uit. En ik, ik deed precies hetzelfde. Ons Ik was niet sterk genoeg om onze dubbelganger onder ogen te zien en dus projecteerden we hem op elkaar, waardoor hij als een muur tussen ons in kwam te staan. Die muur hadden we nodig omdat we anders niet verder konden met ons leven. Maar de dubbelgangersstrijd heeft intussen zo’n afmetingen aangenomen dat we evenmin nog verder kunnen. We dreigen eronder te bezwijken. Als we niet ten onder willen gaan aan de muur die we onbewust om ons heen bouwen, dan moeten we hem steen per steen afbreken, dan moeten onze dubbelganger stap voor stap weer integreren. We moeten met andere woorden onze ziel ‘helen’, want de kloof met onze dubbelganger is de moeder van alle strijd. Met het overbruggen van die kloof begint de vrede, met de bewustwording van onze dubbelganger begint de driegelede samenleving. 

Advertenties

Muffles en Ruffles

  

Alice Salomon was een Duitse feministe tot de nazi’s haar dwongen het land te verlaten. In Berlijn stichtte ze een hogeschool voor vrouwen, die later haar naam zou krijgen. Onlangs is die Hochshule in het nieuws gekomen omdat een gedicht dat op de zijgevel van het gebouw prijkte verwijderd werd na protest van de studenten. Die vonden dat het gedicht ‘niet alleen een klassieke patriarchale kunsttraditie reproduceerde waarin vrouwen uitsluitend de mooie muzen zijn die mannelijke kunstenaars tot creatieve daden inspireren, maar bovendien herinnerde aan onaangename sexuele intimidatie waaraan vrouwen dag in dag uit onderworpen zijn’. Het gewraakte (Spaanse) gedicht ging als volgt: avenidas, avenidas y flores/flores, flores y mujeres/avenidas, avenidas y mujeres/avenidas y flores y mujeres y/un admirador. In het Nederlands: lanen, lanen en bloemen/bloemen, bloemen en vrouwen/lanen en bloemen en vrouwen en/een bewonderaar.

Je moet goed gek zijn om dit onschuldige gedicht sexistisch te vinden. Maar blijkbaar zijn de studenten van de Alice Salomon Hochshule dat. Ze zijn helaas niet de enigen. Soortgelijke zaken spelen zich af aan tal van Westerse universiteiten en hogescholen. Wat centra van vrije meningsuiting en vrij onderzoek zouden moeten zijn, worden in toenemende mate brandhaarden van politieke correctheid en bekrompenheid. Het lijkt wel of er een nieuwe beeldenstorm in de maak is, want wat zal het volgende zijn? Het verwijderen van vrouwelijk naakt uit musea en kunstboeken? Het censureren van de gedichten van Goethe en Schiller? Het vervangen van Plato en Aristoteles door vrouwelijke filosofen? Het verbieden van muziek van blanke mannen? Het verbazingwekkende is dat de barbaarse eisen van de studenten – vaak kinderen nog – zonder noemenswaardig verzet worden ingewilligd door de directies van de onderwijsinstellingen. Geen vinger steken ze uit om het Europese culturele erfgoed te verdedigen, wel integendeel. 

Ze zijn dus allebei gek, oud én jong. Maar aan welke gekte lijden ze? Een antwoord op die vraag komt uit onverwachte hoek. Eén van de onvolprezen verhalen van James Herriot, een plattelandsveearts uit het Engelse Yorkshire, gaat over Muffles and Ruffles, twee schoothondjes met een buitengewoon slecht karakter. Als de lankmoedige Herriot voor de zoveelste keer in de enkels is gebeten door beide mormels, legt hij de zaak voor aan zijn baas. Die is in het geheel niet verbaasd. Natuurlijk bijten ze, zegt hij, want ze zijn de baas in huis en dat haten ze. Honden willen gehoorzamen, dan voelen ze zich veilig, dat geeft hen houvast. Als ze echter mogen doen wat ze willen, dan worden ze kwaadaardig. Is dat niet precies wat er vandaag ook aan de hand is met de kinderen? Net als honden worden ze met ‘liefde’ overladen, vertroeteld en verafgood. Hun wil is wet, niemand durft hen iets te weigeren, en wee degene die een vinger naar ze uitsteekt! Het resultaat is een generatie pestkoppen die iedereen terroriseren. 

