Antroposofie en karmabewustzijn (6)

door lievendebrouwere

  

Als ik terugdenk aan mijn ontwikkeling als antroposoof – voor zover er van ontwikkeling sprake is, want soms heb ik het gevoel dat ik geen meter verder kom – dan meen ik drie stappen te onderscheiden: denken, voelen en willen. De eerste, en beslissende, stap zette ik met de Filosofie der Vrijheid. Dat boek is een hele kluif voor het denken, maar als je in the mood bent, kun je het blijkbaar ook gevoelsmatig of intuïtief begrijpen, anders was ik misschien nooit antroposoof geworden. De tweede stap volgde toen ik las wat Emil Bock schrijft over de twee Jezuskinderen. De kerstverhalen richten zich uiteraard tot het gevoel, maar wat zich allemaal afspeelt tussen de twee Jezussen, de twee Jozeffen en de twee Maria’s is toch best wel ingewikkeld. In de eerste plaats is het echter kunstzinnig, wat niet gezegd kan worden van de Filosofie der Vrijheid. Wetenschap en kunst: zo zou je mijn eerste twee stappen in de antroposofie kunnen karakteriseren. 

De derde stap was Hans Peter van Manens uiteenzetting over Christussucher und Michaëldiener. Opnieuw een fundamentele tweedeling maar toch wezenlijk anders dan beide vorige. Rudolf Steiner noemt het thema van de oude en de jonge zielen ‘een intensieve toepassing op het leven’. Dat was de Filosofie der Vrijheid beslist niet. Het boek had weliswaar de antroposofie voor mij ontsloten, maar op mijn leven had het geen rechtstreekse invloed gehad. Het bleef een louter innerlijke zaak. Dat gold ook voor de kwestie van de twee Jezuskinderen. Het betekende heel wat voor mijn ziel dat ik het christendom weer kon omarmen, maar daar kwam vooralsnog niks van naar buiten. Ik ging niet opnieuw naar de kerk, evenmin als ik lid van de Antroposofische Vereniging was geworden. Er was méér nodig om de kloof tussen mezelf en de werkelijkheid te overbruggen. En dat ‘meer’ vond ik in het zielenthema. Daar kon ik mee aan de slag. Het sprak niet alleen mijn verstand en mijn gevoel aan, maar ook mijn wil. 

Het thema van de oude en de jonge zielen is kinderlijk eenvoudig: er zijn twee soorten antroposofen en je moet erachter zien te komen tot welke soort je behoort. Daar hoef je geen genie voor te zijn: één kans op twee dat je het juist hebt. Maar daar gaat het natuurlijk niet om. De bedoeling is dat je werkelijk inzicht krijgt in je zieleaard en dat lukt niet zonder grondig na te denken over jezelf, over de wereld en over de anderen. Ook gevoelsmatig is het zielenthema heel eenvoudig. Zoals er in de wereld mannen en vrouwen zijn, zo zijn er ook oude en jonge zielen. No big deal. Maar net als de fysieke natuur is ook de geestelijke natuur geen idylle. Zoals er onder het oppervlak van de menselijke relaties altijd een guerre des sexes dreigt, zo heerst er ook tussen oude en jonge zielen voortdurend oorlogsdreiging. Intellectueel kan men daar buiten blijven, maar gevoelsmatig niet. Dan is het afgelopen met de kinderlijke eenvoud. Het zielenthema wordt dan een uitdaging van formaat.

De Filosofie der Vrijheid en Tussen Bethlehem en de Jordaan waren sleutels die een deur voor me openden en toen ik daar doorheen stapte, had ik ze niet meer nodig. In die zin behoorden ze tot het verleden. Dat deden ze ook nog in een andere zin. Zowel de Filosofie der Vrijheid als de bijbelse geboorteverhalen speelden zich af in een (respectievelijk verstandelijk en gevoelsmatig) zeer verheven sfeer, die me danig intimideerde. Gelukkig kwamen ze naar me toe, want zelf had ik ze niet durven uitkiezen. Het waren godsgeschenken die ik niet verdiend had, tenzij misschien in een vorig leven. Ze herinnerden me aan wat er reeds in mijn ziel leefde. Maar met het thema van de oude en de jonge zielen was het anders. Dat verwees naar de toekomst. Het was eveneens een geschenk, maar dan zo klein en onaanzienlijk dat het mij geenszins bezwaarde. Ik voelde mij een beetje als een kind dat een stuk speelgoed krijgt en zich verheugt op alles wat het ermee zal kunnen doen. 