Antroposofie en karmabewustzijn (7)

  

Zijt ge daar weer met uw gezaag over oude en jonge zielen! Zo reageerde een lezer op mijn reeks over antroposofie en karmabewustzijn. Het was vriendschappelijk bedoeld, maar het illustreerde niettemin de houding van de antroposofische wereld tegenover het zielenthema: het is een vervelende zaak, er kan maar best niet te veel over gesproken worden. Ik heb die onverschilligheid nooit begrepen. Neem nu de Filosofie der Vrijheid. Hoeveel mensen zouden dat boek gelezen hebben? Niet veel, denk ik. Daarvoor is het te veel moeilijk en veel te saai. Toch heeft het onder antroposofen een cult-status verworven: er worden cursussen over gegeven, artikels geschreven, zelfs congressen gehouden. Het heeft een grote naam. Vergelijk daarmee het zielenthema: onbekend en onbemind. Nochtans is het voor iedereen begrijpelijk en het is ook voor iedereen bedoeld. Rudolf Steiner was categoriek: iedere antroposoof moest hier (minstens) over nadenken. Maar dat gebeurt niet. Het onderwerp wordt al (bijna) 100 jaar genegeerd.

Als er al eens een zeldzame keer over gesproken of geschreven wordt, dan is het meestal om de zaak te relativeren en te minimaliseren. Ik heb zelf meegemaakt hoe een vooraanstaand antroposoof publiekelijk verklaarde dat men niet hoorde na te denken over het zielenthema. Toen ik voorzichtig opmerkte dat Rudolf Steiner iets heel anders zegt, kreeg ik de wind van voren. Hoe durfde ik de goede naam van de spreker zo door het slijk te sleuren! Het was niet de eerste keer dat ik in verband met het zielenthema streng terecht werd gewezen, maar nooit werden de zaken zo op scherp gesteld. Rudolf Steiner vindt dat antroposofen hier in ieder geval moeten over nadenken, maar antroposofen zelf vinden dat ze er in geen geval moeten over nadenken. Daar kwam het op neer. Dit was geen onverschilligheid meer. Hier keerde een antroposoof zich openlijk tegen Rudolf Steiner en niemand zag daar graten in. Integendeel, men was verontwaardigd toen iemand het voor Steiner opnam. 

Het valt niet te ontkennen: antroposofen keren Rudolf Steiner de rug toe als het zielenthema ter sprake komt. Ze doen het misschien niet bewust en ze doen het zeker niet allemaal zo radicaal en openlijk als hierboven, maar ze doen het wel. Hoe is dat mogelijk? Die vraag stel ik me al zowat 30 jaar. De voor de hand liggende verklaring is natuurlijk dat ik me vergis. Maar dan moet ook Rudolf Steiner zich vergissen, want zijn karmavoordrachten over het thema laten weinig ruimte voor twijfel. Ook Hans Peter van Manen moet zich vergissen. Nochtans gaat hij in Christussucher und Michaëldiener heel zorgvuldig tewerk, het boek is een schoolvoorbeeld van tekstonderzoek. Maar hoe onwaarschijnlijk ook, vergissen is altijd mogelijk. Ik heb echter nog nooit een afdoend argument gehoord of gelezen om die toch wel boude stelling te staven. Intellectuele relativeringen en emotionele reacties, iets anders lijkt het zielenthema niet te genereren. Men wil er eenvoudig niet over nadenken.  

De hardnekkigheid waarmee de antroposofische wereld het zielenthema ontwijkt, doet onwillekeurig denken aan de manier waarop de kerk het bestaan van de twee Jezuskinderen uit de weg gaat. De bijbel laat er nochtans weinig twijfel over bestaan: de twee verschillende geboorteregisters en de twee verschillende geboorteverhalen wijzen duidelijk op twee verschillende kinderen. Ook in de wereld van de kunst wist men hiervan: op heel wat beelden en schilderijen figureren twee Jezuskinderen in plaats van één. Maar alle kunst- en bijbelstudie ten spijt is daar tot op de huidige dag niets van in de openbaarheid gekomen. Zelfs de talloze boeken die proberen het christendom in diskrediet te brengen door allerlei onfrisse geheimen aan het licht te brengen, maken er geen gewag van. Het zijn dus geen geringe krachten die dit geheim houden en die zowel in de kerkelijke als in de antroposofische wereld de toegang versperren tot het zielenthema. 

Maar ook elders zijn die krachten werkzaam. Steeds meer raakt de mensheid verdeeld in twee groepen die elkaar als het vleesgeworden kwaad beschouwen. Links en rechts, man en vrouw, blank en zwart, moslim en westerling, Gutmensch en Bösmensch. We leven in een gepolariseerde wereld, daar kunnen we niet meer naast kijken. En toch is dat precies wat we doen. Ofwel richten we de aandacht naar buiten en geven ‘de ander’ de schuld voor het kwaad in de wereld, ofwel richten we de aandacht naar binnen en beschuldigen onszelf. Maar nooit richten we de aandacht op beide polen tegelijk, nooit trekken we ons uit die polariteit terug om te kijken naar wat zich afspeelt tussen de tegenpolen. Dat links en rechts bijvoorbeeld samenhoren als twee handen, komt niet in ons op. We verliezen onze bezinning bij de gedachte dat ze zouden moeten samenwerken. Liever dan ons (in de geest) boven de dualiteit te verheffen, vereenzelvigen we ons met één van beide polen en geven ons over aan het genot van de strijd. 

De krachten die ons verhinderen de dualistische werkelijkheid onder ogen te zien (en er afstand van te nemen), zijn zwaartekrachten, krachten die ons naar beneden trekken, in het gebied van de lagere driften. Eenheid wordt daar nagestreefd door het bewustzijn van de tweeheid op te heffen. De sexualiteit bijvoorbeeld lost het verlangen naar eenheid op in het zinnelijk genot van de ‘strijd’ tussen twee lichamen. Dat fysieke genot maakt echter geen eind aan de tweedeling tussen man en vrouw, het verdooft alleen ons bewustzijn ervan. Op die blinde, ‘sexuele’ manier streven we vandaag ook naar vrede. De spanningen die veroorzaakt door de extreme tegenstellingen in de wereld, proberen we op te lossen door er onze ogen voor te sluiten, door ons bewustzijn uit te schakelen. Maar evenmin als sex een huwelijk kan redden, kan een verdoofd bewustzijn de problemen van onze tijd oplossen. Dat we dit niet eens meer beseffen, geeft aan hoe sterk de ‘zwaartekrachten’ zijn die ons naar beneden trekken. 

Het zijn de krachten van het materialisme die de moderne mens blind voor de gepolariseerde werkelijkheid, die de gelovige mens blind maken voor het bestaan van de twee Jezuskinderen, die de antroposofische mens blind maken voor het zielenthema. Deze laatste brengen ze er zelfs toe zich tegen Rudolf Steiner te keren. Het is tamelijk verbijsterend om dat mee te maken. Er ontstaat dan een soort collectieve bewustzijnsverdoving die iedereen in slaap doet vallen zonder dat hij het beseft. En degene die wakker blijft, heeft de boter gegeten. Dat moet ook de situatie zijn geweest in de antroposofische wereld na de dood van Rudolf Steiner. De anti-antroposofie waarover hij reeds tijdens zijn leven had gesproken (en waarmee hij niet de vijandige buitenwereld maar het verzet binnen de eigen gelederen bedoelde) brak toen werkelijk los. Ze veroorzaakte een algemene black out die de antroposofische beweging in twee strijdende partijen verdeelde en uiteindelijk leidde tot de uitsluitingen van 1935.