Op de een of andere manier nam ik de ‘potentie’ waar die in het zielenthema verscholen zat. Net als beide vorige keren gebeurde dat ‘als in een droom’, maar het was toch anders. Het deed niet opeens een licht in me opgaan zoals de Filosofie der Vrijheid, en het verwarmde ook mijn hart niet zoals het verhaal van de twee Jezuskinderen, nee, het deed me tot actie overgaan. Al tijdens het lezen van Christussucher und Michaëldiener was ik tot de conclusie gekomen dat ik een oude ziel was en daar sprak ik over met mijn vrouw (die ik duidelijk als jonge ziel herkende). Ik vroeg me af tot welke zielengroep de antroposofen behoorden die ik kende. Ik schreef een paar artikelen in het schooltijdschriftje De Mare, en ik begon zelfs aan een vertaling van het boek. De kwestie sprak wel degelijk ook mijn verstand en mijn gevoel aan, maar het was mijn wil die beide met elkaar verbond en de kloof met de werkelijkheid overbrugde. Wat voordien nog in de lucht had gezweefd, kwam nu eindelijk op aarde. 

Misschien moet je, zoals ik, jarenlang in het niemandsland tussen hemel en aarde rondgedoold hebben, pale for weariness, of climbing heaven and gazing on the earth, wandering companionless, om te begrijpen wat dat betekent: op aarde komen, contact maken met de wereld. Daarom was ik zo enthousiast over het zielenthema: het was concreet, het was aards, en tegelijk toch geestelijk. Maar het was geestelijk op een andere manier dan beide vorige stappen. De geest kwam hier als een zaadje in de aarde terecht, de kloof tussen hemel en aarde overbruggend. Het was het allereerste, prille begin van wat je ‘sociale kunst’ zou kunnen noemen, een levenskunst die Alle Menschen werden Brüder als hoogste ideaal heeft. Zo beleefde ik – vooralsnog onbewust – het thema van de oude en de jonge zielen: als de kiem van een levende kunst, die niet alleen een nieuw soort denken veronderstelde maar tegelijk ook een nieuw soort religie was: de religie van de bewuste liefde, de religie van de vrije mens.

Zo heeft Rudolf Steiner het volgens mij ook bedoeld. Toen hij tijdens de Weihnachtstagung de Grondsteen ‘in de harten van de aanwezigen’ legde, had hij de hele antroposofie als in een zaadje samengebald. De Grondsteenspreuk was – net als de (fysieke) grondsteen van het eerste Goetheanum – tweeledig. Ze bestond uit een drieledig gedeelte (over de wezensdelen van de mens) en een tweeledig gedeelte (over de herders en de koningen). Daarmee weerspiegelde ze de (bovenaardse) Michaëlbijeenkomst die aan de oorsprong van de antroposofie lag. Die bestond enerzijds uit een ‘school’ (waarin het mysterieverleden werd behandeld) en anderzijds uit een ‘cultus’ (die op de toekomst was gericht). De theorie van de Michaëlschool sprak vooral (het denken en voelen van) de oude zielen aan, de praktijk van de Michaëlcultus richtte zich in de eerste plaats op (de wil van) de jonge zielen. Maar het was natuurlijk de bedoeling dat deze twee zouden worden samengesmeed, zoals ook de (eerste) Grondsteen samengesmeed was.

Om te kunnen ontkiemen heeft een zaadje water en warmte nodig: de Grondsteen moest met de vermogens van het hart worden opgenomen. De spreuk was veel te compact om onmiddellijk met het bewuste denken begrepen te kunnen worden. Pas na de Weihnachtstagung, tijdens de lange reeks karmavoordrachten, begon Rudolf Steiner het licht van het denkende bewustzijn toe te voegen aan het Grondsteenzaadje. Hij deed dat heel voorzichtig, en niet zonder er de nadruk op te leggen dat er ‘van hart tot hart’ diende gesproken te worden. Het zielenthema mocht niet louter intellectueel opgenomen worden. Dat was iets van het verleden, een oude gewoonte die overwonnen moest worden. Na de Weihnachtstagung moest de antroposofie op een nieuwe manier benaderd worden: vanuit het hart. Rudolf Steiner waarschuwde dan ook voor luciferische sensatiezucht: karma vereiste de grootst mogelijke eerbied. Maar het grootste gevaar vormde toch het kille, dode denken van Ahriman.