Vandaag schudden we het hoofd over wat toen gebeurd is. Hoe was zoiets mogelijk! Hoe konden overtuigde antroposofen zich zo massaal tegen Rudolf Steiner keren! Want dat was tenslotte wat ze deden door (onder meer) Ita Wegman, zijn belangrijkste medewerkster, aan de deur te zetten. Dit jaar gaat men haar in Dornach officieel in ere herstellen. Een mooi maar hol gebaar, want er is sindsdien niets wezenlijks veranderd. Dezelfde krachten die toen het antroposofische bewustzijn verdoofden, zijn nog altijd werkzaam. Dezelfde krachten die zowel de antroposofische beweging als Europa verdeelden, doen dat vandaag nog altijd. Minder dan ooit slaagt de moderne mens erin zich te verzetten tegen de zwaartekracht van het materialisme. Het lukt hem niet meer tegenover de gepolariseerde werkelijkheid te gaan staan, haar zuigkracht is te groot. Van die (geestelijke) onmacht is hij zich echter niet bewust, dat blijkt nergens beter dan in de antroposofische wereld, waar het thema van de oude en de jonge zielen al bijna 100 jaar ‘slaapt’. 

De confrontatie met het zielenthema is een confrontatie met onze onmacht. De kloof die oude en jonge zielen van elkaar scheidt, is ook de kloof die ons bewustzijn scheidt van hun polariteit. Volgens Rudolf Steiner was het zielenthema ‘een intensieve toepassing op het leven’. We kunnen er inderdaad niet (denkend) tegenover gaan staan, zonder er tegelijk ook (voelend en willend) middenin te staan. Naar deze dualiteit kijken, betekent naar onszelf kijken, want (als oude of als jonge ziel) maken we er deel vanuit en ze maakt ook deel uit van onszelf. De dualiteit leeft in onze ziel als een wonde, als een diep gemis. Om ons daar bewust van te worden, moeten we zowel naar buiten als naar binnen kijken. Dat is de voorwaarde voor echte zelfkennis. We leren onszelf niet kennen door (enkel) in onze eigen ziel te kijken, maar door ook naar de (geheel) andere ziel kijken. Pas dan dringen we door tot ons echte Ik en ontwikkelen we het bewustzijn dat nodig is om de kloof te overbruggen die mens en wereld steeds meer verdeelt. 

De paradox is dat we deze kloof nodig hebben om tot zelfbewustzijn te komen, om ons te ontwikkelen tot zelfstandige Ik-wezens. Zonder dualiteit kan er geen vrijheid bestaan, zonder vrijheid kan er geen liefde zijn. Toch verklaren we in naam van de liefde en de vrijheid de oorlog aan alle tegenstellingen. We moeten naar verbinding streven! We moeten ophouden met polariseren! We moeten een eind maken aan het wij-zij denken! Dat zijn de grote slogans van onze tijd. Het waren ook de argumenten waarmee ik ooit bezworen werd niet na te denken over het zielenthema. Maar verre van vrede te stichten, roepen deze slogans op tot geweld. Wie blindelings naar eenheid streeft – zonder onderscheid te maken – keert zich niet alleen tegen de wereld (die uit louter tegenstellingen bestaat), hij keert zich ook tegen de ander (die door zijn anders-zijn een tegenstelling vormt) en hij keert zich ten slotte ook tegen de geest (die als drieëenheid ook drie tegenstellingen omvat).

De geest zou geen liefde kunnen zijn als hij louter eenheid was, want liefde veronderstelt tweeheid. De geest zou zich ook niet bewust kunnen zijn van deze liefde als hij louter tweeheid was. Daarom is hij een drieheid, een drieëenheid, en naar dat voorbeeld is de mens geschapen. Maar dat is hij in de loop der eeuwen vergeten: het driegelede mensbeeld veranderde in een tweegeleed mensbeeld. De geest verdween en alleen lichaam en ziel bleven over. Maar dit dualisme was noodzakelijk opdat de mens vrij zou kunnen worden. Zolang hij zich bewust bleef van de geest, kon hij zijn eigen gang niet gaan. Hij moest geestelijk eerst in slaap vallen en wakker worden op aarde. Vandaag is dat gebeurd, de (moderne) mens heeft zijn vrijheid veroverd. Nu moet hij de volgende stap zetten: hij moet weer ontwaken in de geest. Maar als hij op aarde weer in slaap valt, dat wil zeggen: als hij er zijn bewustzijn en zijn vrijheid voor opgeeft, dan is alles voor niets geweest, dan wordt de geschiedenis van de mensheid een kwalijke grap.  

De Filosofie der Vrijheid heeft niet voor niets zo’n grote roep in de antroposofische wereld (ook al hebben weinigen het boek gelezen): Rudolf Steiner is de heraut van de vrijheid. Hij wil ons niet zomaar in contact brengen met de wereld van de geest, want dat gebeurt sinds het einde van het Kali Yuga wel vanzelf. Hij wil ons in de eerste plaats tonen hoe we de wereld van de geest als vrije mensen kunnen betreden, dat wil zeggen zonder alles op te geven wat we met zoveel moeite, zoveel geweld en zoveel lijden hebben opgebouwd. Sinds de ‘poorten van de hemel’ weer openstaan, streven we instinctief naar eenheid, naar verbinding, naar liefde. De groeiende invloed van de geest verdooft ons bewustzijn en wiegt ons in slaap. De roep om alle grenzen op te heffen, ieder onderscheid uit te wissen, alle verschillen te negeren, klinkt steeds luider. Wat daar de gevolgen van zijn, lezen we iedere dag in de krant: haat, geweld, strijd. Anders gezegd: niet minder maar meer dualisme.

Gebrek aan onderscheidingsvermogen doet liefde in haat veranderen. Liefde zonder onderscheidingsvermogen is blinde liefde, luciferische liefde, eigenliefde. Ze is de keerzijde van de ahrimaanse haat, ze roept die haat op, ze kan niet bestaan zonder die haat. Pas als we die dualiteit onder ogen zien en duidelijk onderscheid maken tussen Lucifer en Ahriman, kan de echte liefde zichtbaar worden. Ze wordt zichtbaar door ons onderscheidingsvermogen en in ons onderscheidingsvermogen. Ja, het is ons onderscheidingsvermogen zelf dat liefde wordt. Die potentie had het altijd al, maar ze wordt pas gerealiseerd wanneer we – bewust en vrijwillig – de blik richten op de fundamentele dualiteiten van het leven. We worden ons dan bewust van de (echte) liefde en staan er tegelijk middenin, zoals dat ook het geval is wanneer we de blik richten op het onderscheid tussen oude en jonge zielen. De bewustwording van het zielenthema is de geboorte van de broederliefde, ze is het eerste ontkiemen van de antroposofische grondsteen, van de ‘liefdessteen’.  

Antroposofie en karmabewustzijn (6)

  

Als ik terugdenk aan mijn ontwikkeling als antroposoof – voor zover er van ontwikkeling sprake is, want soms heb ik het gevoel dat ik geen meter verder kom – dan meen ik drie stappen te onderscheiden: denken, voelen en willen. De eerste, en beslissende, stap zette ik met de Filosofie der Vrijheid. Dat boek is een hele kluif voor het denken, maar als je in the mood bent, kun je het blijkbaar ook gevoelsmatig of intuïtief begrijpen, anders was ik misschien nooit antroposoof geworden. De tweede stap volgde toen ik las wat Emil Bock schrijft over de twee Jezuskinderen. De kerstverhalen richten zich uiteraard tot het gevoel, maar wat zich allemaal afspeelt tussen de twee Jezussen, de twee Jozeffen en de twee Maria’s is toch best wel ingewikkeld. In de eerste plaats is het echter kunstzinnig, wat niet gezegd kan worden van de Filosofie der Vrijheid. Wetenschap en kunst: zo zou je mijn eerste twee stappen in de antroposofie kunnen karakteriseren. 