Het is merkwaardig om zien hoe Rudolf Steiner zijn leerlingen tussen deze twee klippen probeert heen te loodsen. Eerst jaagt hij ze bijna schrik aan: zonder zijn persoonlijke toestemming mogen ze in het openbaar niet over de inhoud van de karmavoordrachten spreken. Maar, voegt hij er even later aan toe, als het op de juiste manier gebeurt is alles natuurlijk in orde. Nog nadrukkelijker wordt dit pendelen-tussen-twee-uitersten wanneer hij het zielenthema introduceert. Eerst noemt hij het een ‘intermezzo’, als was het een ontspannende pauze, een entr’acte. Maar nog geen week later brengt hij het in verband met het voortbestaan van de menselijke beschaving. Wanneer hij dan voelt dat er weerstanden rijzen en zijn toehoorders zich beginnen afvragen of ze nu werkelijk moeten gaan uitzoeken tot welke zielengroep ze behoren, antwoordt hij kordaat: ja, absoluut! Iedere antroposoof moet erachter komen of hij een oude dan wel een jonge ziel is! Maar even later zwakt hij dat alweer af: we moeten er toch een beetje over gaan nadenken. 

Het is een grote stap die Rudolf Steiner tijdens de Weihnachtstagung zet: hij vervangt de oude wijsheidsmysteriën door wilsmysteriën. Wat vroeger onderscheiden werd – denken en voelen, wijsheid en liefde, koningen en herders, enzovoort – wordt nu verbonden tot een hogere eenheid. Maar alleen als de mens dat wil. De nieuwe mysteriën zijn mysteriën van de vrije wil. Ze hangen niet langer van de goden af, ze hangen van de mens af. Daarom gaat Rudolf Steiner zo ‘dubbelzinnig’ tewerk. Hij weet hoe ontzettend belangrijk het is dat zijn leerlingen deze stap zetten. Maar hij wil hen niet dwingen of intimideren, zorgvuldig vermijdt hij ieder ‘grensoverschrijdend gedrag’. Voor een man van zijn formaat is dat geen sinecure, want zijn woorden worden al te vaak tot dogma’s gemaakt. Vandaar de tegenstrijdige signalen die hij nu uitzendt en waarvan hij hoopt dat zijn leerlingen ze zullen begrijpen. Als een minnaar maakt hij zijn geliefde het hof: vasthoudend en terughoudend tegelijk. 

Het zielenthema kan alleen in het hart ontkiemen omdat het een liefdesthema is. Voor het nuchtere verstand is het gedrag van Rudolf Steiner onbegrijpelijk. De man die een leven lang de diepste geestelijke waarheden verkondigd heeft, begint nu te spreken over het feit dat er … twee soorten antroposofen bestaan. Hij maant zijn leerlingen aan zich af te vragen tot welke groep ze behoren, en het antwoord op die vraag kan volgens hem de inhoud van de antroposofie worden. Wat is er met Steiner aan de hand? Hij lijkt een beetje simpel van geest te zijn geworden. Zijn leerlingen weten niet wat ze er moeten van denken en besluiten de hele kwestie met de mantel der liefde te bedekken. Ze wenden zedig de blik af en doen alsof er niets gebeurd is. Dat doen ze vandaag nog altijd. Ze gaan ervan uit dat Rudolf Steiner met het zielenthema een uitschuiver heeft gemaakt. Dat wordt niet met zoveel woorden gezegd, maar ze blijven het onderwerp negeren of minimaliseren. Wie er méér in ziet, wordt tot de orde geroepen. 

Iedere minnaar loopt het risico dat zijn liefde niet beantwoord wordt. Rudolf Steiner heeft meer dan eens uitgesproken dat de Weihnachtstagung een waagstuk was. Als de goden hem afgewezen hadden, zou al zijn werk voor niets zijn geweest. Maar ze beantwoordden zijn liefdesverklaring, ze aanvaardden zijn offer. De onthulling van het zielenthema was een eerste vrucht van deze liefdesrelatie: het was een geschenk van de goden. Maar de nieuwe mysteriën konden zich alleen verder ontwikkelen als dit geschenk aanvaard werd, als mensen Rudolf Steiner navolgden en hun hart lieten spreken. Deze liefdesmysteriën wilden een huwelijk tot stand brengen tussen mensen en goden. De goden hadden reeds hun ja-woord gegeven, maar de mensen deinsden terug. Ze waren nog niet bereid hun oude vrijheid op te geven, ze hingen nog teveel aan hun oude, dualistische wereld, waar denken en voelen gescheiden optreden, waar de wil nog niet in staat is beide liefdevol met elkaar te verbinden. 

Advertenties