De derde stap was Hans Peter van Manens uiteenzetting over Christussucher und Michaëldiener. Opnieuw een fundamentele tweedeling maar toch wezenlijk anders dan beide vorige. Rudolf Steiner noemt het thema van de oude en de jonge zielen ‘een intensieve toepassing op het leven’. Dat was de Filosofie der Vrijheid beslist niet. Het boek had weliswaar de antroposofie voor mij ontsloten, maar op mijn leven had het geen rechtstreekse invloed gehad. Het bleef een louter innerlijke zaak. Dat gold ook voor de kwestie van de twee Jezuskinderen. Het betekende heel wat voor mijn ziel dat ik het christendom weer kon omarmen, maar daar kwam vooralsnog niks van naar buiten. Ik ging niet opnieuw naar de kerk, evenmin als ik lid van de Antroposofische Vereniging was geworden. Er was méér nodig om de kloof tussen mezelf en de werkelijkheid te overbruggen. En dat ‘meer’ vond ik in het zielenthema. Daar kon ik mee aan de slag. Het sprak niet alleen mijn verstand en mijn gevoel aan, maar ook mijn wil. 

Het thema van de oude en de jonge zielen is kinderlijk eenvoudig: er zijn twee soorten antroposofen en je moet erachter zien te komen tot welke soort je behoort. Daar hoef je geen genie voor te zijn: één kans op twee dat je het juist hebt. Maar daar gaat het natuurlijk niet om. De bedoeling is dat je werkelijk inzicht krijgt in je zieleaard en dat lukt niet zonder grondig na te denken over jezelf, over de wereld en over de anderen. Ook gevoelsmatig is het zielenthema heel eenvoudig. Zoals er in de wereld mannen en vrouwen zijn, zo zijn er ook oude en jonge zielen. No big deal. Maar net als de fysieke natuur is ook de geestelijke natuur geen idylle. Zoals er onder het oppervlak van de menselijke relaties altijd een guerre des sexes dreigt, zo heerst er ook tussen oude en jonge zielen voortdurend oorlogsdreiging. Intellectueel kan men daar buiten blijven, maar gevoelsmatig niet. Dan is het afgelopen met de kinderlijke eenvoud. Het zielenthema wordt dan een uitdaging van formaat.

De Filosofie der Vrijheid en Tussen Bethlehem en de Jordaan waren sleutels die een deur voor me openden en toen ik daar doorheen stapte, had ik ze niet meer nodig. In die zin behoorden ze tot het verleden. Dat deden ze ook nog in een andere zin. Zowel de Filosofie der Vrijheid als de bijbelse geboorteverhalen speelden zich af in een (respectievelijk verstandelijk en gevoelsmatig) zeer verheven sfeer, die me danig intimideerde. Gelukkig kwamen ze naar me toe, want zelf had ik ze niet durven uitkiezen. Het waren godsgeschenken die ik niet verdiend had, tenzij misschien in een vorig leven. Ze herinnerden me aan wat er reeds in mijn ziel leefde. Maar met het thema van de oude en de jonge zielen was het anders. Dat verwees naar de toekomst. Het was eveneens een geschenk, maar dan zo klein en onaanzienlijk dat het mij geenszins bezwaarde. Ik voelde mij een beetje als een kind dat een stuk speelgoed krijgt en zich verheugt op alles wat het ermee zal kunnen doen. 

Op de een of andere manier nam ik de ‘potentie’ waar die in het zielenthema verscholen zat. Net als beide vorige keren gebeurde dat ‘als in een droom’, maar het was toch anders. Het deed niet opeens een licht in me opgaan zoals de Filosofie der Vrijheid, en het verwarmde ook mijn hart niet zoals het verhaal van de twee Jezuskinderen, nee, het deed me tot actie overgaan. Al tijdens het lezen van Christussucher und Michaëldiener was ik tot de conclusie gekomen dat ik een oude ziel was en daar sprak ik over met mijn vrouw (die ik duidelijk als jonge ziel herkende). Ik vroeg me af tot welke zielengroep de antroposofen behoorden die ik kende. Ik schreef een paar artikelen in het schooltijdschriftje De Mare, en ik begon zelfs aan een vertaling van het boek. De kwestie sprak wel degelijk ook mijn verstand en mijn gevoel aan, maar het was mijn wil die beide met elkaar verbond en de kloof met de werkelijkheid overbrugde. Wat voordien nog in de lucht had gezweefd, kwam nu eindelijk op aarde. 

Misschien moet je, zoals ik, jarenlang in het niemandsland tussen hemel en aarde rondgedoold hebben, pale for weariness, of climbing heaven and gazing on the earth, wandering companionless, om te begrijpen wat dat betekent: op aarde komen, contact maken met de wereld. Daarom was ik zo enthousiast over het zielenthema: het was concreet, het was aards, en tegelijk toch geestelijk. Maar het was geestelijk op een andere manier dan beide vorige stappen. De geest kwam hier als een zaadje in de aarde terecht, de kloof tussen hemel en aarde overbruggend. Het was het allereerste, prille begin van wat je ‘sociale kunst’ zou kunnen noemen, een levenskunst die Alle Menschen werden Brüder als hoogste ideaal heeft. Zo beleefde ik – vooralsnog onbewust – het thema van de oude en de jonge zielen: als de kiem van een levende kunst, die niet alleen een nieuw soort denken veronderstelde maar tegelijk ook een nieuw soort religie was: de religie van de bewuste liefde, de religie van de vrije mens.

Zo heeft Rudolf Steiner het volgens mij ook bedoeld. Toen hij tijdens de Weihnachtstagung de Grondsteen ‘in de harten van de aanwezigen’ legde, had hij de hele antroposofie als in een zaadje samengebald. De Grondsteenspreuk was – net als de (fysieke) grondsteen van het eerste Goetheanum – tweeledig. Ze bestond uit een drieledig gedeelte (over de wezensdelen van de mens) en een tweeledig gedeelte (over de herders en de koningen). Daarmee weerspiegelde ze de (bovenaardse) Michaëlbijeenkomst die aan de oorsprong van de antroposofie lag. Die bestond enerzijds uit een ‘school’ (waarin het mysterieverleden werd behandeld) en anderzijds uit een ‘cultus’ (die op de toekomst was gericht). De theorie van de Michaëlschool sprak vooral (het denken en voelen van) de oude zielen aan, de praktijk van de Michaëlcultus richtte zich in de eerste plaats op (de wil van) de jonge zielen. Maar het was natuurlijk de bedoeling dat deze twee zouden worden samengesmeed, zoals ook de (eerste) Grondsteen samengesmeed was.

Om te kunnen ontkiemen heeft een zaadje water en warmte nodig: de Grondsteen moest met de vermogens van het hart worden opgenomen. De spreuk was veel te compact om onmiddellijk met het bewuste denken begrepen te kunnen worden. Pas na de Weihnachtstagung, tijdens de lange reeks karmavoordrachten, begon Rudolf Steiner het licht van het denkende bewustzijn toe te voegen aan het Grondsteenzaadje. Hij deed dat heel voorzichtig, en niet zonder er de nadruk op te leggen dat er ‘van hart tot hart’ diende gesproken te worden. Het zielenthema mocht niet louter intellectueel opgenomen worden. Dat was iets van het verleden, een oude gewoonte die overwonnen moest worden. Na de Weihnachtstagung moest de antroposofie op een nieuwe manier benaderd worden: vanuit het hart. Rudolf Steiner waarschuwde dan ook voor luciferische sensatiezucht: karma vereiste de grootst mogelijke eerbied. Maar het grootste gevaar vormde toch het kille, dode denken van Ahriman.

Het is merkwaardig om zien hoe Rudolf Steiner zijn leerlingen tussen deze twee klippen probeert heen te loodsen. Eerst jaagt hij ze bijna schrik aan: zonder zijn persoonlijke toestemming mogen ze in het openbaar niet over de inhoud van de karmavoordrachten spreken. Maar, voegt hij er even later aan toe, als het op de juiste manier gebeurt is alles natuurlijk in orde. Nog nadrukkelijker wordt dit pendelen-tussen-twee-uitersten wanneer hij het zielenthema introduceert. Eerst noemt hij het een ‘intermezzo’, als was het een ontspannende pauze, een entr’acte. Maar nog geen week later brengt hij het in verband met het voortbestaan van de menselijke beschaving. Wanneer hij dan voelt dat er weerstanden rijzen en zijn toehoorders zich beginnen afvragen of ze nu werkelijk moeten gaan uitzoeken tot welke zielengroep ze behoren, antwoordt hij kordaat: ja, absoluut! Iedere antroposoof moet erachter komen of hij een oude dan wel een jonge ziel is! Maar even later zwakt hij dat alweer af: we moeten er toch een beetje over gaan nadenken. 

Het is een grote stap die Rudolf Steiner tijdens de Weihnachtstagung zet: hij vervangt de oude wijsheidsmysteriën door wilsmysteriën. Wat vroeger onderscheiden werd – denken en voelen, wijsheid en liefde, koningen en herders, enzovoort – wordt nu verbonden tot een hogere eenheid. Maar alleen als de mens dat wil. De nieuwe mysteriën zijn mysteriën van de vrije wil. Ze hangen niet langer van de goden af, ze hangen van de mens af. Daarom gaat Rudolf Steiner zo ‘dubbelzinnig’ tewerk. Hij weet hoe ontzettend belangrijk het is dat zijn leerlingen deze stap zetten. Maar hij wil hen niet dwingen of intimideren, zorgvuldig vermijdt hij ieder ‘grensoverschrijdend gedrag’. Voor een man van zijn formaat is dat geen sinecure, want zijn woorden worden al te vaak tot dogma’s gemaakt. Vandaar de tegenstrijdige signalen die hij nu uitzendt en waarvan hij hoopt dat zijn leerlingen ze zullen begrijpen. Als een minnaar maakt hij zijn geliefde het hof: vasthoudend en terughoudend tegelijk. 

Het zielenthema kan alleen in het hart ontkiemen omdat het een liefdesthema is. Voor het nuchtere verstand is het gedrag van Rudolf Steiner onbegrijpelijk. De man die een leven lang de diepste geestelijke waarheden verkondigd heeft, begint nu te spreken over het feit dat er … twee soorten antroposofen bestaan. Hij maant zijn leerlingen aan zich af te vragen tot welke groep ze behoren, en het antwoord op die vraag kan volgens hem de inhoud van de antroposofie worden. Wat is er met Steiner aan de hand? Hij lijkt een beetje simpel van geest te zijn geworden. Zijn leerlingen weten niet wat ze er moeten van denken en besluiten de hele kwestie met de mantel der liefde te bedekken. Ze wenden zedig de blik af en doen alsof er niets gebeurd is. Dat doen ze vandaag nog altijd. Ze gaan ervan uit dat Rudolf Steiner met het zielenthema een uitschuiver heeft gemaakt. Dat wordt niet met zoveel woorden gezegd, maar ze blijven het onderwerp negeren of minimaliseren. Wie er méér in ziet, wordt tot de orde geroepen. 

Iedere minnaar loopt het risico dat zijn liefde niet beantwoord wordt. Rudolf Steiner heeft meer dan eens uitgesproken dat de Weihnachtstagung een waagstuk was. Als de goden hem afgewezen hadden, zou al zijn werk voor niets zijn geweest. Maar ze beantwoordden zijn liefdesverklaring, ze aanvaardden zijn offer. De onthulling van het zielenthema was een eerste vrucht van deze liefdesrelatie: het was een geschenk van de goden. Maar de nieuwe mysteriën konden zich alleen verder ontwikkelen als dit geschenk aanvaard werd, als mensen Rudolf Steiner navolgden en hun hart lieten spreken. Deze liefdesmysteriën wilden een huwelijk tot stand brengen tussen mensen en goden. De goden hadden reeds hun ja-woord gegeven, maar de mensen deinsden terug. Ze waren nog niet bereid hun oude vrijheid op te geven, ze hingen nog teveel aan hun oude, dualistische wereld, waar denken en voelen gescheiden optreden, waar de wil nog niet in staat is beide liefdevol met elkaar te verbinden.